Vgl. HR 18 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9229, NJ 1987/62.
HR, 21-01-2025, nr. 24/00829 B
ECLI:NL:HR:2025:95
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-01-2025
- Zaaknummer
24/00829 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:95, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1215
ECLI:NL:PHR:2024:1215, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:95
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0028
Uitspraak 21‑01‑2025
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 23 shirts, vest en jas met teksten van verboden motorclub onder klager in clubhuis van motorclub t.z.v. verdenking van voortzetting van werkzaamheid van verboden organisatie, waarna OvJ hoger beroep instelt tegen beschikking Rb (enkelvoudige raadkamer) en strafrechter beslist tot verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Kan OM worden ontvangen in zijn beroep tegen beslissing beklagrechter tot gegrondverklaring van beklag, nu OvJ h.b. i.p.v. beroep in cassatie heeft ingesteld en strafrechter in strafzaak tegen klager heeft beslist tot verbeurdverklaring? In beschikking Rb is in afwachting van oordeel van strafrechter over beslag een beslissing tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen gegeven. Nu rechter in strafzaak tegen klager de inbeslaggenomen voorwerpen heeft verbeurdverklaard, kan aan die eerdere beslissing tot teruggave van diezelfde voorwerpen geen uitvoering meer worden gegeven omdat daarmee door strafrechter uitgesproken verbeurdverklaring zou worden doorkruist. Daaraan doet niet af dat beslissing in die strafzaak nog niet onherroepelijk is. Dit brengt mee dat OM geen belang heeft bij zijn beroep tegen beschikking en daarin dus n-o moet worden verklaard. OM n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00829 B
Datum 21 januari 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 9 januari 2024, nummer RK 23/024045, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsvrouw van de klager, R.S. van Es, advocaat in ’s-Hertogenbosch, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 9 januari 2024 waarbij een klaagschrift van de klager dat strekt tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen (23 shirts, een vest en een jas) gegrond is verklaard.
2.2
Bij de stukken bevindt zich een afschrift van een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:915 in de strafzaak tegen de klager. In die uitspraak zijn de inbeslaggenomen voorwerpen waarvan de klager de teruggave heeft verzocht verbeurdverklaard.
2.3
In de bestreden beschikking is in afwachting van het oordeel van de strafrechter over het beslag een beslissing tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen gegeven. Nu de rechter in de strafzaak tegen de klager de inbeslaggenomen voorwerpen heeft verbeurdverklaard, kan aan die eerdere beslissing tot teruggave van diezelfde voorwerpen geen uitvoering meer worden gegeven omdat daarmee de door de strafrechter uitgesproken verbeurdverklaring zou worden doorkruist. Daaraan doet niet af dat de beslissing in die strafzaak nog niet onherroepelijk is. Dit brengt mee dat het openbaar ministerie geen belang heeft bij zijn beroep tegen de beschikking en daarin dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.
Conclusie 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie. Beklag a.b.i. art. 552a Sv. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ in het cassatieberoep, omdat (i) gelet op de inhoud van de akte rechtsmiddel, die in dit opzicht beslissend moet worden geacht, de OvJ hoger beroep – een niet-openstaand rechtsmiddel – heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking en (ii) de strafrechter in de strafzaak tegen de klager heeft beslist over het beslag.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00829 B
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de klager
1. Het (cassatie)beroep
1.1
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 9 januari 2024 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van 23 shirts, een vest en een jas met daarop teksten van de Hells Angels, gegrond verklaard.
1.2
Op 23 januari 2024 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld. De stukken van het geding zijn gezonden aan de Hoge Raad. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland, heeft daarop één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt opgekomen tegen (de motivering van) de gegrondverklaring van het klaagschrift.
1.3
Namens de klager heeft R.S. van Es, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
1.4
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in cassatie.
2. De ontvankelijkheid van het (cassatie)beroep
2.1
Bij de stukken van het geding bevindt zich een door de officier van justitie en de griffier ondertekende akte rechtsmiddel. In de akte staat in vetgedrukte letters “Akte instellen hoger beroep”. Verder houdt de akte in dat de officier van justitie op 23 januari 2024 ter griffie van de rechtbank Midden-Nederland verklaarde “hoger beroep” in te stellen tegen de beschikking van de enkelvoudige raadkamer van deze rechtbank, locatie Utrecht, van 9 januari 2024 in de zaak tegen de klager.
2.2
In art. 445 Sv is bepaald dat hoger beroep of beroep in cassatie tegen beschikkingen alleen openstaat in de gevallen bij dat wetboek bepaald. Het Wetboek van Strafvordering voorziet bij een beschikking als bedoeld in art. 552a Sv niet in hoger beroep, maar wel in beroep in cassatie (art. 552d lid 2 Sv).
2.3
Als door of namens de verdachte een verkeerd rechtsmiddel is ingesteld tegen een voor hem belastende uitspraak, gaat de Hoge Raad er in beginsel van uit dat de verdachte het tegen die uitspraak juiste rechtsmiddel heeft willen aanwenden. Van dit uitgangspunt wordt alleen afgeweken als komt vast te staan dat de verdachte bewust het verkeerde rechtsmiddel heeft ingesteld.1.In zo’n geval wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Is het verkeerde rechtsmiddel ingesteld, dan vindt conversie plaats en wordt het dossier doorgezonden naar het bevoegde gerecht.2.Deze voor conversie vereiste welwillendheid van de Hoge Raad bij de uitleg van de akte rechtsmiddel ontbreekt als het gaat om een rechtsmiddel dat door het Openbaar Ministerie is ingesteld.3.Het door het Openbaar Ministerie instellen van een verkeerd rechtsmiddel4.of het op een verkeerde wijze instellen van het juiste rechtsmiddel5.pleegt fataal te zijn. Een foutief rechtsmiddel van het Openbaar Ministerie kan dus niet worden geconverteerd in een juist rechtsmiddel. Bij een door het Openbaar Ministerie ingesteld rechtsmiddel luistert het nauw. Aan de hand van de inhoud van de akte rechtsmiddel dient te worden bepaald welk rechtsmiddel feitelijk is aangewend. De inhoud van de akte rechtsmiddel is in dit opzicht leidend.6.
2.4
Gelet op de inhoud van de onder randnr. 2.1 genoemde akte rechtsmiddel heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Dat rechtsmiddel kan niet worden ingesteld tegen een beschikking naar aanleiding van een op grond van art. 552a Sv ingediend klaagschrift (vgl. art. 445 Sv in verbinding met art. 552d lid 2 Sv). Aangezien conversie niet mogelijk is, kan de officier van justitie niet worden ontvangen in het cassatieberoep.
2.5
Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen, dan ben ik van mening dat het cassatieberoep (ook) om een andere reden niet-ontvankelijk is.
2.6
Uit de cassatieschriftuur, de schriftuur houdende tegenspraak en de namens mij bij de rechtbank Midden-Nederland ingewonnen inlichtingen blijkt dat die rechtbank op 20 februari 2024 in de strafzaak tegen de klager met het parketnummer 16/188445-23 en het ECLI-nummer ECLI:NL:RBMNE:2024:915 vonnis heeft gewezen. De rechtbank heeft daarbij onder meer de verbeurdverklaring bevolen van de onder randnr. 1.1 genoemde kledingstukken. Namens de klager is op 29 februari 2024 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
2.7
De omstandigheid dat in de strafzaak tegen de klager een beslissing over het beslag is genomen, brengt met zich dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep tegen de beschikking waarbij het klaagschrift van de klager gegrond is verklaard. De beschikking behelst immers naar zijn aard een voorlopige beslissing in afwachting van het oordeel van de strafrechter over het beslag. Door de uitspraak van de strafrechter over het beslag in de strafzaak tegen de klager kan op het klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.7.
2.8
Volgens de steller van het middel geldt het voorgaande niet in een geval als het onderhavige waarin de beklagrechter het klaagschrift tegen de inbeslagneming gegrond heeft verklaard en de officier van justitie daartegen beroep in cassatie heeft ingesteld. Hij stelt zich op het standpunt dat de (standaard)overweging van de Hoge Raad dat in de bestreden beschikking naar zijn aard een beslissing wordt gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande en dat door de beslissing van de strafrechter op het klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer kan volgen, niet aldus kan worden begrepen dat de beschikking van rechtswege vervalt zodra de strafrechter in de strafzaak omtrent het beslag heeft beslist. Met het oog daarop wordt aangevoerd dat als de officier van justitie in de onderhavige zaak niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep, de bestreden beschikking onherroepelijk wordt. Daardoor zal – nog steeds volgens de steller van het middel – de officier van justitie de bestreden beschikking ten uitvoer moeten leggen door de in beslag genomen kledingstukken terug te geven aan de klager en zal hij het beslag niet kunnen handhaven met een beroep op het vonnis van de rechtbank waarin de kledingstukken zijn verbeurdverklaard, aangezien dat vonnis nog niet onherroepelijk is.
2.9
Hierin volg ik de steller van het middel niet. Mijns inziens brengen het systeem van het Wetboek van Strafvordering, de verhouding tussen de beklagrechter en de strafrechter en het belang van de eenheid van rechtspraak met zich mee dat als de strafrechter in de strafzaak omtrent het beslag heeft beslist, aan een met die beslissing onverenigbare en nog niet ten uitvoer gelegde beschikking van de beklagrechter geen uitvoering (meer) behoeft te worden gegeven, ook niet als de beslissing van de strafrechter nog niet onherroepelijk is. Het finale oordeel over het beslag berust bij de strafrechter en niet bij de beklagrechter. Voorkomen moet worden dat twee (of meer) rechters zich tegelijkertijd in naast elkaar lopende procedures uitlaten over het beslag met mogelijk tegenstrijdige oordelen als uitkomst.8.
3. Slotsom
3.1
Het middel behoeft geen bespreking.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt ertoe dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑11‑2024
A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 50-51.
A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 53. Zie echter ook HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:736 waarin de akte rechtsmiddel vermeldde dat het Openbaar Ministerie “beroep” had ingesteld, wat nadien handmatig was veranderd in “cassatieberoep”, waarna het dossier naar de juiste instantie was gezonden. Anders dan A-G Spronken zag de Hoge Raad geen grond om het Openbaar Ministerie niet te ontvangen in het cassatieberoep. Uit de beschikking blijkt niet waarom de Hoge Raad anders oordeelde over de ontvankelijkheid van het beroep.
HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD5856, NJ 1994/146 en HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9728, NJ 2010/379.
HR 2 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1058, NJ 1998/679 en HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0786.
HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9727, rov. 2.6; HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9728, NJ 2010/379, rov. 2.6; HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9729, rov, 2.6.
HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989, NJ 2008/53, rov. 3.3; HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0637, rov. 2.3; HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5263, rov. 2.3; HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2800, rov. 3.3; HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:404, rov. 2.3; HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1022, NJ 2023/267, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3; HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1452, rov. 2 met verwijzing naar de conclusie van A-G Spronken vóór dat arrest.
Vgl. P.A.M. Mevis, ‘Beklag tegen beslag: eerder verbetering dan vervanging van het bestaande; over de wenselijkheid van een integraal verbeterprogramma’, DD 2023/59, p. 783 en zijn noot onder HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1022, NJ 2023/267.