Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.6.6:4.6.6 Samenvatting
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.6.6
4.6.6 Samenvatting
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493954:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf is de omvang van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking onderzocht. De verrijking in de zin van artikel 6:212 dient het gevolg te zijn van een inbreuk op een exclusieve rechtspositie. Zij moet worden begroot op het bedrag dat marktpartijen als vergoeding plegen te betalen voor het verkrijgen van toestemming om handelingen te verrichten die zijn voorbehouden aan de rechthebbende.
Als eenmaal vaststaat dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is ontstaan, kan de verrijkte tegen de vordering van de verarmde verweren aanvoeren die betrekking hebben op de omvang van de vordering. Er blijkt behoefte te zijn aan een tweetal verweren.
Het eerste verweer betreft de persoonlijke waardering van het voordeel dat de verrijkte met de inbreuk geniet. Als de verrijkte niet te kwader trouw was ten tijde van de inbreuk, kan hij aanvoeren dat dit voordeel voor hem minder waarde heeft dan de vergoeding die in de markt wordt betaald voor het gebruik, genot en de exploitatie van de exclusieve rechtspositie. De verrijkte moet de omstandigheden stellen – en bij betwisting bewijzen – waaruit volgt dat hij het voordeel, dat hij met de inbreuk geniet, niet op een marktconforme vergoeding waardeert.
Het tweede verweer betreft de vermindering van de verrijking die de schuldenaar door een inbreuk geniet. Artikel 6:212 lid 2 bepaalt dat een verrijking die is verminderd buiten beschouwing blijft als de vermindering het gevolg is van omstandigheden die niet aan de verrijkte kunnen worden toegerekend. Het verweer betreft als het ware de toedeling van nadeel. Immers, als de verrijkte het voordeel dat hij heeft genoten door de inbreuk zou moeten afdragen aan de verarmde, terwijl de verrijkte niet langer is verrijkt, zou de verrijkte niet een onterecht voordeel worden ontnomen, maar zou hij in een nadeligere positie komen te verkeren dan waarin hij zonder de inbreuk zou hebben verkeerd. De ratio van artikel 6:212 lid 2 is dat de verrijkte die te goeder trouw is, dient te kunnen beschikken over het actief van zijn vermogen, zonder reserves aan te hoeven houden voor het betalen van onverwachte vorderingen. Uit deze ratio volgt dat niet de schuldenaar, maar de schuldeiser het nadeel dient te dragen. Uit deze ratio volgen ook de vereisten voor een beroep op het verweer.
In de eerste plaats moet het vermogen van de verrijkte zijn verminderd. Niet alleen een vermindering van het voordeel zelf, ook andere verminderingen van het actief van het vermogen van de verrijkte zijn van belang. In de tweede plaats moet de vermindering in causaal verband staan met de verrijking. Dat wil zeggen dat moet worden nagegaan of het vermogen van de verrijkte niet zou zijn verminderd in de hypothetische situatie waarin de verrijking niet zou zijn ontstaan. In de derde plaats moet de vermindering toerekenbaar zijn. Dit laatste vereiste houdt in dat de verrijkte te goeder trouw moet zijn geweest ten tijde van de vermindering van zijn verrijking.