Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.4
3.4 De bestaanseis van artikel 4:56 lid 1 BW als het probleem bij de conversielast
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232318:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor de duidelijkheid: een lastbevoordeelde behoeft niet te voldoen aan de bestaanseis voor makingen, Asser/Perrick 4 2017/17; Handboek Erfrecht, F.W.J.M. Schols 2015/VIII.5.2. Hetzelfde geldt voor een executeur of een bewindvoerder. Uiteraard moet een executeur of bewindvoerder wel bestaan ten tijde van het aanvaarden van de benoeming, maar nergens wordt geëist dat deze eerder dan dat tijdstip dient te bestaan. Het systeem van de wet eist dat ook niet. De executeur is een vervangbare persoon die niet onder alle omstandigheden door de executeur zelf moet worden aangewezen. Artikel 4:142 BW maakt het zelfs mogelijk dat de erflater bepaalt, dat wanneer een benoemde executeur komt te ontbreken, de kantonrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een vervanger te benoemen. Voor de bewindvoerder geldt de vervangbaarheid in nog sterkere mate. De bewindvoerder behoeft helemaal niet door erflater te worden aangewezen. Het bewind bestaat ook zonder bewindvoerder. Een en ander volgt uit artikel 4:157 BW.
Als een stichting bij uiterste wilsbeschikking wordt opgericht, bestaat deze stichting vanaf het tijdstip van overlijden van de erflater/oprichter en voldoet daardoor aan de bestaanseis, zo bleek in 2.2.2.3. Hoe is dat bij de krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting? Vanaf welk ogenblik bestaat deze stichting? Omdat de krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting het resultaat is van de nakoming van een last tot oprichting, is het oprichtingsmoment altijd gelegen ná het overlijden van de erflater. Dit geldt zowel bij een directe last op grond van artikel 4:130 BW als bij een conversielast uit artikel 4:135 lid 2 BW, zo bleek in 1.1.1.2.1.
Het is goed denkbaar dat in de uiterste wil waaruit de conversielast voortvloeit makingen voor deze stichting zijn opgenomen. Deze makingen zijn echter nietig omdat de krachtens de conversielast opgerichte stichting bij overlijden van de erflater nog niet bestaat en dus niet voldoet aan de bestaanseis uit artikel 4:56 BW.1
Als de makingen nietig zijn, maar de stichting als gevolg van de conversielast toch wordt opgericht, hoe verkrijgt de stichting dan het voor haar bedoelde uit de nalatenschap? Dit is de vraag die het niet-voldoen aan de bestaanseis met zich brengt.
3.4.1 Hoe verkrijgt de krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting het aan haar vermaakte?3.4.2 De Duitse en Belgische oplossing voor de bestaanseis voor de stichting