Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.3.1
7.3.1 De populariteit van de metafoor
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406897:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
“[T]he classic “piercing” doctrines may be precisely stated, but they are fact-specific and very difficult to apply. Further, their application has all too often been shrouded in metaphor.” (Blumberg 2010 p. 10-6). “There is no precise formula for when a court should pierce the corporate veil.” (Fletcher 41.30).
Blumberg p. 10-7.
Zaist v. Olson, 227 A.2d 552 (Conn. 1967), p. 573.
“Many courts cite a variation of a test developed by Frederick Powell in a 1931 treatise focusing on: (1) complete control and domination by the shareholder and (2) conduct that was unjust fraudulent or wrongful.” (O’Neal & Thompson 2010, § 8.18).
De onvoorspelbaarheid van het doorbraak-leerstuk vloeit onder meer voort uit het feit dat de Amerikaanse rechters zich nogal eens plegen te bedienen van een grote hoeveelheid metaforen.1 Dit biedt weinig zicht op de werkelijke afwegingen en beginselen die aan de uitspraken ten grondslag liggen.
Blumberg merkt hierover op: “[T]he rules developed by the courts have confused rather than clarified the problem. They represent no more than a blurred response to the underlying fact pattern of cases. Instead of developing a more precise and helpful system of analysis, […] the courts frequently seize on some familiar judicial rhetorical peroration in prominent “classic piercing” litigation in the jurisdiction to provide the rationale for their decisions.”2
In de doorbraak-rechtspraak wordt de vennootschap niet zelden aangemerkt als een ‘agent’, ‘shell’, ‘instrumentality’, ‘alter ego’ of ‘dummy’. Deze metaforen zien allemaal op de verhouding tussen de aandeelhouder en de vennootschap. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de vennootschap niet als zelfstandige (van de aandeelhouder losstaande) entiteit kan worden aangemerkt, omdat de aandeelhouder daarover een bijzonder hoge mate van controle heeft uitgeoefend. In de woorden van het Supreme Court of Connecticut heeft de vennootschap in een dergelijk geval “no separate mind, will or existence of its own and is but a business conduit for its principal”.3 Uit de rechtspraak blijkt dat een aandeelhouder doorgaans in een hoge mate controle over de vennootschap moet hebben uitgeoefend voordat de rechter bereid is tot doorbraak over te gaan. Indien een aandeelhouder op basis van het door hem gehouden kapitaal een meerderheidspositie heeft, is nog niet automatisch sprake van de vereiste mate van controle. De aandeelhouder moet de vennootschap volledig domineren. Indien de aandeelhouder tevens bestuurder van de vennootschap is, zal hier eerder sprake van zijn.
Zodra vaststaat dat een aandeelhouder de vennootschap domineert, is aan het eerste vereiste van de tweeledige doorbaak-test voldaan. De vervolgvraag is dan of het gedrag van de aandeelhouder kwalificeert als unjust, fraudulent of wrongful.4 Met name dit tweede deel van de doorbraak-test leidt tot veel onduidelijkheid. In de rechtspraak bestaat geen consensus over de mate waarin een aandeelhouder zich ‘onredelijk’ dient te gedragen, alvorens veil piercing gerechtvaardigd is.