Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.2.2.2:5.2.2.2 Individuele beoordeling
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.2.2.2
5.2.2.2 Individuele beoordeling
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955537:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 2 augustus 1993, C-271/91, ECLI:EU:C:1993:335 (Marshall II), rov. 25. Zie ook Tobler 2005, p. 9-10.
HvJ EG 4 februari 1988, C-157/86, ECLI:EU:C:1988:62 (Murphy); HvJ EG 16 juli 1998, C-264/96, ECLI:EU:C:1998:370, (ICI), rov. 31-35. Zie ook ov. 32 Handhavingsrichtlijn.
HvJ EG 29 januari 2008, C-275/06, ECLI:EU:C:2008:54 (Promusicae), rov. 68 en 70.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De toelaatbaarheid van een maatregel, procedure of rechtsmiddel moet worden onderzocht met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval.1 Overweging 17 van de Handhavingsrichtlijn verwoordt deze gedachte expliciet door te bepalen dat de maatregelen waarin de richtlijn voorziet “in elk afzonderlijk geval zodanig [moeten] worden vastgesteld dat naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van dat geval, waaronder de specifieke kenmerken van elk intellectueel-eigendomsrecht en in voorkomend geval de opzettelijke of onopzettelijke aard van de inbreuk”. Dit contextuele karakter blijkt verder uit overweging 24, waarin is opgenomen dat ‘‘afhankelijk van het geval en zo de omstandigheden het rechtvaardigen, de vast te stellen maatregelen, procedures en rechtsmiddelen verbodsmaatregelen [moeten] omvatten ter voorkoming van nieuwe inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten’’.
Bij de individuele beoordeling spelen ook de grondrechten uit het Handvest een rol. De rechter is immers verplicht zijn nationale recht verdragsconform uit te leggen als het Unierecht van toepassing is.2 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat nationale autoriteiten en betrokken rechterlijke instanties bij de uitlegging van de toepasselijke richtlijn(en) moeten waarborgen dat een rechtvaardig evenwicht wordt gevonden tussen alle relevante grondrechten, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.3