Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/19.2.3.1:19.2.3.1 Aanbevelingen voor de Commissie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/19.2.3.1
19.2.3.1 Aanbevelingen voor de Commissie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS452184:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: S. Carrera & E. Guild, Implementing the Lisbon Treaty, Improving the Functioning of the EU on Justice and Home Affairs, Brussels: Centre for European Policy Studies 2015, p. 34.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om te voorkomen dat de samenwerking in strafzaken stagneert dient de toegang tot de nationale rechter, tot het Hof van Justitie (via prejudiciële vragen) en tot het EHRM te zijn gegarandeerd in alle lidstaten. Zoals hierna nog te bespreken dient dit onafhankelijk en structureel te worden gemonitord. Ook dient te worden gemonitord op welke wijze lidstaten omgaan met uitspraken van het Hof van Justitie en voor het EHRM. Worden deze structureel en zonder enige terughoudendheid opgevolgd? Is de wil van deze Europese rechters wet in alle lidstaten? Dit kan door een scoreboard bij te houden van het vervolg dat aan Europese rechtspraak wordt gegeven en vooral door bij te houden in welke gevallen een uitspraak van het Hof van Justitie of het EHRM niet of gebrekkig wordt nageleefd.
Ook in bredere zin is de gestructureerde introductie van evaluatiemechanismen aanbevelenswaardig. Artikel 70 VWEU biedt daarvoor een expliciete grondslag:
‘Onverminderd de artikelen 258, 259 en 260, kan de Raad op voorstel van de Commissie maatregelen vaststellen die bepalen dat de lidstaten in samenwerking met de Commissie een objectieve en onpartijdige evaluatie van de uitvoering, door de autoriteiten van de lidstaten, van het door deze titel bestreken beleid van de Unie verrichten, met name ter bevordering van de volledige toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. Het Europees Parlement en de nationale parlementen worden op de hoogte gebracht van de inhoud en de resultaten van die evaluatie.’1
Deze bepaling zet objectieve en onpartijdige evaluatie ook expliciet in de sleutel van het bevorderen van wederzijdse erkenning. Hoewel dat ook zo kan worden uitgelegd dat onverkorte implementatie van concrete samenwerkingsinstrumenten simpelweg tot soepele samenwerking leidt, en dus wederzijdse erkenning bevordert, kan het aldus bevorderen van wederzijdse erkenning ook in verband worden gebracht met het versterken van het onderling vertrouwen als gevolg waarvan de samenwerking soepeler wordt en daardoor de concrete samenwerkingsinstrumenten daadwerkelijk worden nageleefd. Afgedwongen naleving van samenwerkingsinstrumenten zou je tegen die achtergrond als een machtswoord kunnen zien, terwijl naleving van samenwerkingsinstrumenten als gevolg van sterker onderling vertrouwen het meer van het gezag van het Europese recht moet hebben. Voor de acceptatie en legitimiteit van de samenwerking is die laatste variant te prefereren en de Commissie zou er daarom in mijn optiek goed aan doen evaluaties ook in die sleutel te zetten. Toegegeven, het is ook de riskantere optie, aangezien evaluaties die een beeld laten zien van gebrekkige naleving van grondrechten en waarborgen juist het onderling vertrouwen kunnen aantasten. Het is een uitdaging die de Unie in mijn optiek moet aangaan, wil zij toekomstbestendig beleid op strafrechtelijk terrein kunnen ontwikkelen.