Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/5.4.3
5.4.3 Unieburgerschapsrechten in de LGO: het kiesrecht voor het Europees Parlement
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181103:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 12 september 2006, zaak C-300/04 (Eman en Sevinger), Jur. I- 8060, r.o. 29.
Vanuit het perspectief van de uitspraak inzake Spanje v. Verenigd Koninkrijk (12 september 2006, zaak C-145/04 (Koninkrijk Spanje v Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland), Jur. I-7961) kan worden gesteld dat het kiesrecht een recht is dat niet gekoppeld is aan de status van de persoon, noch het territorium waar de persoon zich bevindt. Zo was in de genoemde zaak een niet-Unieburger uit Gibraltar bevoegd om deel te nemen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement. Over het kiesrecht voor het Europees Parlement, zie meer in deze paragraaf.
Uiteraard dient het verzoekschrift, teneinde ontvankelijk te worden verklaard, betrekking te hebben op een onderwerp dat behoort tot het werkterrein van de Unie en dient de verzoeker rechtstreeks te worden geraakt. Zie ook HvJ EU 12 september 2006, zaak C-145/04 (Koninkrijk Spanje v Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland), Jur. I-7961, r.o. 73: “Artikel 17, lid 2, EG [thans art. 20 VwEU, GK] bepaalt immers weliswaar dat de burgers van de Unie de rechten genieten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld, doch vastgesteld moet worden dat dit Verdrag rechten toekent die geen verband houden met de hoedanigheid van burger van de Unie en zelfs niet met die van onderdaan van een lidstaat. Zo bepalen bijvoorbeeld de artikelen 194 EG en 195 EG [thans art. 20 lid 2 onder d VwEU] dat het recht om een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten of het recht om bij de ombudsman een klacht in te dienen, niet is voorbehouden aan de burgers van de Unie maar kan worden uitgeoefend door ‘iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfsplaats of statutaire zetel in een lidstaat.’”
Zie hierover uitgebreid Karapetian 2016, p. 107-108.
Voor de rechten van familieleden van Unieburgers die zelf niet het Unieburgerschap bezitten zie Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden, PbEU L229/35.
D. Kochenov, ‘The Impact of European Citizenship on the Association of the Overseas Countries and Territories with the European Community, 36 Legal Issues of Economic Integration 3, 2009; D. Kochenov, EU Citizenship in the Overseas’, in: D. Kochenov (red.), EU Law of the Overseas, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International.
Een interessant vraagstuk doet zich voor wanneer een LGO-Unieburger wil verhuizen naar het grondgebied van het moederland waar het Unierecht onverkort geldt: een Arubaan naar het Europese deel van Nederland, een Franse burger uit Saint-Barthélemy naar de Franse metropool. Kwestieus is of in een dergelijk geval dan valt onder een zogenoemd zuiver intern geval of dat een beroep kan worden gedaan op het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht indien nationale belemmeringen zich voordoen. Voor een analyse daarvan, zie Karapetian 2016; P. van Elsuwege, S. Adam, ‘Situations purement internes, discriminations à rebours et collectivités autonomes après l’arrêt sur l’Assurance soins flamande’, Cahiers de droit européen 655, 2008. Zie ook: HvJ EU 19 februari 1998, zaak C-212/96 (Chevassus-Marche), Jur. I-766; HvJ EU 12 september 2006, zaak C-300/04 (Eman en Sevinger), Jur. I-8060; HvJ EU 2 maart 2010, zaak C-135/08 (Rottmann), Jur. I-1467.
HvJ EU 12 september 2006, zaak C-145/04 (Koninkrijk Spanje v Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland), Jur. I-7961, r.o. 70; HvJ EU 12 september 2006, zaak C-300/04 (Eman en Sevinger), Jur. I-8060, r.o. 40, 52. Het Hof van Justitie vervolgt in Eman en Sevinger, r.o. 41: “Artikel 190, lid 4, EG heeft betrekking op de procedure voor deze verkiezingen. Volgens dit voorschrift worden de verkiezingen van de leden van het Europees Parlement gehouden middels rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle staten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben.”
PbEG L 278 van 8.10.1976.
HvJ EU 12 september 2006, zaak C-145/04 (Koninkrijk Spanje v Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland), Jur. I-7961, r.o. 72, 74.
Idem, r.o. 78.
EHRM 19 oktober 2004 (Melnychenko v. Oekraïne), Application no. 17707/02, r.o. 56; HvJ EU 12 september 2006, zaak C-300/04 (Eman en Sevinger), Jur. I-8060, r.o. 54.
HvJ EU 12 september 2006, zaak C-300/04 (Eman en Sevinger), Jur. I- 8060, r.o. 47-48. Het Hof van Justitie vervolgt in r.o. 48 door te stellen dat het Europees Parlement niet kan worden aangemerkt als ‘wetgevende macht’ voor de LGO in de zin van art. 3 Eerste Protocol bij het EVRM. “De bevolking van de LGO kan daarentegen haar mening uiten binnen de organen die in het kader van de associatie tussen de Gemeenschap en de LGO zijn gecreëerd, middels de autoriteiten die deze bevolking vertegenwoordigen”, aldus het Hof van Justitie. Het is nog maar de vraag in hoeverre naar de huidige stand van het recht deze constatering doordacht is. Uit Hoofdstuk IV blijkt immers dat in de rechtspraak van het Hof van Justitie en in de LGO-besluiten van de Raad steeds meer wordt toegewerkt naar een wederkerige rechtsverhouding tussen de LGO en de Unie. De LGO kunnen thans slecht worden gekarakteriseerd als ‘geassocieerde landen en gebieden’ waar louter Deel IV VwEU van toepassing is. Aangezien steeds meer Unierecht van toepassing is op de LGO, zoals uiteengezet in Hoofdstuk IV, is het Europees Parlement dan ook vaker dan voorheen in staat bindende regelgeving uit te vaardigen voor de LGO.
HvJ EU 6 oktober 2015, zaak C-650/13 (Delvigne), ECLI:EU:C:2015:648, r.o. 44.
Van Eijken, Van Rossem 2016, p. 114-132. Auteurs stellen terecht op p. 130: “[…] yet at the same time the constitution of the EU is enriched: voting in elections to the European parliament is now a subjective fundamental right for all Union citizens”.
Over het kiesrecht en art. 39 EU-Handvest, zie: L. Khadar en J. Shaw, ‘Article 39 – Right to Vote and to Stand as a Candidate at Elections to the European Parliament’, in: S. Peers e.a. (red.), The EU Charter of Fundamental Rights: A Commentary, Hart Publishing 2014, p. 1040-1046.
HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-617/10, (Åkerberg Fransson), EU: C:2013:105; A. Rosas, ‘When is the EU Charter of Fundamental Rights Applicable at National Level?’, Jurisprudencija/Jurisprudence, 19(4), 2012; T. van Danwitz, K. Paraschas, ‘A Fresh Start for the Charter Fundametal Questions on the Application of the European Charter of Fundamental Rights’, Fordham International Law Journal, Vol. 35, Issue 5, 2017; H. Kaila, ‘The Scope of Application of the Charter of Fundamental Rights of the European Union in the Member States’, in: P. Cardonnel, A. Rosas, N. Wahl (red.), Constitutionalising the EU Judicial System: Essays in Honour of Pernilla Lindh, Oxford: Hart Publishing 2012.
HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-617/10 (Åkerberg Fransson), EU: C:2013:105, r.o. 19.
Ibid, r.o. 21.
Zie voor een uitgebreide behandeling van de rechtspraak Karapetian 2016, p. 108 e.v.
Voor het laatste LGO-besluit, zie Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, onder (4): “De LGO zijn geen derde landen, maar maken ook geen deel uit van de eengemaakte markt […].”
HvJ EU 12 december 1990, gevoegde zaken C-100 & 101/89 (Kaefer en Procacci), Jur. I-4667.
HvJ EU 5 mei 2011, zaak C-384/09 (Prunus en Polonium), Jur. I-3319. In de zaak TBG Limited, over de rechtsbetrekking tussen het land Nederland en de toenmalige Nederlandse Antillen, is het Hof van Justitie zeer terughoudend met het beantwoorden van de vraag of de eigen LGO moeten worden beschouwd als derde land bij de toepassing van het Unierecht, in casu art. 63 VwEU. HvJ EU 5 juni 2014, gevoegde zaken C-24/12 en C-27/12, ECLI:EU:C:2014:1385 (X BV/TBG Limited vs. Staatssecretaris van Financiën).
A-G Tizzano 6 april 2006, zaken C-145/04 en C-300/04, I-7920, punt 69.
H.J. Blanke, S. Mangiameli (red.), The Treaty on European Union. A Commentary, Heidelberg, New York, Dordrecht, London: Springer 2013, p. 418; A. von Bogdandy, ‘A disputed idea becomes law: Remarks on European democracy as a legal principle’, in: B. Kohler-Koch, B. Rittberger (red.), Debating the democratic legitimacy of the European Union, Lahman: Rowman & Littlefield 2007, p. 33; V.C. Lopez, ‘The Lisbon Treaty’s Provisions on Democratic Principles: A Legal Framework for Participatory Democracy’, European Public Law 16, no 1, 2010.
Zoals blijkt uit Hoofdstuk 2.5.1 (‘De verzoening van soevereiniteit en burgerschap’) is de Engelsman Locke degene die het burgerschapsbegrip uniformeert met het soevereiniteitsbegrip. Locke stelt dat burgers vrij zijn omdat zij gehoorzaam dienen te zijn aan het recht (en niet aan andere medeburgers bijvoorbeeld) én omdat zij degenen zijn die het recht goedkeuren waaraan zij zich moeten houden. Ten aanzien van het soevereiniteitsbegrip in de context van de EU zie J.W. van Rossem, Soevereiniteit en pluralisme. Een conceptuele zoektocht naar de constitutionele grondslagen van de Europese rechtsorde, Deventer: Kluwer 2014.
J. Gerards e.d. (red.), Grondrechten. De nationale, Europese en internationale dimensie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2013, p. 26.
EHRM 2 maart 1987 (Mathieu-Mohin en Clerfayt/België), Application no. 9267/81, r.o. 53; EHRM 18 februari 1999 (Matthews v. The United Kingdom), Application no. 24833/94, r.o. 40.
Gerards 2013, p. 27.
Gerards 2013, p. 27 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
LGO-besluit 2013, punt 35; Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PbEU L 210 van 31.7.2006, p. 19).
Dit heeft denkelijk (ook) te maken met de omstandigheid dat het Europees Parlement door de jaren heen op veel meer beleidsterreinen dan voorheen wordt gezien als medewetgever. D. Judge, D. Earnshaw, The European Parliament, New York, Palgrave, 2003; R. Corbett, F. Jacobs, M. Shackleton, The European Parliament, London: John Harper Publishing 2011.
HvJ EU 12 september 2006, zaak C-300/04 (Eman en Sevinger), Jur. I- 8060, r.o. 48.
Idem, r.o. 49. Voor wat betreft de Unierechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op de LGO, maar die niet voortvloeien uit de associatieregeling met de LGO, stelt het Hof van Justitie dat het niet volstaat ‘dat een regeling indirecte gevolgen heeft, om ervan uit te gaan dat deze regeling de bevolking op dezelfde wijze raakt als de door een plaatselijke wetgevende vergadering vastgestelde regeling’.
Idem, r.o. 48.
L. Besselink, ‘Annotation of Case C-145/04 Spain v. UK, Case C-300/04 Eman and Sevinger, and Sevinger and Eman, Appps. Nos. 17173/07 and 17180/ 07’, Common Market Law Review 45, 2008, p. 787-813; D. Kochenov, ‘The Puzzle of Citizenship and Territory in the EU: On European Rights Overseas’, 17 Maastricht J. Eur. & Comp. L. 230, 2010, p. 248; J. Shaw, ‘The Political Representation of Europe’s Citizens: Developments. Court of Justice of the European Communities Decisions of 12 September 2006, Case C-145/ 04, Spain v. United Kingdom, and Case C-300/04, Eman and Sevinger v.College van Burgemeester en Wethouders van Den Haag’, European Constitutional Law Review 4, 2008, p. 162-186.
De omstandigheid dat het Unieburgerschap los staat van residentie1 creëert een uniek krachtenveld op de LGO. Op deze overzeese gebieden bestaat immers een permanente spanning tussen de territoriale en personele werkingssfeer van het Unierecht. Enerzijds vallen de LGO, hoewel steeds meer Unierecht van toepassing is aldaar, buiten de territoriale werkingssfeer van het Unierecht, en anderzijds zijn door middel van de personele werkingssfeer van het Unierecht de LGO-ingezetenen vrijwel altijd Unieburgers. Het voorgaande zorgt voor een enigszins atypische werking van de rechten die gekoppeld zijn aan het Unieburgerschap in de LGO. Waar hiervoor is geconstateerd dat het Unieburgerschap niet zozeer uitgaat van een wederkerige rechtsverhouding tussen de Unieburger en de Unie, maar veeleer een eenzijdige rechtsverhouding schept, geldt voor de rechtsverhouding tussen de LGO-Unieburger en de Unie dat deze verhouding uitzonderlijk wordt ingekleurd. Dit komt doordat er Unieburgerschapsrechten zijn die in het geheel niet gekoppeld zijn aan de status van de persoon als Unieburger, zoals het recht om verzoekschriften te richten tot het Europees Parlement en het recht om zich te wenden tot de Europese Ombudsman.2 Een Chinese staatsburger kan een verzoekschrift indienen bij het Europees Parlement indien de desbetreffende persoon een inwoner is van een van de lidstaten van de Unie.3 Daarnaast zijn er rechten die niet afhankelijk zijn van het territorium waar de Unieburger zich bevindt, zoals het recht op bescherming van diplomatieke en consulaire instanties van ieder andere lidstaat op het grondgebied van derde landen. Zo kan een Duitse staatsburger rekenen op Nederlandse diplomatieke en consulaire bescherming onder dezelfde voorwaarden als Nederlanders in een derde land waar Duitsland niet vertegenwoordigd is. Rechten die daarentegen wel afhankelijk zijn van zowel de personele als de territoriale werkingssfeer, zoals het vrije reis- en vestigingsrecht, zijn op een uitzonderlijke wijze van toepassing op LGO-Unieburgers. Deze wijze van werking heeft te maken met de omstandigheid dat de werking van het Unierecht op de LGO is beperkt door de LGO-regeling van Deel IV VwEU. Om deze reden kunnen LGO-Unieburgers niet altijd op gelijke voet met Unieburgers aanspraak maken op bepaalde Unieburgerschapsrechten. Een korte blik op de werking van het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht voor de LGO-Unieburger verduidelijk het voorgaande.
De grondslag van het reis- en vestigingsrecht voor Unieburgers is te vinden in art. 20 lid 2 onder a VwEU.4 Op grond van deze bepaling genieten Unieburgers het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven. Deze zinsnede uit art. 20 VwEU laat zien dat het reis- en vestigingsrecht zowel een territoriaal als een personeel aspect in zich bergt. Enkel op het grondgebied van de lidstaten waar het Unierecht onverkort geldt (territoriaal aspect) hebben Unieburgers (personeel aspect) de vrijheid om te reizen en zich aldaar te vestigen.5 Zo kan een derdelandburger niet op gelijke voet met een Unieburger reizen vanuit het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden naar Duitsland, omdat hij niet valt onder het personele toepassingsbereik van het Unierecht. Andersom evenzo. Een Duitser kan, als hij zich wil vestigen op een territorium dat buiten de territoriale werkingssfeer van het Unierecht valt, zoals Australië of een LGO, geen aanspraak maken op het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht. Overeenkomstig deze redenering kan een LGO-Unieburger (die onder de personele werkingssfeer van het Unierecht valt) naar een Unielidstaat verhuizen om zich aldaar te vestigen. Hij is immers Unieburger en bevindt zich op een territorium waar het Unierecht onverkort geldt.6 Andersom kan echter niet. Een Unieburger kan niet gebruikmaken van het Unieburgerschap om naar een LGO te verhuizen en zich aldaar vestigen, omdat de LGO buiten de territoriale werkingssfeer van het Unierecht valt. Het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht kent derhalve voor de LGO het karakter van eenrichtingsverkeer. De LGO- Unieburger kan gebruik maken van dit Unieburgerschapsrecht indien hij zich wil vestigen op het grondgebied van een lidstaat waar het Unieburgerschap onverkort geldt, terwijl een Unieburger niet naar een LGO kan verhuizen met gebruikmaking van het Unieburgerschap.7
Anders dan bij het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht, is het kiesrecht voor de leden van het Europees Parlement niet gekoppeld aan het territoriale noch het personele aspect. Om met dit laatste, het personele aspect, te beginnen: uit het arrest Spanje v. Verenigd Koninkrijk kan worden opgemaakt dat ook niet-Unieburgers het kiesrecht kunnen bezitten voor het Europees Parlement. Het Verdrag kent immers, zoals hiervoor uiteengezet, geen regels die uitdrukkelijk en nauwkeurig beschrijven wie het actief dan wel passief kiesrecht toekomt bij de verkiezingen van het Europees Parlement.8 De hiervoor besproken Akte van 19769 verduidelijkt dit evenmin. De Akte brengt in art. 1 naar voren dat de leden van het Europees Parlement worden gekozen volgens een stelsel van evenredige vertegenwoordiging en door middel van rechtstreekse, algemene, vrije en geheime verkiezingen. Volgens het Hof van Justitie kan uit de bepalingen inzake het Unieburgerschap ook geen beginsel worden afgeleid waaruit volgt dat ‘alle andere verdragsbepalingen alleen voor de burgers van de Unie gelden, hetgeen zou betekenen dat de artikelen 189 EG en 190 EG [thans in gewijzigde vorm art. 14 VEU] enkel op deze burgers van toepassing zouden zijn’.10 Dit brengt het Hof van Justitie tot het oordeel dat de vaststelling van wie het actief en passief kiesrecht heeft voor de verkiezingen van het Europees Parlement behoort tot de bevoegdheid van de lidstaten, uiteraard onder eerbiediging van het Unierecht. Het Unierecht verzet zich er niet tegen dat lidstaten dit recht toekennen aan personen die nauwe banden onderhouden met de desbetreffende lidstaat, doch niet zijn te beschouwen als onderdanen dan wel op het grondgebied van de lidstaat verblijvende Unieburgers.11 Vervolgens volgt het territoriale aspect ten aanzien van de LGO. Om te beginnen zij opgemerkt dat het EHRM in het arrest Melnychenko v. Oekraïne heeft geoordeeld dat het niet onredelijk of willekeurig is om een woonplaatscriterium te hanteren bij het toekennen van het actief en passief kiesrecht.12 Ten aanzien van de gelding van het Unierecht, in het bijzonder de bepalingen 189 EG en 190 EG [thans in gewijzigde vorm art. 14 VEU] op de LGO heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat deze bepalingen niet van toepassing zijn in de LGO, met als gevolg dat de lidstaten niet verplicht zijn om verkiezingen voor het Europees Parlement te organiseren aldaar.13 Het is het beginsel van gelijke behandeling dat ervoor zorgt dat de situatie in het Koninkrijk der Nederlanden, waarbij LGO-Unieburgers niet maar Nederlandse Unieburgers in derde landen wel het kiesrecht hadden voor het Europees Parlement, is bestempeld als in strijd met het Unierecht. Kwestieus is of deze argumentatielijn opgaat na het in oktober 2015 gewezen arrest inzake Delvigne. Is het namelijk volstrekt aan de lidstaten om te bepalen of zij de eigen LGO-Unieburgers het kiesrecht toekennen voor de leden van het Europees Parlement? In deze relevante zaak uit 2015 stelt het Hof van Justitie immers, zoals hierboven is uiteengezet, dat art. 39 lid 2 EU-Handvest van de Grondrechten de uitdrukking is van het kiesrecht van de burgers van de Unie bij de verkiezingen voor het Europees Parlement.14 Bijzonder aan deze uitspraak is dat het Hof van Justitie met gebruikmaking van het VwEU, het EU-Handvest en de Akte van 1976 tot het oordeel komt dat Unieburgers het kiesrecht hebben voor het Europees Parlement. Een nieuwe bindende rechtsbron in deze zaak betreft het EU-Handvest, dat ten tijde van Spanje v. Verenigd Koninkrijk en Eman en Sevinger niet bindend was. Een lezing van art. 39 lid 2 EU-Handvest in combinatie met art. 14 lid 3 en art. 1 Akte uit 1976 brengt het Hof tot het oordeel dat Unieburgers q.q. het kiesrecht hebben voor het Europees Parlement.15
Ten aanzien van de LGO is in dit kader een terechte vraag of art. 39 lid 2 EU-Handvest extraterritoriale werking heeft, namelijk op de LGO.16 Deze vraag is lastig te beantwoorden, vanwege de contradictoire rechtspraak van het Hof van Justitie ten aanzien van de kwalificatie van de rechtsbetrekking tussen een LGO en het moederland. Voor de toepassing van het EU-Handvest moet te rade worden gegaan bij art. 51 EU-Handvest. Op grond van art. 5 lid 1 EU- Handvest zijn de bepalingen van dit Handvest van toepassing op de lidstaten indien zij ‘het recht van de Unie ten uitvoer brengen’. Deze passage in het EU- Handvest, die veel pennen in beweging heeft gebracht, heeft het Hof van Justitie enigszins getracht te verduidelijken in de uitspraak Åkerberg Fransson.17 Hierin stelt het Hof van Justitie dat ‘in wezen […] de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst maar niet daarbuiten’.18 Het Hof van Justitie vervolgt dat de ‘door het Handvest gewaarborgde grondrechten [...] moeten worden geëerbiedigd wanneer een nationale regeling binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, zodat er geen gevallen kunnen zijn waarin het Unierecht geldt zonder dat die grondrechten toepassing vinden. Wanneer het Unierecht toepasselijk is, impliceert dit dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten toepassing vinden’.19 Welnu, ten aanzien van de LGO zal gelden dat, indien een geval tussen een LGO en het moederland of een andere lidstaat betrekking heeft op een situatie die door het Unierecht wordt beheerst, dit geval tevens conform het EU-Handvest dient te zijn. Vanwege de aard van de LGO, is echter niet gemakkelijk vast te stellen of een geval dat een LGO en het moederland betreft, betrekking heeft op een situatie die door het Unierecht wordt beheerst. De rechtspraak van het Hof van Justitie ten aanzien van de LGO bevestigt dit: in enkele gevallen worden de LGO gekwalificeerd als onderdeel van de lidstaat, met als gevolg dat de situatie niet wordt beheerst door het Unierecht, in andere gevallen worden de LGO beschouwd als derde landen.20 ’s Hofs kwalificatie van de LGO als derde landen is eigenaardig, vanwege de omstandigheid dat de considerans van de LGO-besluiten expliciteert dat de LGO geen derde landen zijn.21 Dit weerhoudt het Hof van Justitie er echter niet van om enerzijds te oordelen in Kaefer en Procacci dat de LGO- rechters worden gezien als rechterlijke instanties van de lidstaten in de zin van het toenmalige art. 177 EEG-Verdrag [thans art. 267 VwEU], hetgeen een indicatie is dat de LGO worden gezien als onderdeel van de volkenrechtelijke entiteit die lid is van de EU, terwijl anderzijds het Hof van Justitie in hetzelfde arrest oordeelt dat rechtstreekse werking van sommige gemeenschapsbepalingen mogelijk is tussen de Gemeenschap en derde landen, waarbij de LGO worden gekwalificeerd als derde landen.22 Ook indien een geval betrekking heeft op een lidstaat en een LGO van een andere lidstaat, zoals in Prunus en Polonium, is het Hof van Justitie van oordeel dat de LGO derde landen zijn en niet onderdeel van de moederlidstaat.23
Een derde optie bij de vraag hoe de LGO worden gekwalificeerd, als onderdeel van de lidstaat of als derde landen, biedt het arrest Eman en Sevinger. Hier lijkt het Hof van Justitie de situatie de facto te beschouwen als een interne situatie, maar verbindt daar desalniettemin niet het gebruikelijke gevolg aan dat het Unierecht buiten het bereik blijft van het desbetreffende geval. Het Koninkrijk der Nederlanden schond in deze zaak immers het beginsel van gelijke behandeling. Over de daadwerkelijke toepassing van dit beginsel van gelijke behandeling in de verhouding tussen de LGO en het moederland zwijgt het Hof van Justitie.
Het standpunt dat het Hof van Justitie in Delvigne inneemt neigt in de richting van het standpunt waarop A-G Tizzano zich in 2006 stelde in zijn conclusies bij de uitspraken Spanje v. Verenigd Koninkrijk en Eman en Sevinger. Hierin stelt de A-G dat het kiesrecht voor het Europees Parlement voor Unieburgers voortvloeit uit de ‘beginselen van de democratie, waarop de Unie is gegrondvest’.24 Indien het kiesrecht voor het Europees Parlement voortvloeit uit een van de beginselen waarop de Unie is gebaseerd, dan is met de in Hoofdstuk IV behandelde uitspraak inzake Antillean Rice Mills te concluderen dat dit recht ook van toepassing is op de LGO. In Antillean Rice Mills kwam het Gerecht immers tot het oordeel dat alle beginselen waar de Unie op is gebaseerd en die met name zijn verankerd in Deel I VwEU, van toepassing zijn op de LGO. Het argument dat art. 189 EG en 190 EG [thans in gewijzigde vorm art. 14 VEU] geen gelding hebben op de LGO lijkt derhalve niet op te gaan indien men deze redeneerlijn volgt. In dit kader verwijst A-G Tizzano naar art. 6 lid 1 VEU, dat bepaalde dat ‘de Unie is gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben’. Thans zou een relevante bepaling in dit kader art. 10 VEU zijn. Op grond van lid 1 van deze bepaling is de werking van de Unie gegrond op de representatieve democratie. Op grond van lid 2 worden de burgers op het niveau van de Unie rechtstreeks vertegenwoordigd in het Europees Parlement. De centrale gedachte hierachter is Unieburgers de eigen representanten te laten kiezen.25 Het is dan ook verklaarbaar dat in art. 9 VEU, wordt gerept over het Unieburgerschap. Zoals blijkt uit Hoofdstuk II van dit proefschrift zijn de noties burgerschap en representatie mede naar aanleiding van het Franse revolutionair denken nauw verbonden met elkaar. Het instituut in de Unie waar de wil van de burgers kenbaar moet worden gemaakt, is het Europees Parlement. Dit Europees Parlement wordt, zoals blijkt uit het voorgaande, sinds 1979 rechtstreeks gekozen.26 De toevoeging van politieke representatie aan het burgerschapsbegrip omvat een wezenlijke breuk met het begrip in zijn oorspronkelijke vorm, aangezien fundamenteel aan het burgerschapsbegrip voor deze toevoeging was dat de burger direct, dus in persoon, zijn stem uitbracht. Deze wezenlijke verandering in het burgerschapsbegrip in de klassieke oudheid en de invulling van het begrip na de Franse Revolutie blijkt treffend uit Constants verhandeling getiteld De la liberté des Anciens comparée à celle des modernes. De Condorcet voegt hieraan toe dat burgers gelijk kiesrecht dienen te hebben, wat inhoudt dat de invloed in het bestuur van het kiesrecht van alle burgers gelijk dient te zijn. Hoewel art. 10 VEU niet afdoet aan eventuele beperkingen die gewoonlijk en rechtmatig kunnen worden gesteld door lidstaten, zoals verblijfplaats, lijkt het Hof van Justitie in Delvigne daarvan af te wijken door te overwegen dat art. 39 EU-Handvest (door middel van de personele werkingssfeer van het Unierecht) het subjectieve recht omvat van alle Unieburgers om de eigen politieke representanten te kiezen. De gedachte om periodiek de eigen representant te kiezen heeft uitdrukking gekregen in art. 3 Eerste Protocol bij het EVRM.
Een relevant vraagpunt in dit kader is dan ook of het Europees Parlement kan worden beschouwd als een ‘wetgever’ voor de LGO in de zin van art. 3 Eerste Protocol bij het EVRM. Op grond van deze bepaling hebben de verdragsluitende partijen zich verbonden om ‘met redelijke tussenpozen vrije, geheime verkiezingen te houden onder voorwaarden die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen’. De reikwijdte van deze bepaling is dan ook beperkt tot de verkiezingen van de ‘wetgevende macht’.27 Op grond van de rechtspraak van het EHRM is de stelling aannemelijk dat deze term niet louter ziet op het nationale parlement, maar moet worden geïnterpreteerd in het licht van de constitutionele traditie van de desbetreffende rechtsorde.28 Het belangrijkste criterium is dat het desbetreffende orgaan wetgevende beslissingsbevoegdheid bezit.29 Zo valt bijvoor beeld een orgaan dat slechts een adviserende taak heeft of een orgaan dat slechts voorstellen van wet kan indienen, niet onder de noemer van wetgevende macht.30 Kwestieus in deze context is of het Europees Parlement kan worden gezien als een orgaan dat wetgevende beslissingsbevoegdheid bezit in de LGO. Op grond van art. 203 VwEU worden, zo blijkt uit de Hoofdstukken III en IV, de zogenoemde LGO-besluiten vastgesteld door de Raad. De Raad stelt met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, de bepalingen van het LGO-besluit vast. Indien, zo stelt art. 203 VwEU, de bijzondere wetgevingsprocedure wordt vastgesteld, besluit de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement. Op grond van het VwEU is het Europees Parlement derhalve louter raadplegend betrokken bij het vaststellen van de bepalingen die gelden tussen de LGO en de Unie. Opvallend is echter dat, indien een blik wordt geworpen op het huidige LGO-besluit, het Europees Parlement op een (zeer) indirecte wijze wetgevende beslissingsbevoegdheid heeft ten aanzien van de LGO. Dat heeft te maken met de omstandigheid dat in het LGO-besluit meerdere malen wordt verwezen naar met name verordeningen waarbij het Europees Parlement medebeslissingsbevoegdheid heeft gehad en waarvan bepaalde delen bindend zijn voor de LGO. Zo kunnen de LGO deelnemen aan Europese groeperingen voor territoriale samenwerking, op grond van de bepalingen van Verordening nr. 1082/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad.31 Daarnaast zijn verschillende bepalingen uit verordeningen van het Europees Parlement en de Raad van toepassing op de LGO.32 Dit was anders bij de LGO-besluiten van 2001 en daarvoor. Daarvoor werd in de LGO-besluiten beduidend minder een beroep gedaan op regelgevingshandelingen waarbij het Europees Parlement een medebeslissende rol heeft gespeeld.33 Deze indirecte betrokkenheid van het Europees Parlement kan mede worden verklaard door de verandering van de rechtsbetrekking tussen de Unie en de LGO zoals beschreven in Hoofdstuk IV. Deze wordt niet zozeer beschouwd als een ontwikkelingssamenwerking tussen de Unie en de LGO, maar veeleer als een wederzijdse rechtsbetrekking. Desalniettemin oordeelt het Hof van Justitie in Eman en Sevinger, welke uitspraak is gedaan nog voor de inwerkingtreding van het huidige LGO-besluit uit 2013, dat het Europees Parlement niet kan worden aangemerkt als een wetgevende macht voor de LGO in de zin van art. 3 Eerste Protocol bij het EVRM.34 Het argument dat het huidige Unierecht invloed uitoefent op het geldende recht in de LGO, kan volgens het Hof van Justitie niet op goede gronden worden ingebracht. Deze invloed kan, aldus het Hof van Justitie, voortvloeien uit de associatieregeling die van toepassing is op de LGO.35 De bevolking van de LGO kan haar zienswijze kenbaar maken binnen de organisatie van de organen die voortvloeien uit de associatieregeling, zo oordeelt het Hof van Justitie.36 Gezien de ontwikkelingen in de LGO, de LGO-besluiten en de rechtspraak van het Hof van Justitie ten aanzien van het Unieburgerschap is kwestieus of dit standpunt van het Hof van Justitie stand houdt.37 Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie oefent het Unierecht niet alleen door middel van de associatieregeling invloed uit op het geldende recht van de LGO. De beginselen waarop de Unie is gegrondvest, in het bijzonder het beginsel van gelijke behandeling, de omstandigheid dat LGO-Unieburgers aanspraak kunnen maken op de in Deel II VwEU aan de Unieburgers toegekende rechten, het EU- Handvest voor de LGO-gevallen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, zijn relevante bronnen – naast de associatieregeling – die invloed uitoefenen op het geldende recht van de LGO. Hoewel het Hof van Justitie in Eman en Sevinger oordeelt dat het Europees Parlement niet kan worden aangemerkt als een wetgevende macht in Aruba in de zin van het EVRM, zijn door de ontwikkelingen in de LGO-besluiten en ’s Hofs rechtspraak ten aanzien van de LGO derhalve vraagtekens te plaatsen bij dit standpunt.
Op grond van het voorgaande in deze paragraaf kan het volgende worden gesteld over het Unieburgerschap in de LGO. Allereest valt op dat zowel het Unieburgerschap als het LGO-regime noties zijn in het Unierecht die door de jaren heen nader zijn ingevuld en geïnstitutionaliseerd. De institutionalisering van het Unieburgerschap heeft met name plaatsgevonden in de rechtspraak van het Hof van Justitie. De nadere invulling van de LGO-associatieregeling heeft plaatsgevonden in met name de rechtspraak van het Hof van Justitie en de LGO- besluiten van de Raad. Hoewel beide noties geleidelijk meer vlees op de botten hebben gekregen, dient te worden opgemerkt dat zij een andere, wellicht tegengestelde strekking hebben of in ieder geval hadden: het Unieburgerschap staat immers voor legitimatie en meer integratie, terwijl de LGO-regeling een uitzonderingsregeling is ten aanzien van de werking van het Unierecht. Niettemin zorgen de ontwikkeling ten aanzien van de LGO – waarbij meer Unierecht van toepassing wordt verklaard op het grondgebied van de LGO en de ingezetenen ervan vrijwel altijd Unieburgers zijn – en de wederkerigheid van de rechtsbetrekking tussen de Unie en de LGO ervoor dat de LGO meer en meer bij de rechtsorde van de Unie worden betrokken. Vanwege het derivatieve karakter van het Unieburgerschap hebben de lidstaten die LGO rijk zijn de bevoegdheid om LGO-burgers uit te zonderen van de personele werkingssfeer van het Unierecht. De lidstaten die in dit proefschrift centraal staan, de Franse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden, hebben daar niet voor gekozen. De redenen voor deze keuze zullen blijken in de volgende twee hoofdstukken. Voor wat betreft de werking van Unieburgerschapsrechten in de LGO is naar voren gekomen dat deze op een uitzonderlijke wijze doorwerken in de rechtsorde van de LGO. Zo kent het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht het karakter van eenrichtingsverkeer: de LGO-Unieburger kan aanspraak maken op het Unierechtelijke vrije reis- en vestigingsverkeer om te reizen naar grondgebieden waar het Unierecht onverkort geldt, terwijl de niet-LGO-Unieburger geen gebruik kan maken van dit Unierechtelijke recht bij de verplaatsing naar de LGO. De regeling van het kiesrecht voor de leden van het Europees Parlement voor de LGO-Unieburger is complex. Hoewel het Hof van Justitie expliciteert dat het Europees Parlement niet kan worden aangemerkt als ‘wetgevende macht’ ten aanzien van de LGO, is het de vraag of de huidige ontwikkelingen in met name de rechtspraak van het Hof van Justitie dit standpunt nog steeds rechtvaardigen. Het Hof van Justitie oordeelt immers in de Delvigne-uitspraak dat art. 39 EU-Handvest de uitdrukking vormt van het subjectieve recht van alle Unieburgers om te kiezen voor de leden van het Europees Parlement.