Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/1.4
1.4 Een gemeenschap van redelijken
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS587304:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parret 1989, p. 15.
Parret 1989, p. 13.
Redelijkheid is, evenals het aanverwante begrip rationaliteit, in hoge mate 'situation-specific'. Vgl. Taliaferro 2005, p. 372, Commers 2011, p. 266 en Brown 1988, p. 195-196.
Vgl. onder (veel) meer Hesselink 1999a, p. 182, Keirse 2003, p. 117 en Schrama 2000, p. 127.
Aldus met betrekking tot o.m. Treu und Glauben: Larenz 1991, p. 223. Anders: Rlithers 2005, p. 48 e.v.
Vgl. Gadamer 1978, pp. 148-150 en 181, waar deze beschrijft dat Plato reeds betoogde dat naast 16yo; (rede) ook (ppóvti ot; (redelijkheid, oordeelkundigheid, morele verstandigheid) noodzakelijk is voor het (langs de weg van de dialectiek) verwerven van werkelijke kennis. Zie voorts Bernstein 1982, p. 823-845, m.n. p. 833. Zie over het begrip (pp6vtiot; in een juridische context voorts Smith 1998, p. 172 e.v. alsmede Hartendorp/Wagenaar 2004, p. 82 e.v. Zie over (ppóvnot; voorts Maris/Jacobs 1997, p. 69. Zie ook Schut, p. 129, Kornet 2006, p. 52, Assink 2007, p. 61 e.v. en Smith 1998, p. 151-198.
Zie Eggens 1949, p. 200: 'Want persoon is hij die zich van zichzelf bewust geworden is. En deze zelf-bewustwording, zelf-onderscheiding, zelf-objectivering als zedelijk wezen, houdt in dat men zich 'de anderen' bewust wordt als 'andere ikken', andere personen die ik te eerbiedigen heb 'als mijzelven', omdat zij — in hun anders-zijn — aan mij wezensgelijk (identiek) zijn.' Zie ook Nieuwenhuis 1989, p. 184 e.v., met verwijzing naar Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts, par. 36. Vgl. voorts Hijma 1988, p. 31 en 32. Zie voorts Larenz/ Wolf 2004, p. 284 en Van Woudenberg 1996, p. 290-291.
Zie (ook over het verschil tussen reason en rationality) Scanlon 1998, p. 192.
Aristoteles Ethica Nicomachea, Boek 5 (1107a1-5), p. 109.
Aristoteles Ethica Nicomachea, Boek 5 (1137b7-1138a3), p. 185. Vgl. Palandt 1985, § 242, sub ld: '§ 242 beruht auf dem Gedanken, daB jedem Recht sozialethische Schranken immanent sind; er verpflichtet zu einer sozial angem RAusBbg'. Vgl. voorts Larenz/Wolf 2004, p. 284 en Brown 1988, p. 183 e.v.
Parret 1989, p. 15. Zie ook Brown 1988, p. 187.
Liesmann 1999, p. 50. Vgl. De Kluiver 1992, p. 35.
Deze term is ontleend aan Commers 2009, p. 304. De term vertoont verwantschap met Perelman's concept van de 'universal audience', welke bestaat uit allen die 'enlightened' en 'reasonable' zijn. Zie voor een bespreking van Perelman's gedachtegoed op dit punt Alexy 2010, p. 160 e.v.
Vgl. Scanlon 1998, p. 268-269. Redelijkheid vormt, met andere woorden, een dispositie die niet enkel van de rechter mag worden gevorderd (vgl. Smith 1998, p. 179), maar van elk lid van de gemeenschap mag worden geëist.
Zie hierover ook Reurich 2005a, p. 22. Vgl. voorts Brown 1988, p. 183 en Bakker 1984, p. 220.
'Het maatschappelijk geheel en de rechtsgemeenschap zijn geen gescheiden grootheden.', aldus W.C.L. van der Grinten in Van der Grinten 1953, p. 28.
Zie over het verband tussen recht en gemeenschap ook Engisch 2005, p. 2: 'Das Recht aber ist Wesenselement der Gemeinschaft. Es geht uns dateer unvermeidlich an.'
Aldus Reurich 2005b, p. 49 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III*, nr. 401. Zie voorts Groene Serie Verbintenissenrecht, artikel 2 Boek 6 BW, aant. 4 en Memelink 2009, p. 193-194. Vgl. voorts Lindijer 2006, p. 531, Van Schilfgaarde 1997, p. 393-394, Larenz/Wolf 2004, t.a.p. en Hesselink 1999b, p. 688.
De in de voorgaande paragraaf vermelde visie kan niet als juist worden aanvaard. Redelijkheid is niet voorbehouden aan de rechter, maar is een diep in het maatschappelijke gebeuren geworteld, menselijk handelingspatroon, dat constitutief moet worden geacht voor elke vorm van zinvol menselijk samenleven.1 De Belgische filosoof Herman Parret schrijft:
"`(...) Het is immers voor het samenzijn en de interactie tussen personen van het grootste belang dat ze redelijk zijn: meer nog dan dat ze intelligent, efficiënt, grootmoedig en genereus zijn. Een aandurende onredelijkheid binnen de gemeenschap zou de mogelijkheid om met elkander samen te leven vernietigen."2
Leden van een gemeenschap dienen derhalve redelijk te handelen. Maar wat is redelijk handelen? Het contextgebonden karakter van de redelijkheid verhindert dat het antwoord hierop in steen gehouwen is. Wat redelijk handelen is, is steeds afhankelijk van contextuele factoren als tijd en plaats.3 Evenals bij andere open begrippen, zijn de omstandigheden van het geval steeds beslissend voor het antwoord op de vraag wat op zeker moment redelijk handelen te noemen is.4 Het begrip is om deze reden weliswaar niet vastomlijnd te noemen, maar is evenmin te beschouwen als een "pseudonormative Leerformel", waaraan willekeurig welke betekenis kan worden toegedicht. Aldus ook Karl Larenz, die opmerkt dat open begrippen, zoals redelijkheid, niet "schlechthin inhaltslos" zijn:
„Vielmehr enthalten sie jeweils einen spezifischen Rechtsgedanken, der sich zwar jeder begrifflichen Definition entzieht, aber durch allgemein akzeptierte Beispiele verdeutlicht werden kann."5
De betrekkelijke onscherpheid van het begrip redelijkheid laat onverlet dat de karakteristieken van redelijkheid en van redelijk gedrag steeds in grote lijnen dezelfde zijn. Zo kan over de redelijke persoon in algemene zin worden opgemerkt dat deze rationaliteit steeds aan ethisch besef weet te paren.6 Zijn rationaliteit is er, met andere woorden, niet enkel met het oog op het dienen van de eigen belangen, maar dient mede ter vervulling van de ethische plicht om de gerechtvaardigde belangen van de ander in het vizier te houden en aldus, om het met Eggens te zeggen, "de ander als persoon te respecteren".7 De redelijke mens denkt derhalve na alvorens te handelen, houdt in voldoende mate rekening met anderen en rekent zich niet rijker dan hij is.8 De redelijke persoon weet, kortom, steeds in alles het "juiste midden" te bewaren.9 In de woorden van Aristoteles:
"Het is niet iemand die in negatieve zin op zijn rechten staat, maar hij neemt met minder genoegen dan waarop hij recht heeft, hoewel hij de wet aan zijn zijde heeft. Zo'n man is redelijk en deze dispositie is redelijkheid; het is een vorm van rechtvaardigheid en niet een dispositie die daarvan verschilt."10
Redelijkheid kan, zo moge inmiddels duidelijk zijn, niet in afzondering worden betracht, het is geen solipsistische bezigheid. Het is bij uitstek een sociale praxis, het ligt aan de basis van het samenleven.11 Redelijkheid stelt de subjecten in staat om begrip voor elkaar op te brengen, om zich jegens elkaar behoorlijk en zorgvuldig, d.w.z. volgens elementaire regels van maatschappelijk fatsoen te gedragen.12 Door over en weer elkaars redelijkheid te vooronderstellen en te erkennen constitueren subjecten als het ware een "gemeenschap van redelijken",13 waarin ieder subject in beginsel wordt geacht redelijk te zijn en daarom door diezelfde gemeenschap te allen tijde op zijn redelijkheid(sgehalte) mag worden aangesproken.14 In zo'n gemeenschap dienen de subjecten steeds in te staan voor hun verklaringen en gedragingen en deze desgevraagd jegens (elkaar als leden van) de gemeenschap te kunnen verantwoorden.15Redelijkheid heeft ten opzichte van de samenleving derhalve een formerende en een normerende functie.
De samenleving is tegelijk ook rechtsgemeenschap.16 Leden van de samenleving maken automatisch ook deel uit van de rechtsgemeenschap.17 Het blijkens het voorgaande in de samenleving geldende redelijkheidsgebod (en de verantwoordingsplicht die daarvan de keerzijde vormt) is daarmee ook in de rechtsgemeenschap ten volle van kracht. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de in art. 6:2BW verankerde (basis)regel dat iedere schuldeiser en iedere schuldenaar verplicht zijn "zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid." Omdat deze regel moet worden gezien als een afgeleide van het hiervoor genoemde algemene maatschappelijke redelijkheidsgebod is het niet verwonderlijk dat de toepassing van deze regel in de praktijk niet tot verhoudingen van enkel schuldeisers en schuldenaren is beperkt. Gezegd wordt dan ook wel dat deze grondregel van het verbintenissenrecht het gehele vermogensrecht "doorschrijdt en overschrijdt.18