Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging
Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/III.2.1.4:III.2.1.4 De gevolgen van de indeling in verschillende categorieën
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/III.2.1.4
III.2.1.4 De gevolgen van de indeling in verschillende categorieën
Documentgegevens:
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gevolgen
De hiervoor omschreven categorieën van doorwerking zijn niet uitputtend, in die zin dat met de kwalificatie van de vorm van doorwerking niet alle gevolgen voor de geldingskracht van de beginselen van behoorlijke rechtspleging voor de bestuurlijke voorprocedures gegeven zijn. Als sprake is van een van de tussenvormen van doorwerking, houdt dat een beperkte gelding van die betreffende beginselen van behoorlijke rechtspleging in Dat is het geval bij het onpartijdigheidsbeginsel, het openbaarheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en bepaalde onderdelen van het beginsel van hoor en wederhoor. Voor enkele onderdelen van bepaalde beginselen is vastgesteld dat geen of nauwelijks sprake is van doorwerking, zoals het deelaspect 'openbare behandeling van de zaak' en equality of arms. Daarmee is echter niet per definitie gezegd dat eisen van een dergelijke strekking niet van betekenis zijn voor de bestuurlijke voorprocedures. In de gevallen waarin geen of nauwelijks doorwerking is geconstateerd, is het namelijk vooral lastig gebleken om een verband tussen de beginselen van behoorlijke rechtspleging en de voor de bestuurlijke voorprocedures geldende eisen vast te stellen. De geldende rechtsnormen en de daaruit voortvloeiende concrete eisen of uitwerkingen blijken echter in grote mate overeen te stemmen met de eisen die gelden voor de procedure bij de bestuursrechter. Zo kan gesteld worden dat het onpartijdigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur in feite dezelfde rechtsnormen vormen voor het bestuur als de desbetreffende beginselen van behoorlijke rechtspleging zijn voor de rechter. In hun uitwerkingen verschillen zij slechts omdat de uitwerkingen meer toegespitst zijn op de specifieke positie en taak van enerzijds het bestuur en anderzijds de rechter. Voor beide organen gelden echter in deze gevallen vergelijkbare eisen. In sommige gevallen valt er weliswaar geen doorwerking te constateren van de beginselen van behoorlijke rechtspleging, dat betekent echter niet dat er geen vergelijkbare procedurele waarborgen gelden voor het bestuur in de bestuurlijke voorprocedures.
Wisselende categorieën
Een aantal vereisten dat geldt voor de bestuurlijke voorprocedures, in geschreven dan wel ongeschreven vorm, valt niet steeds onder te brengen in dezelfde categorie. Dat hangt samen met de omstandigheid dat met name de bestuursrechter deze vereisten niet consistent en eenduidig interpreteert. Deze vereisten vallen daardoor moeilijk te kwalificeren of te herleiden tot een specifiek beginsel. Dat verschijnsel doet zich bijvoorbeeld voor bij verschillende hoorplichten. Dat was bijvoorbeeld zichtbaar bij de ongeschreven hoorplicht die aangenomen wordt na vernietiging van een besluit door de bestuursrechter en de ongeschreven hoorplicht bij nieuwe feiten of omstandigheden waarop artikel 7:9 Awb niet rechtstreeks van toepassing is. Deze hoorplichten worden soms gebaseerd op het zorgvuldigheidsbeginsel en soms op het beginsel van hoor en wederhoor. Wat betreft de functie van deze vereisten lijkt het niet veel verschil te maken welk beginsel als perspectief wordt gekozen. Daarmee kan, zoals hierboven ook al werd aangegeven, de expliciete doorwerking van het beginsel van hoor en wederhoor weliswaar niet vastgesteld worden. Het is in elk geval een gegeven dat zulks niet hoeft te betekenen dat de eisen die gelden niet hetzelfde zijn of dezelfde functie hebben in de bestuurlijke voorprocedures als in de rechterlijke procedure.