Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/19.2.3.2:19.2.3.2 Aanbevelingen voor de Minister van Veiligheid en Justitie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/19.2.3.2
19.2.3.2 Aanbevelingen voor de Minister van Veiligheid en Justitie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456995:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voorbeeld ontleend aan de in de het inleidende hoofdstuk van dit boek aangehaalde casus uit Hof Den Haag 28 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:CA0537 en Hof Den Haag 23 juli 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:2690.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aanbevelingen aan het adres van de Minister van Veiligheid en Justitie zien vooral op gevallen van klassieke samenwerking omdat daarin de ministeriële route nog aan de orde is. In EU-verband vindt de samenwerking plaats tussen justitiële autoriteiten en is de officier van justitie in de plaats gekomen van de minister.
Mijn belangrijkste aanbeveling bouwt voort op het onderscheid tussen onderdelen van de samenwerking die de kern vormen van een rechtshulpinstrument en overige onderdelen. Onderdelen die de kern vormen van een bepaald instrument zijn aan het instrument inherent en bepalen het karakter ervan. Zo vindt de finale beoordeling van de schuld van een opgeëiste persoon in geval van uitlevering ter fine van vervolging plaats na uitlevering in de verzoekende staat en niet in het kader van de uitleveringsprocedure in de aangezochte staat. Mijns inziens dient de bestuurlijke instantie die bij een concreet geval van samenwerking is betrokken zich enkel principieel te beroepen op het vertrouwensbeginsel indien de opgeworpen vraag of het gevoerde verweer op een dergelijk kernonderdeel van de samenwerking ziet. Vraagt het verweer om een beoordeling van de schuld of onschuld in het kader van de uitleveringsprocedure, dan kan de minister zich beroepen op het vertrouwensbeginsel en mag hij verwachten dat de uitleveringsrechter niet in die schuldvraag treedt. Bij andere vraagstukken, die niet de kern van het rechtshulpinstrument aantasten, kan in principe toetsing plaatsvinden zonder dat het rechtshulpinstrument wordt aangetast. In die gevallen kan de minister de toetsende instantie, doorgaans de rechter, verzoeken of uitnodigen om op de autoriteiten of het rechtssysteem van de andere staat te vertrouwen, maar dient hij eventueel de rechter in staat te stellen tot toetsing over te gaan. Wordt bijvoorbeeld door staat X om uitlevering verzocht en rijzen vragen over de betrokkenheid van staat X bij foltering van de opgeëiste persoon in staat Y, dan dient de minister zijn medewerking te verlenen aan een beoordeling van die vragen door de uitleveringsrechter. Die beoordeling tast geenszins het instrument van uitlevering aan. Uiteraard kan de minister de rechter vragen slechts beperkt in te gaan op het verweer en de autoriteiten van staat X te vertrouwen, maar als de rechter desondanks tot toetsing overgaat dient de minister daaraan zijn medewerking te verlenen en dient hij zich niet te verschuilen achter een (in mijn optiek onterecht) beroep op het vertrouwensbeginsel.1
Hiermee hangt samen dat de minister in die gevallen toetsing door de rechter ook concreet mogelijk dient te maken. Juist door de gevraagde informatie zonder terughoudendheid te verstrekken en eventueel op te vragen bij de autoriteiten van de andere staat, kweekt de minister vertrouwen in de samenwerking met die andere staat. Indien een beeld ontstaat van het toedekken van mogelijk dubieuze situaties, zal dat het vertrouwen op de langere termijn juist aantasten. Daarnaast maakt een dergelijke opstelling een terecht beroep op het vertrouwensbeginsel, in die gevallen waarop ik in de voorgaande alinea ben ingegaan, sterker: door nauwkeurig aan te geven waarom in die gevallen de rechter niet tot toetsing dient over te gaan en in andere gevallen te volstaan met de suggestie dat de rechter uitgaat van vertrouwen, maar toetsing desgewenst wel mogelijk te maken, is het beroep op het vertrouwensbeginsel in de eerstgenoemde gevallen overtuigender.