Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.3.3.1
4.3.3.1 Opvattingen in de literatuur
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500044:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Nieskens-Isphording 1991, p. 77; Nieskens-Isphording 1998, p. 102; Verhagen 1996, p. 376-379, Verhagen 2004, p. 138-140. Zie ook Schoordijk 1999, p. 15, die het ontstaan van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ziet als een correctie van ongewenste vermogensbewegingen, maar die ook lijkt te menen dat voordeelsafgifte wegens onrechtmatig gedrag gebaseerd kan worden op artikel 6:212, zie Schoordijk 1999, p. 182-184.
Linssen 2001, p. 472.
Van Boom 2002, p. 145. De benadering van Meijer (2007) lijkt op die van Van Boom, maar Meijer gaat niet uitvoerig in op de vraag welke betekenis toekomt aan de begrippen ‘verrijking’, ‘schade’ en ‘verarming’ in artikel 6:212 (zie Meijer 2007, p. 9).
A-G v Blake [2001] 1 AC 268 (HL), zie hoofdstuk 2, par. 2.3.3.
De eerste benadering is de hierboven besproken opvatting van Nieskens- Isphording, Schoordijk en Verhagen. Een vergelijkbare opvatting wordt verdedigd door Linssen. Nieskens-Isphording, Schoordijk en Verhagen zijn van mening dat van een verrijking ten koste van een ander in de zin van artikel 6:212 sprake is bij vermogensverschuivingen.1 Onder een vermogensverschuiving wordt verstaan dat de verrijking voortvloeit uit het vermogen van de verarmde. De verrijking wordt daarom ‘ten koste van’ de verarmde genoten. Er is volgens Linssen dan een voldoende verband tussen verrijking en verarming sprake. Een verrijking vloeit voort uit het vermogen van de verarmde als de verrijkte een voordeel geniet dat in principe aan de verarmde toekwam. Een voorbeeld van een vermogensverschuiving vormt de natrekking van een roerende zaak van A door een roerende zaak van B. B geniet een voordeel doordat de zaak van A bestanddeel wordt van zijn zaak. De waarde die lag besloten in de zaak van A kwam alleen aan A toe. B wordt daarom ten koste van A verrijkt. Ook in de Duitse en Engelse literatuur is de heersende mening dat van een ongerechtvaardigde verrijking alleen sprake kan zijn in gevallen waarin de verrijking voortvloeit uit het vermogen van de verrijkingsschuldeiser.2
De tweede opvatting wordt verdedigd door Van Boom. Hij bepleit een uitleg van de begrippen schade en verarming die meebrengt dat artikel 6:212 ook ziet op gevallen waarin A voordeel geniet door een onrechtmatige daad te plegen jegens B, zonder dat B concrete schade lijdt.3 In zijn benadering is de verrijking van A desalniettemin ontstaan ‘ten koste van’ B.
Van Boom wijst onder meer op de zaak A-G v Blake, die ook in hoofdstuk 2 aan de orde is gekomen.4 Blake, een Britse spion, loopt tijdens de koude oorlog over naar de Russen. Door zijn verraad worden veel andere Britse spionnen opgepakt en geliquideerd. Blake wordt vervolgens gevangen genomen door de Britten, maar hij weet te ontsnappen naar Moskou. Daar schrijft hij zijn memoires, hetgeen in strijd is met een overeenkomst die hij als spion heeft gesloten met de Britse staat. De Attorney-General vordert namens de Britse staat een verbod tot uitbetaling van de royalties. De House of Lord redeneert dat wanneer Blake uitbetaling van de royalties zou ontvangen, hij onmiddellijk wegens wanprestatie (een species van de onrechtmatige daad) verplicht zou zijn deze aan de Britse overheid af te dragen. De House of Lords kent de vordering van de Attorney-General daarom toe.
De vraag is dan of de twee benaderingen naast elkaar kunnen bestaan. Deze vraag houdt nauw verband met de plaats van de ongerechtvaardigde verrijking als bron van verbintenissen in de systematiek van het Burgerlijk Wetboek, naast de andere bronnen van verbintenissen. Een blik over de grens is hier leerzaam. Vooral in de Engelse literatuur is de vraag naar de plaats van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking naast de overige bronnen van verbintenissen aan de orde gekomen. In de volgende subparagraaf bespreek ik daarom hoe met deze vraag in de Engelse literatuur wordt omgegaan.