Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/11.4
11.4 Kwalificatie van de achtergrond van beledigende uitlatingen als godsdienstig
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450435:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 januari 2001, NJ 2001, 203, AB 2001, 303 (Van Dijke), m.nt. B.P. Vermeulen.
HR 9 januari 2001, NJ 2001, 203 (Van Dijke), r.o. 3.4.4.
HR 9 januari 2001, NJ 2001, 203 (Van Dijke), r.o. 3.3. Vgl. Janssen & Nieuwenhuis 2011, p. 49. Zie ook HR 9 januari 2001, NJ 2001, 204, m.nt. JdH.
HR 9 januari 2001, NJ 2001, 204.
HR 9 januari 2001, NJ 2001, 204, r.o. 12.
Gerechtshof ‘s-Gravenhage 18 november 2002, NJ 2003, 24.
Gerechtshof ‘s-Gravenhage 18 november 2002, NJ 2003, 24.
HR 14 januari 2003, NJ 2003, 261.
Janssen & Nieuwenhuis 2011, p. 50.
HR 14 januari 2003, NJ 2003, 261, r.o. 3.3.
HR 14 januari 2003, NJ 2003, 261, r.o. 3.3.
Rb. ‘s-Gravenhage 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Jihad), r.o. 19.26.
Rb. ‘s-Gravenhage 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Jihad), r.o. 19.27.
In het onderstaande bespreek ik vijf artikel 137c Sr-uitspraken met betrekking tot beledigende religieuze uitlatingen: de Van Dijke-zaak, de politieagentzaak, de El-Moumni-zaak, de dominee-zaak en tot slot de jihad-zaak.
De Van Dijke-zaak1 uit 2001 ging over parlementariër Van Dijke die zich in een interview hardop afvroeg of er binnen de christelijke leer een hiërarchie is tussen zonden. Hij meende van niet en stelde daarbij de retorische vraag of het praktiseren van homoseksualiteit (wat volgens hem een zonde is) een erger vergrijp is dan het stelen van uitkeringen van de overheid. Hij werd vrijgesproken door het gerechtshof. De Hoge Raad bekrachtigde deze uitspraak en overwoog dat het gerechtshof:
‘… in zijn oordeel mocht betrekken dat de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting mede bepalend kunnen zijn voor het al dan niet aannemen van een beledigend karakter van – op zichzelf beschouwd kwetsende of grievende – uitlatingen’.2
Ook stelde de Hoge Raad dat:
‘… in ‘s Hofs overwegingen besloten ligt dat deze uitlatingen kenbaar in direct verband stonden met de uiting van de geloofsopvatting van de verdachte en als zodanig voor hem van betekenis zijn in het maatschappelijk debat’.
Kennelijk kwam de Hoge Raad tot deze kwalificatie op grond van de overweging van het hof dat:
‘… verdachte in feite zegt dat hij op grond van zijn geloofsovertuiging homoseksuele praxis afwijst als zondig, namelijk als strijdig met een van de Bijbelse geboden en dat hij het, eveneens op grond van die geloofsovertuiging, onjuist vindt om in die geboden gradaties aan te brengen’.3
We kunnen concluderen dat het hof, bekrachtigd door de Hoge Raad ervan uitgaat dat verdachte een geloofsovertuiging aanhangt. Het hof neemt deze (christelijke) geloofsovertuiging op grond van de verklaring van verdachte aan. Het hof roept hiervoor niet de hulp van derden in. Er is in deze zaak dan ook geen objectiverende kwalificatiewijze toegepast. Het hof heeft niet gecontroleerd bij derden of in algemeen toegankelijke bronnen of de interpretatie van de Bijbel door de verdachte door anderen wordt gedeeld. Ook heeft het hof niet zelf de Bijbel geraadpleegd. Het hof is op basis van de verklaringen van de verdachte ervan overtuigd dat zijn opvattingen godsdienstig zijn. Dat wijst op een subjectiverende kwalificatiewijze.
Op dezelfde datum als de Van Dijke-zaak wees de Hoge Raad ook het politieagent-arrest. Het ging hier om een agent die op grond van zijn christelijke overtuigingen in een politieblad schreef: ‘Homoseksualiteit wordt gelijk gesteld aan heteroseksualiteit. Dat is zo ongeveer diefstal gelijk stellen met het schenkingsrecht of mishandeling met verpleging’.4 De politieagent deed zijn uitlating als reactie op het maatschappelijke debat over de plannen voor de openstelling van het huwelijk voor homoseksuele paren. Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat de context van de uitspraak het beledigende karakter ervan ontnam en sprak vrij. De Hoge Raad bekrachtigde dit oordeel. De kwalificatie van de opvattingen van de politieagent als christelijk is in deze zaak niet problematisch. Het hof stelt dat de politieagent zijn uitspraak baseerde op ‘Bijbelse opvattingen’ over homofilie. Kennelijk ging het hof hier uit van een subjectiverende kwalificatiewijze: het nam de christelijke overtuigingen van de verdachte aan op grond van zijn verklaring. Het heeft niet gecontroleerd of de ‘Bijbelse opvattingen’ daadwerkelijk kunnen worden afgeleid uit de Bijbel. Verder is interessant dat in deze zaak de vrijheid van godsdienst in het geheel niet ter sprake kwam. De beledigende uitspraken werden geheel benaderd vanuit de vrijheid van meningsuiting. Verdachtes godsdienstige overtuigingen speelden slechts een rol bij het duiden van de context op grond waarvan de uitspraak door de politieagent werd gedaan. Met andere woorden, de religieuze opvatting van de man vormde slechts de achtergrond van een meningsuiting. Advocaat-Generaal Machielse stelt dat de uitlating van de politieagent kan worden gekwalificeerd als een vorm van op het geloof geïnspireerde ‘vrije meningsuiting’ en niet als een geloofsverkondiging.5
In de El-Moumni-zaak uit 2002 waren wederom homoseksuelen het mikpunt. Het ging dit keer om een moslim die tijdens een televisie-uitzending stelde:
‘Homoseksualiteit is schadelijk voor de samenleving in het algemeen en in het bijzonder voor de Nederlanders […]. Als dat verschijnsel zich onder de jeugd verspreidt, zowel onder jongens als meisjes, dan zal dat tot uitsterven leiden.’
En:
‘Homoseksualiteit blijft niet beperkt tot de mensen die deze ziekte hebben maar kan zich verspreiden. Als die ziekte zich verspreidt, kan iedereen besmet raken.’
Zowel de Rotterdamse rechtbank als later het Haagse gerechtshof kwamen tot vrijspraak in de zin van artikel 137c Sr omdat ‘aan in beginsel beledigende uitlatingen het beledigende karakter kwam te ontvallen wanneer die uitlatingen een godsdienstige overtuiging direct uitdrukken’.6 Er werd in deze uitspraken aansluiting gezocht bij het Van Dijke-arrest. Volgens het hof waren de uitspraken een uitdrukking van de in de islamitische geloofsovertuiging van de verdachte verankerde opvatting omtrent het zondige karakter van de homoseksuele levenswijze. Het hof kwalificeert in deze zaak de opvattingen van de verdachte dus als een islamitische geloofsovertuiging. Voor deze kwalificatie maakte het hof mede gebruik van twee deskundigenrapporten. In het eerste rapport werd geconcludeerd dat verdachte zijn uitlatingen kon baseren op teksten van de Koran en op uitspraken van de profeet, in het tweede dat verdachte homoseksualiteit benadert vanuit het traditionele standpunt van de islamitische wet en de uitlatingen een perfecte weergave zijn van het traditionele standpunt van moslimjuristen.7 In deze zaak zoekt de rechter voor zijn kwalificatie dus wel aansluiting bij de opvattingen van derden. Dit is een objectiverende kwalificatiewijze.
In 2003 sprak de Hoge Raad zich uit in de dominee Herbig-zaak. Deze dominee bestempelde in een ingezonden brief in een dagblad homofilie als een ‘vieze en vuile zonde’ en stelde het gelijk aan pedofilie en polygamie.8 Hij beriep zich daarbij expliciet op een Bijbeltekst (Leviticus 18:22). Het hof stelde (bekrachtigd door de Hoge Raad) op grond van de in het Van Dijke-arrest door de Hoge Raad ontwikkelde criteria, dat deze uitlating in direct verband staat met de geloofsopvatting van de dominee aangezien deze ter onderbouwing rechtstreeks verwijst naar de Bijbel. Daarenboven stelde het hof dat was gebleken dat verdachtes bedoeling was om de mensheid te waarschuwen. Dit brengt volgens het hof met zich dat de uitlatingen van de dominee van betekenis zijn voor het maatschappelijk debat en om die reden niet beledigend zijn in de zin van artikel 137c.9 Ook hier wordt dus de contextbenadering toegepast. In verband met de kwalificatievraag of er sprake is van een godsdienst zijn de volgende overwegingen van het hof relevant. Ten eerste overwoog het hof dat verdachte ‘… als dominee redenerend vanuit zijn christelijke gedachtegoed…’ tot zijn uitlatingen is gekomen. Ten tweede overwoog het hof: ‘Nu verdachte […] in die brief uitdrukkelijk verwijst naar de Bijbel, stonden zijn uitlatingen kenbaar in direct verband met zijn uiting’.10 We kunnen concluderen dat de rechter er in deze zaak van uitgaat dat de interpretatie van de Bijbel door de verdachte is te kwalificeren als een (christelijke) geloofsovertuiging. Voor deze kwalificatie wordt geen hulp in geroepen van derden, zoals deskundigen, die kunnen aantonen dat de interpretatie van de justitiabele verdedigbaar is. Wel toetst het hof de uitspraken aan de Bijbel. Het overwoog namelijk ten aanzien van de toevoeging ‘vieze vuile’ dat deze toevoeging in direct verband staat met de geloofsovertuiging van de dominee, omdat in de Bijbel valt te lezen dat daarin over homofilie wordt gesproken als een ‘gruwel(daad)’ of een ‘gruwelijke zonde’ (Leviticus 18:22).11 Dit wekt de indruk dat het hof zelf bezig is geweest met Bijbelexegese. Dit is een objectiverende kwalificatiewijze. Met deze wijze van kwalificeren begeeft de rechter zich in theologisch vaarwater. Desondanks is dit wel te begrijpen aangezien gemakkelijk is in te zien dat de genoemde teksten in de Bijbel aanleiding kunnen geven voor een interpretatie zoals die van de dominee.
Tot slot de uitspraak van de Rechtbank Den Haag in het zogenoemde Jihad-proces. Eén van de verdachten had tijdens een demonstatie de uitspraak ‘Khaybar Khaybar, wee oh Joden, het leger van Mohamed zal terugkeren’ gedaan. Deze uiting refereert aan de gebeurtenissen in Khaybar omstreeks het jaar 629, waarbij door het leger van de profeet Mohammed geweld werd gebruikt tegen joden. Bij de vaststelling dat de verdachte zijn uitspraak deed op grond van een religieuze overtuiging liet de rechtbank zich bijstaan door een deskundige. Volgens de deskundige werd joden met deze uitspraak een herhaling van bovengenoemde gebeurtenissen in het vooruitzicht gesteld.12 De rechter paste met het inroepen van deskundigen dus een objectiverende kwalificatiewijze toe. De religieuze achtergrond van de uiting ontnam daaraan overigens niet de strafbaarheid. De uitspraak werd gedaan bij een demonstratie waarin IS-vlaggen werden getoond en waarin door meerdere aanwezigen werd opgeroepen om joden te doden.13 Deze context kon volgens de rechtbank niet worden begrepen als een die bijdraagt aan het publieke debat, ook niet nu het ging om een uitspraak die werd ingegeven door godsdienst.
De wijze waarop in genoemde zaken wordt bepaald of er sprake is van een geloofsovertuiging is niet eenduidig. In het Van Dijke- en het politieagentarrest gaan de rechterlijke instanties uit van een subjectiverende interpretatie. Ze oordeelden op basis van de verklaringen van de verdachte of er sprake was van een geloofsovertuiging. In de El-Moumni-, de dominee- en de jihadzaak hanteerde het gerechtshof een objectiverende kwalificatiewijze. In de zaken over het islamitisch geloof baseerde de rechter zich op deskundigen. Mogelijk dat dit werd ingegeven vanuit onbekendheid met deze godsdienst. We kunnen de niet-consistente wijze van kwalificeren van de rechter niet duiden vanuit een bepaalde politiek-filosofische benadering.