Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.7.2
6.7.2 Zelfregulering en de pogingen van de wetgever
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687286:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies van 24 april 1987, Advies ex-deelnemers pensioenfondsen, nummer 1987/09, p. 12.
SER-advies van 24 april 1987, Advies ex-deelnemers pensioenfondsen, nummer 1987/09, p. 24-25; later ook Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 81, Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 17, p. 75 en Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 7. De regering stelde zelfs in Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 8, p. 9 en p. 32, dat door de vastlegging van alle afspraken er ook geen noodzaak is tot eenzelfde vorm van (mede)zeggenschap als bij pensioenfondsen. Zo ook J.R. Wirschell, ‘Governance van pensioenfondsen’, P&P 2012/1, p. 11-12. Wirschell stelt dat het verschil gezocht moest worden in het feit dat de PSW en de Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW een principieel onderscheid maakten tussen de uitvoering van een pensioenreglement door een pensioenfonds enerzijds en de uitvoering van een verzekeringsovereenkomst door een verzekeraar anderzijds.
E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 384 en p. 393. P.J.M. van Wersch, ‘Gepensioneerden in besturen pensioenfondsen?’, TPV januari 1988, p. 14, onderschreef de redenering van de SER, maar pleitte voor een adviserend orgaan per onderneming.
A.J. Molendijk, ‘De positie van de werknemer op pensioengebied’, in: E.P. de Jong en B. Wessels, Pensioen is pensioen, opstellen aangeboden aan mr. J.W. Janssen, Alphen aan den Rijn: Samson Uitgeverij 1987, p. 70.
Convenant overeengekomen tussen de Stichting van de Arbeid en het CSO over verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen, juni 1998, publicatienr. 2/98.
Regioplan Onderzoek Advies en Informatie, Evaluatie medezeggenschap gepensioneerden (eindrapport), juli 2001, p. 39.
Vernieuwd convenant tussen de Stichting van de Arbeid en het CSO, gericht op een kwalitatieve verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen, februari 2003, publicatienr. 2/03.
Kamerstukken II 2003/04, 28294, nr. 7. Eerder hield de staatssecretaris zich bij Kamervragen nog op de vlakte: Handelingen II 2002/03, aanhangsel, p. 1943.
Kamerstukken II 2001/02, 28354, nr. 2 en nr. 4.
F.H.W. Brouwer, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen en -regelingen’, TPV juni 2001/3, p. 68.
Kamerstukken II 2002/03, 28354, A, p. 12-13 en Kamerstukken II 2003/04, 28354, nr. 8, p. 33-34.
De gehele initiatiefwet strandde later in de Tweede Kamer: Kamerstukken II 2010/11, 28354, nr. 15.
STAR Principes voor goed pensioenfondsbestuur, december 2005, publicatienr. 10/05. Later wettelijke grondslag gegeven middels artikel 11 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, Stb. 2006, 709.
M. Heemskerk, Ondernemingsraad en pensioen, Amsterdam: VU Expertisecentrum Pensioenrecht 2010, p. 16; S.W.A.M. Visée, ‘In slakkengang naar een beter bestuur bij pensioenfondsen’, TPV 2011/26; S.W.A.M. Visée, ‘Het bestuurs- en toezichtsmodel van pensioenfondsen’, in: A.F. Verdam (red.), Ontwikkelingen rond pensioenen en pension fund governance, Deventer: Kluwer 2012, p. 67; R.H. Maatman, ‘Pension Fund Governance 2007’, Ondernemingsrecht 2007/130; L.H. Blom, ‘Evaluatie PFG en medezeggenschap van start’, P&P 2008/10; L.H. Blom, ‘Van evaluatie PFG en medezeggenschap naar modernisering governance pensioenfondsen’, P&P 2011/1/2; L.H. Blom, ‘Bestuur, medezeggenschap, verantwoording en intern toezicht’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 782. Anders: A.F. Verdam, ‘Toezicht en verantwoording binnen het pensioenfonds’, WPNR 2011/6871; A.F. Verdam, ‘De Wet versterking bestuur pensioenfondsen’, WPNR 2013/6997; B.C.G. Jennen en H.J.Th. Biemond, ‘Pensioenfondsen, integriteit en toezicht: het juridische kader’, TPV 2011/3; R. ten Wolde, ‘De Principes: nieuwe organen, tegen oude aangeplakt!’, TPV 2006/1.
De wetgever lijkt dit zich niet gerealiseerd te hebben aangezien in 2008 nog werd overwogen dat de principes dienden te worden nagekomen: Kamerstukken II 2008/09, 31811, nr. 7, p. 12. Ook de SER meende dat nakoming verplicht was gesteld door de wetgever: Pensioencommissie SER, Inventarisatie Principes voor goed pensioenfondsbestuur, 19 maart 2009, p. 9.
Een van de argumenten die de staatssecretaris in 1987 aanvoerde tegen het initiatiefwetsvoorstel tot vertegenwoordiging van gepensioneerden in pensioenfondsbesturen, was dat het een eenzijdig instrument was en dat het daarom meer voor de hand lag om een algemene regeling in te voeren die ook zou zien op verzekerde pensioenregelingen.1 Een logisch argument, maar waarvan het nooit is gekomen. De SER zag als grote complicatie voor een medezeggenschapsorgaan bij verzekerde pensioenregelingen het ontbreken van een afzonderlijke bestuursstructuur, waardoor het beleid ofwel werd bepaald door werkgever en OR, ofwel door werkgever en werknemersverenigingen.2 Ook in de literatuur zagen sommige auteurs door het ontbreken van een afzonderlijke bestuursstructuur praktische bezwaren tegen een medezeggenschapsorgaan, en vreesden dat het geven van een vertegenwoordigingsrecht aan gepensioneerden in pensioenfondsen het risico met zich bracht dat zij ook vertegenwoordiging zouden eisen in het (hoofd)bestuur van de verzekeraars.3 Als meer historische verklaring voor het verschil in (mede)zeggenschap tussen pensioenfondsen en verzekerde pensioenregelingen, is door de regering overigens ook wel gewezen op het verschillende karakter van het pensioenfonds, namelijk het zijn van een sociale instelling.4
In de literatuur werd om deze redenen gezegd dat inspraak van ex-werknemers bij verzekerde pensioenregelingen toch vooral een eigen verantwoordelijkheid was van de sociale partners, die in het arbeidsvoorwaardenoverleg aan de orde diende te komen en waarover overleg tussen werkgever en verzekeraar diende plaats te vinden.5 Zelfregulering door die sociale partners volgde uiteindelijk met het convenant voor de verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden uit juni 1998 van de STAR en ouderenkoepelorganisatie CSO.6 Dit convenant benadrukte het belang om bij de medezeggenschap voor pensioen een juiste balans de vinden tussen de actieve en gewezen deelnemers. Voor verzekerde pensioenregelingen, waar de medezeggenschap alleen rust bij de OR, werd aan werkgevers, vakbonden en OR’en nadrukkelijk in overweging gegeven een zogeheten ‘deelnemersvergadering’ in te stellen bij een relatief aantal van ten minste 10% gepensioneerden ten opzichte van het totale aantal actieve en gepensioneerde deelnemers, met een minimum van 25 gepensioneerden, dan wel 1000 of meer gepensioneerden. Het convenant haakte met deze criteria aan bij de instellingscriteria voor de deelnemersraad bij het ondernemingspensioenfonds. Kwesties als bevoegdheden en samenstelling van deze deelnemersraad liet het convenant in het midden, waardoor het werkgevers vrij weinig houvast gaf.
Uit de evaluatie door de SER in 2001 bleek dan ook dat de deelnemersvergadering bij de verzekerde pensioenregeling niet van de grond kwam.7 Dit was reden voor de STAR en CSO bij het vernieuwde medezeggenschapsconvenant in 2003 te pleiten voor wetgeving om de betrokken werkgevers te verplichten tot het instellen van een deelnemersvergadering.8 De regering constateerde vervolgens in reactie hierop dat ex-werknemers geen mogelijkheden tot medezeggenschap hadden bij verzekerde pensioenregelingen, in tegenstelling tot pensioenregelingen ondergebracht bij pensioenfondsen.9 ‘Omdat over de pensioentoezegging in het kader van het arbeidsvoorwaardenoverleg afspraken worden gemaakt kan een niet meer in het arbeidsproces actieve ex-werknemer alleen via de vakbonden invloed uitoefenen’, aldus de staatssecretaris ten aanzien van verzekerde pensioenregelingen. Vanuit het besef dat ook daar de belangen van werknemers en ex-werknemers van elkaar kunnen verschillen, vond de staatssecretaris het redelijk de niet in de OR vertegenwoordigde ex-werknemers in de gelegenheid te stellen invloed uit te kunnen oefenen op het overleg tussen werkgever en OR. Hij stelde voor daarbij als medium de vereniging van gepensioneerden te gebruiken, welke vereniging in het hernieuwde convenant uit 2003 al nadrukkelijk naar voren was geschoven voor de medezeggenschap bij pensioenfondsen. Uit het oogpunt van beperking van de ‘administratieve lasten’ zou dit medezeggenschapsrecht beperkt moeten worden tot verzekerde pensioenregelingen waarbij 250 of meer deelnemers betrokken waren.
In de tussentijd, in 2002, dienden Tweede Kamerleden Giskes en Van Geen een initiatiefwet in welke hoofdzakelijk zag op de bestuursstructuur van pensioenfondsen, maar waarvan ook de medezeggenschap bij verzekerde pensioenregelingen onderdeel uitmaakte.10 Het voorstel voorzag in een verplichting voor werkgevers tot het instellen van een deelnemersraad bij een verzekerde pensioenregeling, zoals in de literatuur was bepleit.11 De initiatiefnemers gaven aan dat zij hadden gespeeld met de alternatieve gedachte een verplichting in de WOR op te nemen dat de OR bij pensioenkwesties ook de belangen van gepensioneerden en slapers expliciet mede in de besluitvorming zou moeten betrekken, bijvoorbeeld door inschakeling van een vertegenwoordiging van gepensioneerden en eventueel ook slapers. Desondanks kozen zij voor de constructie van een deelnemersraad, hoewel zij direct aangaven dat een nadere studie naar de juridische vormgeving op zijn plaats was.12 De Raad van State was uitermate kritisch ten aanzien van het voorstel; niet duidelijk was hoe deze deelnemersraad zou moeten functioneren en een heldere visie ontbrak.13 De initiatiefnemers reageerden daarop met de stelling dat hun intentie was deze deelnemersraad een soortgelijke status te geven als de OR, maar dan specifiek voor medezeggenschap ten aanzien van de pensioenregeling. Desondanks erkenden zij de noodzaak tot nader onderzoek en gingen over tot intrekking van dit onderdeel van de initiatiefwet, met een beroep op de wetgever dit dan maar te regelen in de nieuwe Pw.14
In 2005 volgden de principes voor goed pensioenfondsbestuur van de STAR, met daarin een aantal principes ten aanzien van verzekerde pensioenregelingen die door werkgevers en verzekeraars zouden moeten worden toegepast.15 Deze principes bevatten wel duidelijke medezeggenschapsrechten voor ex-werknemers. Vertegenwoordigers van gepensioneerden dienden voortaan naast de OR door de (ex-)werkgever op de hoogte te worden gesteld ten aanzien van de hoogte van de door de verzekeraar behaalde resultaten (principe D.3), of aan de voorwaarden voor voorwaardelijke indexering was voldaan (principe D.4) en zij dienden te worden geïnformeerd over relevante veranderingen in wet- en regelgeving (principe D.7). Daarnaast diende de werkgever de OR (in aanvulling op artikel 27 WOR) en de vertegenwoordigers van gepensioneerden in staat te stellen te adviseren over de (verlenging van de) uitvoeringsovereenkomst (principe D.9) en over het niveau van serviceverlening (principe D.10). In geval van een toeslagregeling die losstond van de verzekerde pensioenregeling, diende daarnaast de werkgever verantwoording over zijn handelen af te leggen aan de OR en vertegenwoordigers van gepensioneerden (principe D.11). Wat moest worden verstaan onder de ‘vertegenwoordigers van gepensioneerden’ lieten de principes in het midden, wat opnieuw weinig houvast gaf aan werkgevers.
Nakoming van de principes was niet verplicht, hoewel daarover wel enige verwarring bestond, veroorzaakt door onvolkomen wetgeving.16 De wetgever schaarde zich namelijk aanvankelijk achter het uitgangspunt dat nakoming verplicht diende te zijn.17 De principes kregen vervolgens een wettelijke grondslag via artikel 11 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, dat de principes aanwees als principes voor goed pensioenfondsbestuur in de zin van artikel 33 lid 2 Pw. Er is echter, zonder verdere motivering, nooit iets geregeld ten aanzien van een verplichting tot nakoming daarvan.18