De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.2.3:5.2.3 Informatie en overleg
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.2.3
5.2.3 Informatie en overleg
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS388514:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kabinetsstandpunt medezeggenschap 2009, p. 11. Dit is ook voorgesteld door de werkgroep medezeggenschap van de Vereniging voor arbeidsrecht. Zie: M.A. de Blécourt, J.J.M. Lamers e.a., ‘Is medezeggenschap bestand tegen internationale aansturing?’ in: L.C.J. Sprengers, G.W. van der Voet (red), De toekomst van medezeggenschap. Aanbevelingen aan de wetgever. Deventer: Kluwer 2009, p. 50.
Kamerstukken II, 2010-2011, 29544, nr. 264.
Kamerstukken II, 1978-1979, 13954, nr. 8d, p. 14.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 31 lid 2 WOR verplicht deondernemer informatie te verstrekken over de zeggenschapverhoudingen binnen de organisatie, maar strekt zich niet uit over het buitenlandse gedeelte van het concern. In het kabinetsstandpunt medezeggenschap 2009 stelt het kabinet zich op het standpunt dat dit artikel moet worden uitgebreid met de zeggenschapsverhoudingen in het buitenlandse gedeelte van de organisatie.1 In 2011 schreef de minister in een Kamerbrief dat de informatieverplichting van art. 31 lid 2 WOR zal worden uitgebreid ten aanzien van internationale concerns. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie Hamer2 (zie hierover meer in paragraaf 5.6).
In hoofdstuk 4 beschreef ik de verschijningsplicht van concernbestuurders in de overlegvergadering ex art. 24 WOR. Bij de invoering van deze verplichting, stelde de minister zich op het standpunt dat een dergelijke verschijning niet verwacht mag worden van bestuurders van een buitenlandse moedervennootschap. Deze bestuurders kunnen zich laten vertegenwoordigen door Nederlandse functionarissen.3