Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.5.a
5.5.a Zonder enig of volledig (zittings)onderzoek
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608333:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Mevis & Reijntjes 2013, p. 301; in die zin ook Mevis in zijn noten onder HR 14 juni 2011, NJ 2013/533 en HR 20 mei 2014, NJ 2014/330; de memorie van toelichting heeft het op één plaats terecht over “verder onderzoek”, zie Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 51.
HR 15 september 2009, NJ 2009/446, met verwijzing naar HR 17 oktober 1950, NJ 1951/ 259; zie ook HR 23 november 1976, NJ 1977/535; HR 19 mei 1998, NJ 1998/663.
Zie een voorbeeld daarvan in HR 6 mei 1980, NJ 1980/506.
Zie bijv. HR 15 december 2015, NJ 2016/142, m.nt. Schalken, waarin de vraag centraal stond of een postbode als getuige had moeten worden opgeroepen ter verkrijging van informatie relevant voor de ontvankelijkheid van het beroep.
HR 8 april 2008, NJ 2008/232; HR 12 december 1989, NJ 1990/453; HR 24 april 1985, NJ 1985/137; HR 13 juli 2010, NJ 2010/461; HR 20 januari 2009, NJ 2009/321, m.nt. Borgers onder NJ 2009/323.
HR 28 juni 2011, NJ 2013/531, m.nt. Mevis; zie eerder HR 2 februari 2010, NJ 2010/88 en HR 28 september 2011, NJ 2010/536. Strikt genomen betroffen deze zaken artikel 416 lid 2 en 3 Sv, maar de gedachte lijkt mij op alle toegangsvragen van toepassing; vgl. Wiewel 2007, p. 117.
Op andere plaatsen in het Wetboek van Strafvordering komt deze zinsnede niet voor.
HR 26 februari 1985, NJ 1985/550.
Zo ook Takens & Van Nielen 2009, aant. 9.1 bij art. 283 Sv; Krabbe 1983, p. 137-138.
Misschien heeft de regel zelfs tot verwarring geleid wat betreft zogeheten regiezittingen. Indien voordracht van de zaak door het OM op dergelijke zittingen achterwege blijft, mag in elk geval niet tot niet-ontvankelijkverklaring wegens grievenverzuim worden besloten, zie HR 17 april 2012, NJ 2014/326, m.nt. Cleiren en HR 25 juni 2013, ECLI:9; zie ook HR 25 mei 2010, NJ 2011/80, m.nt. Cleiren; vgl. HR 5 april 2011, ECLI: BP4588.
In elk geval kan de zinsnede ‘zonder onderzoek van de zaak zelf’ uit artikel 416 Sv niet betekenen dat de appelrechter geen enkel onderzoek hoeft te verrichten, omdat voor de vaststelling dat niet (tijdig) grieven zijn ingediend zonder meer énig onderzoek naar bepaalde stukken nodig is.1 Om dat vast te stellen moet immers worden onderzocht of grieven (geldig) zijn ingediend en eventueel ook wanneer het bestreden vonnis is gewezen.
Nog evidenter is dat de zinsnede, uitgelegd als ‘geen enkel onderzoek’, zeker niet mag worden veralgemeniseerd. Ten aanzien van diverse toegangsvoorwaarden heeft de Hoge Raad namelijk bijzondere onderzoeksplichten voor de appelrechter geformuleerd. Een voorbeeld betreft de situatie waarin twijfel bestaat over de rechtsgeldigheid van een door de verdachte ter terechtzitting gedane afstand van een rechtsmiddel. In 2009 besliste de Hoge Raad: “Indien het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg […] vermeldt dat de verdachte afstand doet van het recht om hoger beroep in te stellen, heeft die vermelding bewijskracht ten aanzien van dat feit. In het geval de verdachte in hoger beroep de juistheid van die vermelding betwist, dient het Gerechtshof met inachtneming van het voorgaande onderzoek in te stellen naar de juistheid van dat standpunt.”2 Dit onderzoek kan bijvoorbeeld het horen van de verdachte, de griffier of andere getuigen behelzen.3 Hiernaast kan nog worden gedacht aan het onderzoek naar verschoonbaar termijnverzuim,4 en aan de onderzoeksplicht van de appelrechter indien een gemachtigde in de zin van artikel 450 lid 1 onder b Sv namens de verdachte beroep aanwendt zonder dat hij/zij over een bijzondere of schriftelijke machtiging beschikt.5
De mogelijkheid het beroep op grond van artikel 416 Sv zonder onderzoek van de zaak niet-ontvankelijk te verklaren, mag dus niet letterlijk en zeker niet algemeen worden opgevat. Niet alleen in het kader van het grievenvereiste maar ook ten aanzien van andere toegangsvoorwaarden is (zittings-) onderzoek nuttig en soms noodzakelijk. Het is gelet daarop gelukkig dat de Hoge Raad oordeelde dat de appelrechter niet uitsluitend zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep in verband met artikel 416 Sv kan uitspreken, maar dat een dergelijke toegangsbeslissing ook na afloop van het onderzoek ter terechtzitting alsnog mag worden gegeven.6
Iets anders opgevat kunnen de woorden ‘zonder onderzoek van de zaak zelf’ uit artikel 416 Sv ook worden begrepen als een verwijzing naar artikel 283 lid 1 Sv. Die bepaling geeft de verdediging de mogelijkheid een preliminair verweer te voeren indien de nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie “zonder onderzoek van de zaak zelf” kan blijken.7 Evenals in eerste aanleg is ook in appel niemand erbij gebaat dat de strafzaak volledig op een openbare zitting wordt behandeld indien daarna geen inhoudelijke beslissing wordt genomen.8 Zonder onderzoek van de zaak zelf, betekent in deze lezing ‘zonder volledig zittingsonderzoek naar alle aspecten van de strafzaak’.
Aldus uitgelegd, rijst echter de vraag of artikel 416 tweede en derde lid Sv wel nodig is om de behandeling ter zitting tot onderzoek naar de toegangsvoorwaarden te beperken. In 1985 overwoog de Hoge Raad namelijk dat het strookt “met de eisen van een doelmatige rechtspleging, dat de rechter in hoger beroep, na de geldigheid der appeldagvaarding te hebben onderzocht, eerst onderzoekt en beslist of het ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Art. [283] Sv, in hoger beroep toepasselijk krachtens art. 415 Sv, is als een uitvloeisel van diezelfde eisen te beschouwen en verzet zich daartegen niet.”9 Ook de A-G meende dat de mogelijkheid om preliminaire verweren te voeren in hoger beroep tevens de beroepsspecifieke voorvragen in hoger beroep omvat.10 De aangehaalde tekst uit artikel 416 Sv kan gelet hierop worden bezien als bevestiging voor hoger beroep van de algemene regel dat niet het gehele onderzoek ter terechtzitting afgerond hoeft te worden voordat op de toegangsvragen wordt beslist. Aan die regel voegt artikel 416 Sv echter niets toe.11