Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens
Einde inhoudsopgave
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/7.6:7.6 Conclusie
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/7.6
7.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. T.F. Walree, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. T.F. Walree
- JCDI
JCDI:ADS267402:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Europese Commissie, 24 juni 2020, ‘Commission Staff Working Document: Accompanying the document - COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT AND THE COUNCIL. Data protection as a pillar of citizens’ empowerment and the EU’s approach to the digital transition - two years of application of the General Data Protection’, SWD (2020) 115 final, p. 12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij aanvang van dit proefschrift ging ik uit van de premisse dat een doeltreffende bescherming van persoonsgegevens óók civielrechtelijke handhaving vereist. De urgentie voor civiele handhaving is onveranderd gebleven.1 Het recht op schadevergoeding is het enige civiele handhavingsinstrument dat de verwerkingsverantwoordelijke een aanzienlijke financiële stimulans geeft om de regels van het gegevensbeschermingsrecht na te leven. Het recht op schadevergoeding is aldus cruciaal in het kader van de handhaving en naleving van de AVG.
In dit proefschrift onderzoek ik in hoeverre het recht op schadevergoeding kan bijdragen aan de handhaving van het gegevensbeschermingsrecht. Bij het beantwoorden van die vraag heb ik verschillende voorwaarden voor een recht op schadevergoeding de revue laten passeren. Gelet op het geheel van de bevindingen kom ik tot de volgende conclusie.
Op dit moment draagt het recht op schadevergoeding onvoldoende bij aan de handhaving van het gegevensbeschermingsrecht. Dit heeft drie oorzaken:
Oorzaak 1
Ten eerste beheerst het nationale recht nog te veel het in artikel 82 AVG vastgelegde recht op schadevergoeding. Hoewel het schadebegrip autonoom dient te worden uitgelegd, kiezen Nederlandse rechters tot nu toe voor het toepassen van artikel 6:106 sub b BW. In het Nederlandse recht blijft ook onder de EBI-formule het uitgangspunt dat schade met concrete gegevens wordt onderbouwd. Een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens veroorzaakt echter in de regel geen aantoonbare (juridisch relevante) schade. Dit zorgt ervoor dat de betrokkene niet snel een recht op schadevergoeding heeft wegens de onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens.
Oorzaak 2
Ten tweede is de wel juridische relevante schade, materieel of immaterieel, vaak gering en is de omvang van een eventuele schadevergoeding onzeker. Dit kan aanleiding geven tot rationele apathie bij de betrokkene, waardoor de kans dat hij een procedure begint tegen de verwerkingsverantwoordelijke klein is. Een geringe of onzekere schadevergoeding heeft aldus een negatief effect op de handhaving van de AVG.
Oorzaak 3
Voor zover de materiële schade wél omvangrijk is, kan het voor een betrokkene lastig zijn om een causaal verband tussen de onrechtmatige verwerking en de schade aan te tonen. Dit kan komen omdat schade zich niet altijd direct verwezenlijkt of omdat de gegevens pas schade veroorzaken in combinatie met andere persoonsgegevens.
Het aanpakken van de eerste oorzaak bespreek ik in hoofdstuk 1 en 6. De rechter dient de vergoedbare schade van artikel 82 lid 1 AVG autonoom uit te leggen. Een autonome uitleg gaat uit van de context van de AVG en doelstellingen en belangen die de AVG en het Unierecht nastreven. Deze doelstellingen en belangen brengen met zich dat de betrokkene ook recht op vergoeding van immateriële schade kan hebben als de gevolgen van de onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens niet (heel) concreet zijn. Een schadevergoeding voor een onrechtmatige verwerking zonder concrete gevolgen moet alleen mogelijk zijn als het een substantiële inbreuk op de AVG betreft, waarbij het niet (kunnen) handhaven van die afbreuk doet aan de doeltreffendheid en volle werking van de AVG. In afwachting van een definitief oordeel van het Hof van Justitie over de mate waarin de betrokkene in aanmerking komt voor een schadevergoeding geef ik in paragraaf 7.1 een suggestie om te kunnen beoordelen of het een substantiële inbreuk betreft. Een oordeel van het Hof van Justitie over de vergoedbare schade van artikel 82 lid 1 AVG is uiteindelijk beslissend. Het is daarom zaak dat de (lagere) rechter zo spoedig mogelijk prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie (zie paragraaf 7.2)
In hoofdstuk 2 en 5 beschrijf ik oplossingen voor het probleem van verminderde handhaving die (mede) het gevolg is van de rationale apathie van de betrokkene. Een collectieve schadeclaim stelt betrokkenen in staat de financiële lasten van een procedure te delen. Hierdoor zullen zij sneller geneigd zijn tot handhaving van de AVG (hoofdstuk 2). Daarnaast kan een mogelijk recht op schadevergoeding voor concurrenten een flinke impuls geven aan de handhaving van het gegevensbeschermingsrecht (hoofdstuk 5). Zij hebben immers een groot belang bij de naleving van de AVG door concurrerende partijen. Voorts kan de rationele apathie worden ondervangen - of op zijn minst worden verminderd - door de introductie van een systeem met forfaitaire schadevergoedingen voor substantiële inbreuken op de AVG (zie paragraaf 7.3).
In hoofdstuk 1 bespreek ik enkele oplossingen ten aanzien van eventuele causaliteitsproblematiek. In welke mate de Nederlandse leerstukken van de alternatieve causaliteit en de proportionele aansprakelijkheid de eventuele bewijsnood van de betrokkene met betrekking tot het causaal verband kunnen verlichten, is nog onduidelijk. Uiteindelijk moet de rechter óók het causaal verband-vereiste met een Europese bril uitleggen. Het arrest Kone geeft aanleiding tot de gedachte dat een rechter het causaal verband-vereiste niet al te restrictief mag uitleggen, ten behoeve van de volle werking van de AVG. In het belang van die volle werking is het raadzaam dat de nationale rechter óók prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie stelt over de uitleg van het causaal verband (zie ook paragraaf 7.2). Tenslotte kan de Uniewetgever causaliteitsproblemen ondervangen door het introduceren van een forfaitair systeem, voor zover het gaat om substantiële inbreuken met materiële schade (zie paragraaf 7.3).