Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/3.5
3.5. Het gerecht van eerste aanleg (GvEA EG) en het hof van justitie, (HvJ EG)
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS578680:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Het Gerecht van Eerste Aanleg (GvEA EG) bestaat sinds 1989. Dit gerecht bestaat uit één rechter per lidstaat en heeft geen advocaten-generaal. In sommige gevallen kan één van de rechters als advocaat-generaal worden ingezet. Ook de rechters van het GvEA EG worden voor zes jaar benoemd in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten. Net als bij het HvJ EG (in enge zin), kiezen zij uit hun midden een president. Zie voor een nadere bespreking ook Hartley 2007, p. 50 e.v.
Het GvEA EG heeft, net als het HvJ EG, tot taak de eerbiediging van het recht te verzekeren bij de uitlegging en toepassing van de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en van de door de bevoegde EG-instellingen vastgestelde bepalingen. Ter vervulling van zijn voornaamste taak is het GvEA EG bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van alle rechtstreekse beroepen van particulieren en van lidstaten, met uitzondering van die waarvoor een 'rechterlijke kamer' bevoegd is in de zin van art. 225a EG en die welke aan het Hof zijn voorbehouden. Rechtstreekse beroepen kunnen worden ingedeeld in verschillende categorieën. Gedacht moet worden aan een beroep tot nietigverklaring tegen handelingen van EG-instellingen (art. 230, 231 EG), een beroep wegens nalaten bij verzuim van EG-instellingen (art. 232 EG), een beroep tot schadevergoeding strekkende tot vergoeding van schade wegens onrechtmatig handelen van een gemeenschapsinstelling (art. 235 EG), een beroep op grond van een arbitragebeding bij geschillen betreffende door de Gemeenschap gesloten publiek- of privaatrechtelijke overeenkomsten waarin een dergelijk beding is opgenomen (art. 238 EG) en beroepen van ambtenaren bij geschillen tussen de Gemeenschap en haar ambtenaren en andere personeelsleden (art. 236 EG).
Voor de hoogste rechter bestaat er op grond van art. 234 en art. 68 EG een rechtsplicht tot verwijzing als er een vraag van Europees recht rijst. Zoals bekend hoeft de hoogste rechter geen prejudiciële vraag te stellen in geval de ingeroepen Europese regel geen enkele uitleg behoeft (acte clair) en in geval het HvJ EG een dergelijk geval al eerder heeft uitgelegd of verduidelijkt (acte éclairé). Zie HvJ EG 6 oktober 1982, zaak 283/81 (Cilfit), Jur. 1982, p. 3415. In geval de nationale rechter zijn verwijzingsverplichting ex art. 234 EG schendt, kan dit tot aansprakelijkheid van de staat leiden met als gevolg de verplichting tot het betalen van schadevergoeding. Zie HvJ EG 30 september 2003, zaak C-224/01 (Köbler), Jur. 2003, p. 1-10239, NJ 2004, 160 m.nt. MRM.
Zie over deze criteria in het kader van de verlening van onrechtmatige staatssteun ook Adriaanse 2006, p. 128 e.v.
De term 'Hof van Justitie' kan betrekking hebben op twee zaken. Allereerst op de instelling: Hof en Gerecht van Eerste Aanleg gezamenlijk, en daarnaast op het Hof als rechtsprekende instantie.
De geldigheid van een beschikking van de Commissie kan worden betwist bij het Gerecht van Eerste Aanleg (GvEA EG).1 Daarnaast staat ex artikel 225 lid 1 EG een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening open bij het Hof van Justitie (HvJ EG).2 Deze rechtstreekse beroepen moeten worden onderscheiden van prejudiciële vragen die door de nationale rechters kunnen en in hoogste instantie soms zelfs moeten worden gesteld aan het HvJ EG 3
Op grond van artikel 230 EG kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.4 Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling door het GvEA EG of het HvJ EG nietig verklaard (artikel 231 EG).5