Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.2.5:10.2.5 Motivering
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.2.5
10.2.5 Motivering
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot dient de rechter zijn beslissingen in het kader van de voorlopige hechtenis te motiveren (vgl. art. 78, tweede lid Sv en art. 24, eerste lid Sv). Uit het internationale en Europese kader van kinder- en mensenrechten volgt dat dit extra belangrijk is wanneer het gaat om voorlopige hechtenis van een minderjarige. Transparante besluitvorming is noodzakelijk om te kunnen waarborgen dat voorlopige hechtenis van minderjarigen daadwerkelijk op een rechtmatige en niet-willekeurige wijze en slechts als een uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur wordt toegepast (zie par. 3.5.2). Dit betekent dat de rechter in de motivering van zijn voorlopige hechtenisbeslissing op basis van de feiten en omstandigheden van het geval inzicht zal moeten geven in de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan de bovenstaande stappen van het besluitvormingsschema. Dit veronderstelt dat de motiveringsplicht van de rechter betrekking heeft op de bevelsbeslissing (zoals artikel 78, tweede lid Sv reeds uitdrukkelijk voorschrijft), maar ook uitstrekt tot de tenuitvoerleggingsbeslissing. De rechter dient aldus in artikel 493, eerste lid Sv een verplichting te lezen om te motiveren waarom hij de voorlopige hechtenis wel of niet schorst. Indien de rechter wel tot schorsing overgaat, dient hij inzichtelijk te maken waarom hij bepaalde bijzondere voorwaarden aan de schorsing verbindt en wat daarmee wordt beoogd (vgl. art. 493, zes lid Sv jo. art. 27, eerste lid BTJ). Indien de rechter beslist om de voorlopige hechtenis niet te schorsen, is hij ertoe gehouden zijn beslissing over de plaats en de wijze van tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis te onderbouwen (vgl. art. 493, derde lid Sv en art. 78, vierde lid Sv). Deze vergaande motiveringsplicht moet worden beschouwd als een minimumvoorwaarde voor een rechtmatige en niet-willekeurige voorlopige hechtenisbeslissing en krijgt – bij voorkeur zowel mondeling als schriftelijk – gestalte in voor de minderjarige verdachte begrijpelijke bewoordingen.
Praktijk:
In het onderhavige onderzoek is op basis van observaties, inzage in dossiers en interviews een beeld naar voren gekomen van een voorlopige hechtenispraktijk waarin grote verschillen bestaan tussen rechtbanken – en rechters onderling – in de wijze waarop met de motiveringsplicht wordt omgegaan (zie par. 7.2.5). Rechters-commissarissen motiveren beslissingen over de inbewaringstelling van minderjarigen doorgaans zowel mondeling als schriftelijk. Dit is bij beslissingen van de raadkamer daarentegen niet standaard het geval: slechts bij twee van de vijf onderzochte rechtbanken biedt het werkproces van de raadkamer ruimte om de beslissing over de gevangenhouding mondeling te motiveren ten overstaan van de minderjarige verdachte. Voorts is gebleken dat bij verschillende rechtbanken door rechters-commissarissen en raadkamers in de mondelinge, maar vooral de schriftelijke motivering veelvuldig gebruik wordt gemaakt van standaardzinnen (lees: tekstblokken) die niet of nauwelijks zijn toegespitst op het individuele geval. In één van de onderzochte rechtbanken wordt door de raadkamer zelfs gewerkt met een ‘kruisjesformulier ’, waarop de gronden voor voorlopige hechtenis zonder nadere motivering worden aangevinkt. In deze rechtbank worden raadkamerbeslissingen over de voorlopige hechtenis van minderjarigen noch mondeling, noch schriftelijk gemotiveerd. Hier staat tegenover dat een rechter-commissaris in een andere rechtbank zijn beslissingen over de inbewaringstelling van minderjarige verdachte juist bijzonder uitvoerig motiveert, zowel mondeling als schriftelijk. Niettemin moet – in lijn met de conclusies uit de onderzoeken van Crijns, Leeuw & Wermink en het College voor de Rechten van de Mens ten aanzien van de motivering van voorlopige hechtenisbeslissingen in commune strafzaken1 – worden geconstateerd dat in deze sterk gedifferentieerde praktijk niet is gegarandeerd dat beslissingen van rechters over de voorlopige hechtenis van minderjarigen worden voorzien van een deugdelijke, op het individuele geval toegespitste motivering.2 Vanuit kinder- en mensenrechtenperspectief kan worden gesteld dat hiermee onvoldoende recht gedaan wordt aan het belang van transparante besluitvorming voor het waarborgen van een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur.