Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.3.3.1
II.4.3.3.1 Inleidend
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623669:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 284.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 895.
Waaijer 1993, paragraaf 1.1.2. Statuten bevatten bepalingen die de rechtspersoon identificeren, regels welke de onderlinge betrekkingen bepalen tussen degenen die in een organisatierechtelijke betrekking tot de rechtspersoon staan, regels welke de aard en inhoud bepalen van aandelen en lidmaatschapsrechten (deze zijn van goederenrechtelijke aard) en regels die zich richten op de betrekking van de rechtspersoon met derden (denk aan regels inzake vertegenwoordigingsbevoegdheid).
Waaijer 1993, p. 9-10.
Waaijer 1993, p. 9-10.
In Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 285 wordt een aantal uitspraken genoemd waarbij het niet bestaan van een overeenkomst op grond van een gemis aan een bepaald onderwerp is aangenomen, evenals een aantal uitspraken waarbij een beroep op een gemis aan een bepaald onderwerp juist is verworpen. Deze uitspraken hebben alle betrekking op art. 1356 oud BW, maar zijn ook voor het huidige BW relevant gebleven. Art. 6:227 BW, waarin het bepaaldheidsvereiste voor de verbintenisscheppende overeenkomst is neergelegd, beoogt immers inhoudelijk niets anders dan met art. 1356 oud BW tot uitdrukking werd gebracht.1 Sterker nog: art. 6:227 BW is in de wet neergelegd omdat het wenselijk werd geacht om voor de verbintenisscheppende overeenkomst de regel van de rechtspraak (o.a. Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205; HR 13 januari 1938, NJ 1938/566, die ik hierna behandel) vast te leggen dat bepaalbaarheid voldoende is.2 Kort gezegd kan uit deze rechtspraak worden opgemerkt dat verbintenissen bepaalbaar zijn wanneer hun vaststelling kan geschieden aan de hand van tevoren vaststaande criteria. Bijvoorbeeld doordat partijen hebben afgesproken hoe de inhoud van de verbintenis verder zal worden geconcretiseerd (door één partij, door een derde, door partijen gezamenlijk etc.).
Hieronder heb ik uit de opsomming in Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 285 twee voorbeelden uitgekozen om de bepaalbaarheid, die voor verbintenissen uit overeenkomst geldt, tastbaarder te maken.
Voorbeeld A, waarin het aan een derde wordt overgelaten om de inhoud van de verbintenis nader te bepalen, lijkt hierbij een eigenaardige plek in te nemen. In voorbeeld A, te weten Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205, betreft het namelijk een bepaling uit statuten van een N.V, die ziet op interne rechtsverhoudingen. Zoals Waaijer in zijn dissertatie Statuten en statutenwijziging opmerkt vormen statuten een conglomeraat van eigensoortige grondregels.3 Voor wat de regels betreft welke de onderlinge rechtsbetrekkingen bepalen tussen de rechtspersoon en degenen die bij zijn organisatie zijn betrokken, dient te worden gerealiseerd dat Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205 hiervoor nog aansloot bij de overeenkomst-theorie.4 Inmiddels is deze theorie evenwel verlaten en heeft zij plaats gemaakt voor de idee dat de rechtsbetrekkingen tussen de rechtspersoon en degenen die bij zijn organisatie betrokken zijn, moet worden gezien als rechtsbetrekkingen van eigen aard, sui generis (de institutionele leer).5 Hetgeen ik hierna over Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205 opmerk, dient dus telkens gelezen te worden in de geest van 1934. Dat wil zeggen vanuit de overeenkomst-gedachte.
In voorbeeld B wordt vervolgens ingegaan op HR 13 januari 1938, NJ 1938/566. In deze zaak werd de nadere inhoud van een geldleningsovereenkomst overgelaten aan één van de partijen.