Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/5.3.5:5.3.5 Samenhang tussen de toetsingscriteria en het gewicht van de toetsingscriteria
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/5.3.5
5.3.5 Samenhang tussen de toetsingscriteria en het gewicht van de toetsingscriteria
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491440:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld onderdeel 10.4.5.7, onder het kopje ‘toets aan het toetsingskader en aanbevelingen’. Het gaat daar over art. 15 Fusierichtlijn. Vgl. ook onderdeel 13.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de drie toetsingscriteria hiervóór afzonderlijk zijn toegelicht, moeten zij zoveel mogelijk in onderlinge samenhang worden bezien. Als algemeen uitgangspunt geldt dat een specifiek onderdeel van splitsingsregels in de vennootschapsbelasting slechts voldoet als dat onderdeel de toets aan alle drie de toetsingscriteria kan doorstaan. Alsdan is op dat onderdeel sprake van rechtvaardige inbedding in het bestaande vennootschapsbelastingsysteem.
Het is op voorhand niet uit te sluiten dat toetsingscriteria onderling conflicteren. Aangezien de fiscaal-theoretische toets het meest rechtstreeks teruggrijpt op het in hoofdstuk 4 uitgewerkte theoretisch kader, komt aan deze toets het meeste gewicht toe. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel dat een specifiek onderdeel van de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting slechts in overeenstemming is (te brengen) met de fiscaal-theoretische toets wanneer tegelijkertijd niet (of onzeker is dat) kan worden voldaan aan de toets aan hoger recht, bijvoorbeeld het EU-recht. In zo’n geval zal ik oproepen tot aanpassing van het hoger recht.1