Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.6.3:4.6.3 Noodzaak van verweren
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.6.3
4.6.3 Noodzaak van verweren
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS492728:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 2, par. 2.7.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een verrijking ontstaat als inbreuk wordt gepleegd op een exclusieve rechtspositie en zij is ongerechtvaardigd als een rechtvaardiging uit overeenkomst of het stelsel van de wet ontbreekt. De verrijkte wordt door het ontstaan van een verplichting om de verrijking af te dragen, niet in een slechtere positie gebracht dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder de inbreuk. Ook als de verrijkte te goeder trouw is, brengt een dergelijke verplichting hem niet in een slechtere positie. Goede trouw van de verrijkte is daarom in beginsel niet van belang voor het antwoord op de vraag of de verrijking ongerechtvaardigd is.
Toch hoeft een verrijkte die te goeder trouw is, zijn verrijking niet altijd af te staan. Een nadere afweging is noodzakelijk, omdat zich bijzondere omstandigheden aan de zijde van de verrijkte kunnen voordoen, zowel tijdens of na de inbreuk, waarmee geen rekening wordt gehouden bij de afweging of een verrijking ongerechtvaardigd is. Bij deze nadere afweging spelen de goede en kwade trouw van de verrijkte soms wel een rol. Stel bijvoorbeeld dat B met zijn kennis C afspreekt dat C zijn vakantiehuisje mag gebruiken. C weet echter niet dat het vakantiehuisje niet aan B, maar aan A toebehoort. Ondanks deze onwetendheid pleegt C inbreuk op een exclusieve rechtspositie van A. C is daarom in beginsel verplicht een gebruiksvergoeding te betalen aan A. Echter, laten we aannemen dat C van het gebruik zou hebben afgezien als hij had geweten dat hij een vergoeding moest betalen. Een verplichting voor C uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking om een waardevergoeding te betalen aan A, zou C in dit geval een uitgave opdringen.
Of de verrijkte in deze gevallen de verrijking mag behouden, is een afweging van andere aard dan de afweging of er überhaupt een rechtvaardiging voor de inbreuk bestaat. Ook uit de Engelse rechtsontwikkeling blijkt dat verweermiddelen nodig zijn die niet zozeer betrekking hebben op het ontstaan van de vordering, maar op de omvang van de vordering. Zonder verweermiddelen zou het nodig zijn om de vereisten voor het ontstaan van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking beperkter op te vatten. Dit heeft als nadeel dat een consequente toepassing van die beperktere vereisten ertoe zou leiden dat in sommige gevallen een verplichting tot terugbetaling niet zou ontstaan, terwijl dat wel wenselijk zou zijn.1
In het Duitse en Engelse recht zijn twee verweermiddelen aanvaard die betrekking hebben op de omvang van de vordering uit onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking. Het eerste verweer betreft de subjectieve waardering van de verrijking door de verrijkte. Het tweede verweer betreft de omstandigheid dat de verrijking is verminderd. Deze verweermiddelen leiden in het Duitse en Engelse recht tot genuanceerde en wenselijke uitkomsten. Deze verweren komen hieronder aan de orde.