Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/7.3
7.3 De oproeping van getuigen en deskundigen ter zitting: het verdedigings en noodzakelijkheidscriterium
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Of zaken zich lenen voor voeging of splitsing als bedoeld in art. 285 Sv is een vraag die is voorbehouden aan de feitenrechter, aldus HR 20 april 2004, NJ 2005/241.
Het enkele feit dat de getuige zich in het buitenland bevindt of eerder heeft geweigerd ter terechtzitting te verschijnen maakt niet reeds onaannemelijk dat de getuige of de deskundige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Zie HR 25 januari 2005, LJN AR7190 en 28 september 2004, NJ2004/629. Volgens Verloop kan deze weigeringsgrond wel worden ingeroepen indien de getuige geen bekende woon- of verblijfplaats heeft. Een oproeping zal hem dan immers niet bereiken. Zie Verloop, 'Getuigen' in: Jurisprudentie Strafrecht Select (2006), p. 89-90.
Deze belangenafweging is in overeenstemming met EHRM 26 maart 1996, NJ1996/741. Het oordeel dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht behoeft niet te rusten op een verklaring van een deskundige, aldus HR 27 mei 2003, NJ 2003/511. In HR 6 juli 2010, NJB 2010/1553 oordeelde de Hoge Raad dat het gerechtshof gelet op art. 6 EVRM te snel had aangenomen dat de gezondheid of welzijn van de getuige, het minderjarige slachtoffer van een zedendelict, maakte dat er van afgezien diende te worden haar op te roepen. De algemene notie dat herhaalde ondervraging voor minderjarige slachtoffer (opnieuw) een traumatische ervaring zou kunnen opleveren was in dit verband onvoldoende. Zie ter zake van de belangenafweging voorts de conclusie van A-G Knigge bij HR 25 maart 2008, LJN BC4205.
Vergelijk met de situatie dat er geen belang bestaat bij een cassatiemiddel in HR 14 september 2004, IJN AP 4177 , par. 3.8: 'De middelen komen op tegen oordelen van het Hof omtrent getuigen, met het doen horen van wie de verdediging niet anders kan hebben beoogd dan aannemelijk te maken hetgeen volgens hem in eerste aanleg feitelijk is voorgevallen. Nu uit het hiervoor overwogene volgt dat het Hof bij zijn eindbeslissing is uitgegaan van de juistheid van hetgeen volgens de verdachte door hem is gezegd op de vraag van de Politierechter of hij afstand deed van hoger beroep, missen de middelen belang en kunnen zij niet tot cassatie leiden.'
Ingevolge art. 287 lid 3 Sv kan de rechtbank ook de medebrenging gelasten van een getuige die eerder geen gevolg gaf aan een oproeping.
In par. 16 van zijn conclusie bij HR 25 januari 2005, LJN AR7190 schrijft A-G Jiirg: 'Ter zijde wil ik hier opmerken dat het mij vaker opvalt dat de feitenrechter een nodeloos riskante inhoud aan zijn uitspraak geeft. Zou het voor het beeld omtrent verzoeker en zijn optreden enig verschil uitmaken of [slachtoffer 1] nu wel of niet als slachtoffer in de bewezenverklaring voorkomt? Of het om acht dan wel negen tot prostitutie gebrachte vrouwen gaat maakt toch — ook voor de strafmaat — niet wezenlijk uit? Nu ik dit neerschrijf moet ik denken aan een eerdere rechterlijke exercitie om van de in eerste aanleg bewezenverklaarde doodslag moord te kunnen maken en de straf van zes tot zeven (!) jaar te kunnen verhogen. Daarvoor moest de veiligheid van de anonieme getuige op het spel gezet worden, en toen de rechter-commissaris dit weigerde, doorbrak het hof de wettelijke regeling (HR 20 april 1999, NJ 1999, 677, m.nt. 1H).' Verder wijs ik hier op HR 2 februari 2010, IJN BJ8641, waaruit volgt dat de feitenrechter de vrijheid heeft het OM — in analogie met art. 349 lid 3 Sv — niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging indien het weigert een CIE-informant op te roepen die mogelijk een voor de verdachte ontlastende verklaring kan afleggen, terwijl het OM er voorts van heeft afgezien de regeling van art. 264 lid 2 Sv toe te passen.
HR 4 maart 2008, LJN BC3678.
Zie HR 22 april 2008, NJ 2008/313 waarin de Hoge Raad aan de hand van de wetsgeschiedenis aanleiding ziet om voor de toepassing van art. 418 lid 2 Sv niet te eisen dat het verhoor van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden vóór de eerste terechtzitting in eerste aanleg.
Zie ter zake van art. 288 lid 1, onderdeel c, Sv HR 31 januari 2006, LJN AU6762, waarin werd overwogen dat het gerechtshof heeft kunnen oordelen dat het zich op grond van de stukken in voldoende mate een oordeel heeft kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van de desbetreffende getuigen en dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in de verdediging wordt geschaad. De Hoge Raad nam daarbij in aanmerking dat de betreffende getuigen in eerste aanleg ter zitting in het bijzijn van de raadsman van de verdachte zijn gehoord en dat niettegenstaande de reeds eerder aan de verdediging geboden en benutte gelegenheid om de betrouwbaarheid van de getuigen te (doen) onderzoeken, het in het middel bedoelde verzoek niet inhoudt in welk opzicht de verdediging die getuigen nog nader zou willen bevragen.
Zie daarover HR 25 maart 2008, LJN BC6007, waarin werd overwogen dat het gerechtshof heeft kunnen oordelen dat de noodzaak tot het horen van de getuige niet (meer) was gebleken. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat de raadsman van de verdachte, die na de terugwijzing op de terechtzitting in de gelegenheid is geweest bij de rechter-commissaris een groot aantal getuigen te ondervragen, zich ook nadien ten aanzien van de getuige telkens slechts bij het verzoek van de verdediging van een medeverdachte heeft aangesloten, zonder daarbij aan te geven dat en waarom het van belang is dat deze getuige in de zaak van de verdachte gehoord zou moeten worden.
HR 4 maart 2008, LJN BC3678.
Een aardig voorbeeld vormt HR 15 december 2009, LJN BJ9783 waarin de Hoge Raad aan de had van het noodzakelijkheidscriterium concludeert dat het gerechtshof niet het verzoek om een getuige te horen aan de hand van dit criterium kon verwerpen op de motivering dat verdachte, die werd verdacht aan het leiding geven aan opzettelijk onjuiste belastingaangifte, klaarblijkelijk ten tijde van de gedraging nog als directeur stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat niet aannemelijk was dat die inschrijving onjuist was. De stelling van verdachte was namelijk dat hij enkel geldschieter was geweest en de feitelijke leiding van het bedrijf had overgedragen en dat de getuige daarover (mede) kon verklaren.
In HR 29 juni 2007, LJN AZ1702 werd overwogen dat naar de bewoordingen van die maatstaven en volgens de invulling die daaraan in de jurisprudentie is gegeven, het noodzakelijkheidscriterium de rechter, in ieder geval in abstracte, een ruimere marge biedt om een desbetreffend verzoek niet te honoreren dan het criterium van het verdedigingsbelang.
Zie ook Verloop, 'Getuigen' in: Jurisprudentie Strafrecht Select (2006), p. 94.
HR 3 april 2007, LJN AZ8395.
Kamerstukken II 2003/04, 29 254, nr. 8, p. 6.
1112 19 juni 2007, NJ 2007/626.
Zie HR 13 maart 2009, BNB 2010/4 en CBb 27 oktober 2009, AB 2009/394.
Zie ABRvS 19 juli 2004, JB 2004/401; 2 februari 2005, JB 2005/95; 27 juli 2005, JB 20005/277; 5 oktober 2005, AB 2006/49 en CRvB 12 oktober 2004, AB 2004/401.
HR 3 mei 2002, JB 2002/141; 24 juni 2005, BNB 2005/308 en 9 mei 2008, JB 2008/137.
Zoals hiervoor bleek wordt de terechtzitting aanhangig gemaakt door een dagvaarding (art. 258 lid 1 Sv) of — ingeval van verzet tegen een strafbeschikking — een oproeping (art. 257f lid 1 Sv).1 Zaken waartussen verband bestaat of die door dezelfde persoon zijn begaan kunnen gevoegd worden behandeld (art. 259 en 285 Sv).2Ik zal hieronder eerst de oproeping van getuigen en deskundigen bespreken. In de volgende paragraaf komt de openbaarheid van de terechtzitting en de verdere gang van zaken tijdens de terechtzitting aan bod.
De officier van justitie kan getuigen, slachtoffers of hun nabestaanden, deskundigen en tolken schriftelijk laten oproepen voor de terechtzitting (art. 260 Sv). Ingevolge art. 263 Sv is ook de verdachte bevoegd getuigen en deskundigen ter terechtzitting te doen oproepen. De verdachte die de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, kan de officier van justitie verzoeken om bijstand van een tolk op de terechtzitting (lid 1). De verdachte moet deze getuigen en deskundigen tijdig opgeven. Indien hij ten minste veertien dagen tevoren is gedagvaard, moet hij ten minste tien dagen voor de terechtzitting aan de officier van justitie opgave doen. Indien de dagvaarding later wordt betekend heeft hij nadien nog vier dagen, met dien verstande dat hij uiterlijk de derde dag voor de terechtzitting opgave moet doen (lid 2). De verdachte zal de namen, het beroep en de woon- of verblijfplaats moeten vermelden, of, bij onbekendheid van een of ander, zal hij hen zo nauwkeurig mogelijk aan moeten duiden. Bij schriftelijke opgave geldt de dag van ontvangst van de brief, welke onverwijld daarop wordt aangetekend, als dag van opgave (lid 3). De voorzitter van de rechtbank kan de officier van justitie bevelen getuigen en deskundigen ter terechtzitting te doen oproepen (lid 4). De officier van justitie doet de getuigen of deskundigen, opgegeven met inachtneming van de voorgaande leden, onverwijld oproepen (lid 5). Art. 264 lid 1 Sv biedt de officier de mogelijkheid om gemotiveerd een door de verdachte of de voorzitter van de rechtbank opgegeven getuige of deskundige te weigeren op te roepen, indien hij: (a) het onaannemelijk acht dat de getuige of de deskundige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen;3 (b) van oordeel is dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige of deskundige ter terechtzitting te kunnen ondervragen;4 of (c) van oordeel is dat daardoor redelijkerwijs de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.5 Deze drie weigeringsgronden zijn — iets afwijkend geformuleerd — ook van toepassing op de vraag of de rechtbank niet verschenen getuigen alsnog dient op te roepen, met dien verstande dat daarbij onder (c) naast het verdedigingsbelang ook het vervolgingsbelang van het OM een rol speelt (art. 288 Sv).6Art. 264 lid 2 Sv geeft de officier van justitie nog een vierde weigeringsgrond. De officier kan namelijk bij een met redenen omklede beslissing een door de verdachte of de voorzitter van de rechtbank opgegeven getuige of deskundige weigeren te doen oproepen of weigeren een door de rechtbank gegeven bevel tot oproeping van de getuige ten uitvoer te leggen: (a) indien de getuige een bedreigde getuige is of een afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen is gehouden, dan wel (b) indien de officier van justitie de getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze zal worden gehoord dan als bedreigde getuige of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden.7 Een verzoek om getuigen op te roepen kan in voorwaardelijke vorm worden gedaan, bijvoorbeeld dat wordt verzocht getuigen te horen indien de rechter niet aanstonds tot een vrijspraak komt. Indien de voorwaarde wordt vervuld — in het voorbeeld is dat het uitblijven van vrijspraak zal de rechter op het verzoek moeten beslissen op straffe van nietigheid (art. 330 Sv).8
Het derde lid van art. 410 Sv ziet op het horen van getuigen in hoger beroep. De verdachte kan, onverminderd art. 414 Sv, in de schriftuur opgeven welke getuigen en deskundigen hij ter terechtzitting wil doen oproepen. Deze opgave wordt als een opgave in de zin van art. 263 lid 2 Sv aangemerkt. Art. 264 Sv is van overeenkomstige toepassing. De advocaat-generaal kan, in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, oproeping voorts weigeren indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord en horen ter terechtzitting redelijkerwijs niet noodzakelijk is te achten.9 Ingevolge art. 414 lid 1 Sv kunnen de advocaat-generaal en de verdachte zowel ter terechtzitting in eerste aanleg gehoorde als nieuwe getuigen en deskundigen doen dagvaarden of schriftelijk doen oproepen. Zij kunnen op grond van die bepaling ook nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging overleggen. Ingevolge het tweede lid zijn de art. 263, tweede tot en met vijfde lid, en 264 Sv van overeenkomstige toepassing. Indien de verdachte hoger beroep heeft ingesteld kan de advocaat-generaal bij een met redenen omklede beslissing een niet bij schriftuur door de verdachte opgegeven getuige of deskundige weigeren te doen oproepen, indien horen ter terechtzitting redelijkerwijs niet noodzakelijk is te achten. Gelet op art. 418 lid 1 Sv geldt in hoger beroep evenzeer dat de oproeping van niet verschenen getuigen kan worden geweigerd in de gevallen, genoemd in art. 288 Sv.10 In het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, kan oproeping ook worden geweigerd indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel, daaraan voorafgaand, door de rechter-commissaris is gehoord en het gerechtshof horen ter terechtzitting niet noodzakelijk oordeelt (lid 2). Indien de verdachte hoger beroep heeft ingesteld kan oproeping van een niet bij schriftuur door de verdachte opgegeven getuige of deskundige worden geweigerd indien horen ter terechtzitting redelijkerwijs niet noodzakelijk is te achten (lid 3).11 Ook in appel geldt de verplichting uitdrukkelijk te beslissen op verzoeken getuigen te horen (art. 415 en 330 Sv).12
Het ging hierboven steeds om het aanbrengen van getuigen door partijen. De rechtbank kan zelf ook getuigen aanbrengen indien zij dit noodzakelijk acht (art. 315 lid 1 Sv). Voorts kan de zitting worden geschorst indien nader onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt (art. 316 lid 1 Sv). In het geval het onderzoek uitsluitend zal bestaan in het horen van getuigen of deskundigen kan de rechtbank, indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen, de voorzitter of één van de rechters die over de zaak oordelen als rechter-commissaris aanwijzen (lid 2). Deze bepalingen zijn ook van toepassing op het hoger beroep (zie art. 415 en 420 Sv).13 Criterium bij het ambtshalve oproepen van getuigen is steeds de noodzakelijkheid en dus niet het — in beginsel ruimere — verdedigingsbelang.14 Dit is niet zo vreemd. Voor zover de rechtbank ambtshalve meent dat een getuige moet worden gehoord zal dit immers vooral zijn met het oog op waarheidsvinding. Overigens kunnen partijen de rechter natuurlijk wel verzoeken gebruik te maken van deze ambtshalve bevoegdheid.15 Voor zover niet een verzoek van de verdediging, maar van het OM voorligt om de getuige alsnog te horen, kan het noodzakelijkheidscriterium juist in strijd zijn met het verdedigingsbelang.16 In hoger beroep kleurt het verdedigingsbelang soms het noodzakelijkheidscriterium in, in die zin dat de advocaat-generaal en het gerechtshof vanwege het verdedigingsbelang moeten uitgaan van noodzakelijkheid. Met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de wet tot Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen17 overwoog de Hoge Raad:
`Hoewel de wetgever dus uiteindelijk heeft gemeend dat met toepassing van art. 414, tweede lid, en art. 418, derde lid, Sv in het algemeen aan het verdedigingsbelang niet tekort wordt gedaan, zal niettemin onder omstandigheden van de verdachte bezwaarlijk kunnen worden gevergd dat hij een of meer getuigen of deskundigen reeds bij de appelschriftuur opgeeft. Daarvan zal in de regel sprake zijn indien bij de uitspraak in eerste aanleg is volstaan met een verkort vonnis en de aanvulling niet tijdig binnen de voor het indienen van de appelschriftuur gestelde termijn voor de verdachte beschikbaar is. Ook kunnen zich gevallen voordoen waarin de — voorafgaand aan de uiterste datum voor de indiening van de appelschriftuur — (nog) niet van rechtsbijstand voorziene verdachte er redelijkerwijs geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij niet op de hoogte was van de aan het niet opgeven van getuigen en deskundigen bij appelschriftuur verbonden consequenties. In dat verband komt betekenis toe aan de wijze waarop de verdachte door de justitiële autoriteiten is gewezen op zijn bevoegdheid tot indiening van de appelschriftuur en op de betekenis daarvan voor de beoordeling van de desbetreffende verzoeken. Voorts kunnen zich gevallen voordoen waarin het belang bij het horen van getuigen en of deskundigen is opgekomen door onvoorziene ontwikkelingen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een appelschriftuur (in welke gevallen ten aanzien van niet verschenen getuigen en/of deskundigen van het openbaar ministerie zonder meer het criterium geldt van art. 288, eerste lid onder c, Sv). In dergelijke gevallen brengt - tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist - de eis van een eerlijke procesvoering mee dat de advocaat-generaal onderscheidenlijk het gerechtshof bij gebruikmaking van de in vorengenoemde bepalingen voorgeschreven toepassing van het "noodzakelijkheidscriterium" de desbetreffende omstandigheden in hun afweging betrekken. Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het "verdedigingsbelang" zou worden bereikt.'18
Tot slot maak ik hier een vergelijking met het bestuursrecht. In het hoofdstuk 5 zagen we dat de bestuursrechter eigenlijk nimmer gebruikt maakt van zijn bevoegdheid een getuige op te roepen (art. 8:33, 8:60 en 8:63 lid 3 Awb).19 Ook worden meegebrachte getuigen zeker niet altijd gehoord door de bestuursrechter (art. 8:63 lid 2 Awb).20 Hij lijkt aldus het noodzakelijkheidscriterium toe te passen. Uitzondering vormt de belastingsrechtspraak, waarin het verdedigingsbelang veeleer lijkt te prevaleren, nu de Hoge Raad meent dat een (eerst ter zitting gedaan) bewijsaanbod door getuigenverhoor in beginsel moet worden gehonoreerd.21