Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.3.3.2
II.4.3.3.2 Voorbeelden bepaalbaar
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623185:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie de kanttekening, dat Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205 nog aansloot bij de overeenkomst-theorie, die ik in de vorige alinea maakte.
Vgl. art. 2:8 BW: ‘1. Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd; 2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.’
Als er een vertaalslag naar het erfrecht wordt gemaakt, in het bijzonder naar het legaat, zou dan zo bezien kunnen worden gesteld dat het niet mogelijk is om aan de legataris over te laten om te bepalen welke waarde van het legaat moet worden ingebracht. Vgl. de casus uit Hof Amsterdam 21 juni 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1599. Hierop kom ik in paragraaf 5.3.3.3 en paragraaf 6.7 kort terug.
Aldus HR 13 januari 1938, NJ 1938/566. Zie voor een soortgelijke casus ook HR 30 januari 1953, NJ 1953/578, waarin sprake was van een overeenkomst tussen de Bank (schuldeiser) en Vos (schuldenaar), waarin Vos zekerheid geeft voor al hetgeen de Bank van hem uit welken hoofde ook, te eniger tijd te vorderen zou hebben. Wederom was in vraag of deze overeenkomst de nodige bepaaldheid van onderwerp kent. De Hoge Raad oordeelt dat uit art. 1356 en 1369 oud BW slechts volgt dat ‘te zijner tijd aan de hand van de overeenkomst – en, zo nodig, van de wet, in het bijzonder van de artt. 1374 en 1375 oud BW – moet kunnen worden vastgesteld, tot zekerheid van welke schulden het op de in eigendom overgedragen zaken verleende recht van verhaal strekt.’ Hiervan was in casu sprake.
Zie ook Hijma & Olthof 2011, nr. 474.
A) Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205
De statuten van Banka N.V. bepalen dat:1
‘Aandeelhouders, die bij verlijden dezer acte niet tevens als loodgieterspatroons gevestigd waren, zijn verplicht alle loodgieterswerken, welke aan hen ter uitvoering worden opgedragen of te hunnen behoeve moeten worden uitgevoerd, te doen uitvoeren door de vennootschap op verbeurte ten behoeve van de vennootschap van een boete, door Commissarissen te bepalen [….] (curs. NB).’
Lintelo heeft in strijd gehandeld met deze bepaling en krijgt daarom een door de Commissarissen bepaalde boete opgelegd van ƒ. 10.000. Bij vonnis van de rechtbank is beslist dat de bepaling uit de statuten van Banka NV nietig is, omdat het strafbeding ‘een boete door commissarissen te bepalen’, zonder dat een maximum of grens is aangewezen, niet ‘iets bepaalds’ is in de zin van art. 1340 oud BW.
Het Hof oordeelt daarentegen dat de Rechtbank ten onrechte de nietigheid van de bepaling uit de statuten heeft aangenomen. Hierna zet ik de redeneerwijze van het Hof kort uiteen.
Volgens het Hof dient voor de geldigheid van de hierboven uit de statuten geciteerde bepaling gekeken te worden naar de eisen die gelden voor de bestaanbaarheid van een overeenkomst. Aan de eis van bepaaldheid is genoegzaam voldaan, wanneer in de overeenkomst zijn vastgelegd de aard van de verbintenis en de wijze waarop te zijner tijd haar omvang zal zijn vast te stellen. Art. 1340 oud BW vereist overigens voor de prestatie niet meer bepaaldheid dan in het algemeen op grond van art. 1356 lid 3 jo. art. 1369 oud BW ten aanzien van het onderwerp van verbintenissen is vereist. ‘Iets bepaalds’ in art. 1340 oud BW omvat zodoende ook ‘bepaalbaar op de in overeenkomst vastgelegde of uit haar voortvloeiende wijze, ’ zoals in dit geval is voorgeschreven, dat de boete wordt bepaald door het college van commissarissen van Banka, die is aan te merken als een derde. Partijen hebben zich aan diens bindend oordeel onderworpen. Hiervoor geldt evenwel op grond van art. 1374 lid 3 oud BW het voorbehoud dat dit oordeel niet hetzij uit hoofde van zijn inhoud hetzij uit hoofde van de wijze, waarop het tot stand is gekomen, zó zeer ingaat tegen wat redelijk en billijk is, dat Banka in strijd met de goede trouw zou handelen door Lintelo daaraan gebonden te willen houden. Een maximum of grens is met andere woorden gelegen in de bepaling van art. 1374 oud BW, dat verlangt dat elke overeenkomst te goeder trouw moet worden tenuitvoergelegd. Lintelo is dan ook slechts gebonden door een boeteoplegging, welke voldoet aan objectieve eisen van redelijkheid en billijkheid. Ofwel: Banka mag slechts in rekening brengen een redelijke prijs, hiermee is de vereiste bepaaldheid van het onderwerp als bedoeld in art. 1356 oud BW aanwezig.
Het Hof oordeelt met andere woorden dat aan de eis van bepaaldheid is voldaan, wanneer in de overeenkomst zijn vastgelegd de aard van de verbintenis en de manier waarop te zijner tijd haar omvang zal zijn vast te stellen. De redelijkheid en billijkheid vervullen hierbij een corrigerende rol voor het bepaaldheidsvereiste.2
B) HR 13 januari 1938, NJ 1938/566
In een overeenkomst van geldlening is in art. 9 bepaald dat:
‘De schuldenaar verbindt zich om, indien de schuldeischer zulks mocht verlangen en alsdan op diens eerste aanmaning:
ter geheele of gedeeltelijke voldoening zijner uit deze acte voortvloeiende verplichtingen aan den schuldeischer zoodanige roerende en/of onroerende goederen en/of rechten in betaling te geven als deze zal eischen;
tot zekerheid van de nakoming dier verplichtingen zoodanige roerende en/of onroerende goederen en/of rechten aan den schuldeischer in eigendom over te dragen, zoodanige roerende goederen en/of rechten aan hem in pand te geven en/of op zoodanige onroerende goederen en/of rechten aan hem hypotheek te verleenen, alles gelijk de schuldeiser zal eischen, in beide gevallen onder het maken van zoodanige bedingen en bepalingen als de schuldeischer zal goedvinden te maken (curs. NB).’
De Hoge Raad merkte op dat art. 1356 lid 3 jo. 1369 oud BW tot uitdrukking brachten: het beginsel, dat uit de verbintenis op voldoende wijze moet kunnen worden afgeleid tot hoever de gebondenheid van de schuldenaar gaat. Dit is niet het geval indien de verbintenis aan een van de partijen zou overlaten om uit een brede schaal een willekeurig kleine of grote maat voor de prestatie vast te stellen.3
De verbintenis om in het geval van een schuld van een bepaald bedrag zekerheid te zullen verschaffen, zonder aanduiding in welke soort of in welke individuele goederen die zekerheid moet bestaan, voldoet aan de eis van de wet. Bij zodanige verplichting komt het namelijk aan op de waarde van de tot zekerheid te geven goederen, waarvan de maatstaf is te vinden in het bepaalde bedrag van de schuld waarvoor de zekerheid wordt verschaft. De soort en de individualiteit voor het beoogde doel hebben slechts bijkomstige betekenis. Dat aan de schuldeiser de keuze wordt gelaten welke goederen hij in zekerheid zal nemen is hierbij niet bezwaarlijk. De schuldeiser is bij zijn keuze steeds gebonden aan de grens van art. 1374 en 1375 oud BW. Bij de nadere bepaling van de omvang zal de schuldeiser zodoende te goeder trouw (ofwel met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid) dienen te handelen.4
Wat opvalt in bovenstaande uitspraken is dat de redelijkheid en billijkheid (art. 1374 oud BW) steeds een belangrijke corrigerende, in de zin van objectiverende, rol speelt. Zij lijkt hiermee willekeur te voorkomen. De derde of de partij aan wie de nadere invulling van de verbintenis is opgedragen, zal steeds te werk moeten gaan met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid.5 Hierover enkele woorden in paragraaf 4.3.5.