Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/6.3.1
6.3.1 Inleiding
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972045:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in het kader van contractuele verplichtingen uit aandeelhoudersovereenkomsten Van Olffen 2019, p. 428; en in het kader van wettelijke verplichtingen Garcia Nelen (diss.) 2020, p. 290; en Breukink (diss.) 2022, p. 385.
Vgl. Rb. ’s-Gravenhage 1 augustus 2012, JOR 2012/286 m.nt. J.M. Blanco Fernández (Vanka-Kawat), r.o. 4.18: “Onder dergelijke omstandigheden mocht van X verlangd worden dat hij zich ook in zijn rol als commissaris in overeenstemming met de aandeelhoudersovereenkomst zou gedragen, zolang niet evident sprake zou zijn van strijd met het vennootschappelijk belang.”
Zie par. 6.2.3 hiervoor.
Contractuele informatierechten dienen veelal als aanvulling op de wettelijke informatierechten. Dergelijke aanvullende informatierechten zijn grofweg in te delen in drie categorieën: informatierechten en transparantieverplichtingen, visitatie- en inspectierechten en het recht op deelname aan vergaderingen van de vennootschapsleiding door een waarnemer (board observer).
Aanvullende contractuele informatierechten zijn aantrekkelijk voor aandeelhouders omdat deze rechten kunnen bijdragen aan zowel de omvang als de voorspelbaarheid van hun toegang tot informatie van de vennootschap. Ook kunnen dergelijke rechten veelal eenvoudig worden gehandhaafd in rechte, bijvoorbeeld door middel van een nakomingsvordering van de aandeelhouder jegens de vennootschap of door middel van een inzagevordering.
Tegelijkertijd moet de vennootschapsleiding bedacht zijn op het risico op misbruik van aanvullende informatierechten. Een grijs gebied kan ontstaan in die gevallen waarin aanvullende contractuele informatierechten, en dan met name de breed geformuleerde visitatie- en inspectierechten, door aandeelhouders worden aangewend om toegang te krijgen tot informatie die de vennootschap kan schaden. Met name in geschilsituaties kunnen aandeelhouders dergelijke rechten inzetten als strijdmiddel, bijvoorbeeld door strategische informatieverzoeken te richten aan de vennootschapsleiding. Hoewel de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid de vennootschap in voorkomende gevallen kan beschermen, is het raadzaam om aanvullende informatierechten duidelijk te clausuleren.
Wanneer een contractuele weigeringsgrond echter ontbreekt, kan in voorkomende gevallen de vraag opkomen of de vennootschap gehouden is die schadelijke informatie te verstrekken, al dan niet onder verwijzing naar een zwaarwichtig belang dat zich tegen die verstrekking verzet. In de praktijk zal de soep niet zo heet worden gegeten. De verplichting tot informatieverstrekking rust wellicht de jure op de vennootschap, het is de facto het bestuur dat de informatie zal verstrekken. Het bestuur kan zich in voorkomende gevallen geconfronteerd zien met de keuze om te handelen in strijd met ofwel (a) het belang van de vennootschap ofwel (b) de contractuele verplichting tot informatieverstrekking. Verschillende auteurs hebben betoogd dat in dergelijke conflicterende verplichtingen steeds zal moeten worden gekeken of het contractuele recht in een concreet geval kan worden afgedwongen, gegeven alle daarbij betrokken belangen.1
De beperkte beschikbare rechtspraak lijkt die benadering te ondersteunen.2 Het vennootschappelijk belang kan dan dus een uitweg bieden voor het bestuur, althans zal de niet-nakoming van de contractuele plicht in dergelijke gevallen zonder sanctie blijven voor het bestuur. Onder omstandigheden is denkbaar dat met succes een beroep zou kunnen worden gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid; dit zou een vorm zijn van verbintenisrechtelijke doorwerking van het vennootschapsrecht.3