Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.2.1.3
2.2.1.3 Gedetailleerde verplichtingen
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180027:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
J. Rutgers, Openlegging en overlegging van boekhouding (diss. Groningen), Zwolle: Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1949, p. 17 e.v.
A. de Pinto, Handleiding tot het Wetboek van Koophandel, Tweede gedeelte, aanteekeningen, ’s-Gravenhage: J. Belinfante 1841, p. 25.
A. de Pinto, Handleiding tot het Wetboek van Koophandel, Tweede gedeelte, aanteekeningen, ’s-Gravenhage: J. Belinfante 1841, p. 25.
M. van Overeem, Leerboek van het enkel boekhouden, Utrecht: H. Honig 1921, zevende herziene druk, p. 3.
A. de Pinto, Handleiding tot het Wetboek van Koophandel, Tweede gedeelte, aanteekeningen, ’s-Gravenhage: J. Belinfante 1841, p. 26. De Pinto voegt nog toe dat doorhalingen niet volstrekt verboden schijnen te zijn maar dat het voorzichtiger is ook deze te vermijden.
M. van Overeem, Leerboek van het enkel boekhouden, Utrecht: H. Honig 1921, zevende herziene druk, p. 3.
Uit de tekst van artikel 6 WvK, zoals die per 1 oktober 1838 in werking trad, volgt dat de wetgever – geïnspireerd door de Code de Commerce1 – een voorkeur had voor een gedetailleerde beschrijving van wat door de koopman moest worden bijgehouden in zijn boeken en ook van de wijze waarop hij dat diende te doen.2
Vele leden van de Staten-Generaal waren tegenstander van het overnemen van de gedetailleerde verplichtingen uit de Code de Commerce:3
“Deze verpligting heeft evenwel bij vele leden der Staten-Generaal eenen hevigen tegenstand ontmoet. Men meende, dat het dagboek, zoo als dat hier gevorderd werd, was eens te voren bij ons onbekende instelling, welke onzen kooplieden zoodanig tegen de borst stuitte, dat zelfs, onder het beheer der Fransche wetgeving, niemand zich naar hetzelve gedroeg, op zeer enkele uitzonderingen na; men zag er daarenboven eenen moeijelijken en noodeloozen omslag in; sommigen gingen zelfs zoo ver van te beweren, dat men daardoor het onmogelijke vergde van de kooplieden, vooral van kooplieden in het klein, van kleine winkeliers, bakkers, tappers, en dergelijken.”
De regering was echter van mening dat de gedetailleerde boekhoudverplichting voor de koopman ook in het Wetboek van Koopman moest worden opgenomen.4 De meerderheid van de Staten-Generaal heeft zich laten overtuigen door de regering en daarmee werd de inhoud van artikel 6 WvK bepaald door de Code de Commerce.
De koopman werd verplicht volgens wettelijke richtlijnen een boek bij te houden waarin – kort gezegd – van “dag tot dag”, “naar de orde des tijds”, “zonder witte vlakken, tusschenregels of kantteekeningen”, al zijn handelsvoorvallen moest aantekenen.5 Doel van de verplichting aantekening te houden zonder witte vlakken, tussenregels of kanttekeningen, was het voorkomen van bedrog, vervalsing of verandering. Kanttekeningen waren zelfs niet toegestaan wanneer het doel was om te komen tot een verbetering of rectificatie van een eerder aangetekend voorval. Wanneer verbetering of rectificatie nodig was, moest dit als afzonderlijk voorval worden aangetekend op dezelfde dag van het te verbeteren of te rectificeren voorval dan wel op de dag van ontdekking.6 De strikt voorgeschreven wijze van het voeren van een boekhouding had een direct verband met de bewijskracht die aan het dagboek werd toegekend. Op grond van artikel 11 WvK kon de rechter “rigtig gehouden koopmansboeken” als bewijs aannemen tussen kooplieden. Omdat deze dwingende bewijskracht alleen van toepassing was op “rigtig gehouden koopmansboeken”, luisterde het naleven van de gedetailleerde regels van artikel 6 WvK nauw. De keerzijde van deze stringente wettelijke bepaling was dat het voor een eenvoudige koopman, zoals bijvoorbeeld een straatventer in die tijd, niet eenvoudig was om aan deze gedetailleerde wettelijke bepalingen te voldoen.7