Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.8.1
VI.8.1 Rechtspraak van het EHRM
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598630:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CRM 22 juli 1992, nr. 408/1990 (W.J.H./Nederland); CRM 23 oktober 1992, nr. 432/1990 (W.B.E./Nederland); CRM 30 oktober 2003, nr. 868/1999, par. 6.5 (Wilson/Filipijnen), resp. Richtlijn 2016/343, overweging 12. Zie daarover nader § VI.2.1.2, resp. § VI.2.1.4.
Zie daarover hiervoor § VI.2.1.3.
Zie voor een rechtspraakoverzicht par. 98 van EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans (Allen/Verenigd Koninkrijk).
Zie o.a. EHRM 25 augustus 1987, nr. 10282/83, par. 36 (Englert/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 25 augustus 1993, nr. 13126/87, NJ 1994, 1, m.nt. Knigge, par. 25 (Sekanina/ Oostenrijk); EHRM 26 januari 1999, nr. 30087/97, dec. (Hibbert/Nederland); EHRM 13 januari 2005, nr. 42914/98, par. 23 (Capeau/België); EHRM 9 februari 2005, nr. 44760/98, EHRC 2005/1, m.nt. Fernhout, par. 30 (Del Latte/Nederland); EHRM 13 juli 2010, nr. 25720/05, par. 36 (Tendam/Spanje); EHRM 31 oktober 2013, nr. 8045/10, par. 22 (Mosinian/Griekenland). Een recht op schadevergoeding bestaat wel voor met art. 5 EVRM strijdig voorarrest, zie art. 5 lid 5 EVRM.
EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79, NJ 1986, 698, m.nt. Alkema, par. 34-35 (Minelli/Zwitserland); EHRM 12 mei 2005, nr. 55705/00, dec. (McHugo/Zwitserland).
Bijv. EHRM 11 februari 2003, nr. 56568/00, par. 41 (Y./Noorwegen); EHRM 14 januari 2010, nr. 29889/04, par. 70 (Vanjak/Kroatië).
Zie voor een zaaks- en staatsgewijze analyse ook de conclusie van A-G Langemeijer vóór HR 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6967.
Zie ECieRM 9 oktober 1985, nr. 10282/83, rep. (Englert/Bondsrepubliek Duitsland): “[...] it is mainly a matter of degree whether a formulation [...] violates Art 6(2)”. Vgl. ook Keijzer, annotatie bij: EHRM 28 april 2005, nr. 72758/01, NJ 2005, 569, EHRC 2005/60 (A.L/Duitsland): “ook een schuldigverklaring is een verdenking, zij het een met meer overtuiging”.
Zie onder vele EHRM 25 augustus 1987, nr. 10300/83 (Nölckenbockhoff/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 25 augustus 1987, nr. 9912/82, NJ 1988, 938 m.nt. Alkema, par. 63 (Lutz/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 28 oktober 2003, nr. 44320/98, NJ 2004, 261, NJCM-bull. 2004, p. 234-238, m.nt. Myjer (Baars/Nederland). EHRM 29 juni 2006, nr. 11901/02, par. 70 (Panteleyenko/Oekraïne); EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans, par. 121 (Allen/Verenigd Koninkrijk); EHRM 23 juni 2015, nr. 34456/07, par. 76 (Caraian/Roemenië).
Zie o.a. EHRM 25 augustus 1987, nr. 10300/83, par. 40 (Nölckenbockhoff/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 26 maart 1996, nr. 17314/90, par. 29 (Leutscher/Nederland); EHRM 28 april 2005, nr. 72758/01, NJ 2005, 569, m.nt. Keijzer, par. 38 (A.L./Duitsland); EHRM 17 november 2015, nr. 60879/12, dec., par. 72 (Rupp/Duitsland).
Bijv. EHRM 28 oktober 2003, nr. 44320/98, NJ 2004, 261, NJCM-bull. 2004, p. 234-238, m.nt. Myjer (Baars/Nederland).
EHRM 25 augustus 1993, nr. 13126/87, NJ 1994, 1, m.nt. Knigge, par. 28 (Sekanina/Oostenrijk).
EHRM 9 februari 2005, nr. 44760/98, EHRC 2005/1 m.nt. Fernhout (Del Latte/Nederland) wekt enigszins de indruk dat dat anders is bij een ‘technische vrijspraak’. De verdachte was vrijgesproken van mishandeling, en de over schadevergoeding oordelende rechter stelde vast dat bedreiging wel bewezen had kunnen worden. Dat het EHRM – ondanks de vrijspraak – overwoog dat “describing a state of suspicion” wél toelaatbaar zou zijn geweest, suggereert dat een technische vrijspraak doorgaat voor een discontinuation. Vgl. Stevens, ‘Artikel 271 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen,aant. 7.12. In het arrest maakt het Hof van een verschil in benadering na acquittal enerzijds en na discontinuation anderzijds echter geen gewag en veegt het beide op één hoop (par. 30). Dat duidt eerder op een onbewuste inconsistentie dan op een principiële beslissing. Zo begrijpt ook de Grote Kamer die uitspraak, zie EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans, par. 122 (Allen/Verenigd Koninkrijk). Vgl. ook Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 630.
Zie o.a. EHRM 25 augustus 1993, nr. 13126/87, NJ 1994, 1, m.nt. Knigge, par. 30 (Sekanina/Oostenrijk); EHRM 21 maart 2000, nr. 28389/95, par. 31 (Rushiti/Oostenrijk); EHRM 13 juli 2010, nr. 25720/05 (Tendam/Spanje); EHRM 10 april 2012, nr. 32075/09, par. 44 (Lorenzetti/Italië); EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans, par. 122 (Allen/Verenigd Koninkrijk); EHRM 16 februari 2016, nr. 53465/11, par. 39 (Vlieeland Boddy en Marcello Lanni/Spanje). Zo ook Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 464-465. Zie voor twee andere interpretaties van deze rechtspraak Kwakman 2003, p. 190-191, voetnoot 353; Keulen 2004, p. 106.
Na discontinuation van de strafprocedure: EHRM 13 januari 2005, nr. 42914/98 (Capeau/ België). Na vrijspraak: EHRM 13 juli 2010, nr. 25720/05 (Tendam/Spanje); EHRM 10 april 2012, nr. 32075/09, par. 46 (Lorenzetti/Italië); EHRM 16 februari 2016, nr. 53465/11 (Vlieeland Boddy en Marcello Lanni/Spanje).
EHRM 18 januari 2011, nr. 45482/06, NJ 2012, 418, EHRC 2011/80, par. 43 (Bok/Nederland). Zie daarover uitgebreider § VIII.6.3.
ECieRM 24 oktober 1995, nr. 22401/93, dec. (D.F./Verenigd Koninkrijk); ECieRM 16 oktober 1996, nr. 22613/93, rep. (Moody/Verenigd Koninkrijk); EHRM 15 december 2011, nrs. 35730/07 en 4285/08, NJ 2013, 35, m.nt. Van Kempen, par. 50 (Ashendon en Jones/Verenigd Koninkrijk). EHRM 10 april 2012, nr. 32075/09, par. 47 (Lorenzetti/Italië); EHRM 9 februari 2016, nr. 60056/08, par. 30 (Cheema/België).
ECieRM 24 oktober 1995, nr. 22401/93, dec. (D.F./Verenigd Koninkrijk); ECieRM 16 april 1998, nr. 37107/97, dec. (Byrne/Verenigd Koninkrijk); EHRM 15 december 2011, nrs. 35730/07 en 4285/08, NJ 2013, 35, m.nt. Van Kempen, par. 54 (Ashendon en Jones/Verenigd Koninkrijk).
Zie tegen de achtergrond van het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel kritisch: Uit Beijerse & Dane 1996, p. 28; Van Kempen, annotatie bij: EHRM 15 december 2011, nrs. 35730/07 en 4285/08, NJ 2013, 35 (Ashendon en Jones/Verenigd Koninkrijk).
Zie o.a. EHRM 21 maart 2000, nr. 28389/95, par. 31 (Rushiti/Oostenrijk); EHRM 20 december 2001, nr. 33730/96, par. 25 (Weixelbraun/Oostenrijk); EHRM 18 mei 2010, nr. 21167/08, dec., NJ 2011, 520, m.nt. Reijntjes (Bousana/Nederland); EHRM 15 januari 2015, nr. 48144/09 (Cleve/Duitsland).
Schuldvaststelling in een beslissing tot beëindiging van de vervolging schendt art. 6 lid 2, zie EHRM 21 september 2006, nr. 8599/02 (Grabchuk/Oekraïne); EHRM 2 oktober 2012, nr. 40094/05 (Virabyan/Armenië); EHRM 28 oktober 2014, nr. 60101/09 (Peltereau-Villeneuve/Zwitserland). Gelet op de aanvullende bescherming van de vrijspraak moet dat a fortiori gelden voor schuldvaststellingen in een vrijsprekend vonnis.
Zo expliciet EHRM 15 januari 2015, nr. 48144/09 (Cleve/Duitsland); EHRM 17 november 2015, nr. 60879/12, dec. (Rupp/Duitsland).
In EHRM 17 november 2015, nr. 60879/12, dec., par. 68 (Rupp/Duitsland) besliste de rechter in een vrijsprekend vonnis ook direct afwijzend op het schadevergoedingsverzoek van de verdachte. Bepalend (“decisive”) voor de niet-ontvankelijkheid van de klacht lijkt te zijn geweest dat de door de rechter geuite restverdenking zich beperkte tot de motivering van de vrijspraak en geen onderdeel uitmaakte van de motivering van de afwijzing van het schadevergoedingsverzoek.
EHRM 18 mei 2010, nr. 21167/08, dec., NJ 2011, 520, m.nt. Reijntjes (Bousana/Nederland).
Zie bijv. EHRM 14 januari 2010, nr. 29889/04, par. 68-70 (Vanjak/Kroatië), respectievelijk EHRM 12 april 2011, nr. 34388/05, par. 31-32 (Çelik (Bozkurt)/Turkije).
EHRM 11 februari 2003, nr. 34964/97, par. 38 (Ringvold/Noorwegen); EHRM 11 februari 2003, nr. 56568/00, par. 41-42 (Y./Noorwegen); EHRM 8 juli 2004, nr. 4248/02, dec. (Reeves/Noorwegen); EHRM 15 mei 2008, nr. 31283/04, par. 49 (Orr/Noorwegen); EHRM 19 april 2011, nr. 50172/06, par. 37-38 (Erkol/Turkije); EHRM 7 februari 2012, nr. 124/04, par. 58-60 (Diacenco/Roemenië); EHRM 11 februari 2014, nr. 69122/10, par. 61 (Vella/ Malta); EHRM 18 december 2014, nr. 27473/11, par. 42 (N.A./Noorwegen).
EHRM 11 februari 2003, nr. 56568/00 (Y./Noorwegen); EHRM 19 april 2011, nr. 50172/06 (Erkol/Turkije); EHRM 7 februari 2012, nr. 124/04 (Diacenco/Roemenië).
EHRM 11 februari 2003, nr. 34964/97 (Ringvold/Noorwegen).
EHRM 15 mei 2008, nr. 31283/04 (Orr/Noorwegen).
EHRM 14 januari 2010, nr. 29889/04, par. 71 (Vanjak/Kroatië).
Zie Judge Power in haar concurring opinion bij EHRM 18 januari 2011, nr. 45482/06, NJ 2012, 418, EHRC 2011/80 (Bok/Nederland); Judge Sajó dissenting bij EHRM 19 april 2011, nr. 50172/06, par. 39 (Erkol/Turkije); Judge De Gaetano in zijn dissenting opinions bij EHRM 15 december 2011, nrs. 35730/07 en 4285/08, NJ 2013, 35, m.nt. Van Kempen (Ashendon en Jones/Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans (Allen/Verenigd Koninkrijk); Judges De Gaetano en Yudkivska dissenting bij EHRM 27 maart 2014, nr. 54963/08 (Müller/Duitsland) en Judges Berro-Lefèvre e.a. dissenting bij EHRM 23 oktober 2014, nr. 27785/10 (Melo Tadeu/Portugal).
EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans (Allen/Verenigd Koninkrijk).
Judges De Gaetano en Yudkivska dissenting bij EHRM 27 maart 2014, nr. 54963/08 (Müller/Duitsland).
Keijzer, annotatie bij: EHRM 28 april 2005, nr. 72758/01, NJ 2005, 569 (A.L./Duitsland), punt 6. Zie voor vergelijkbare kritiek Schuyt 2005, p. 1146; Van Kempen, annotatie bij: EHRM 15 december 2011, nrs. 35730/07 en 4285/08, NJ 2013, 35 (Ashendon en Jones/Verenigd Koninkrijk), punt 10-12.
De aard van het onschuldvermoeden brengt mee dat een onherroepelijke veroordeling de gelding ervan beëindigt. Ook waar het strafproces afloopt zonder veroordeling, maar uitmondt in bijvoorbeeld een vrijspraak, een niet-ontvankelijkverklaring of een sepot, houden artikel 14 lid 2 IVBPR en de richtlijn op te gelden.1 Het EHRM daarentegen, kent aan de onschuldpresumptie na afloop van de strafprocedure aanzienlijk gewicht toe en constateert met regelmaat schendingen van het verdrag in die context.
De behandelingsdimensie is volgens het Hof van toepassing op een na afronding van de strafzaak genomen beslissing, indien die beslissing met de strafzaak een zeker verband houdt. Daarvoor is niet veel nodig. Refereert de (motivering van) de latere beslissing aan de betrokkenheid van de verdachte bij het strafbare feit waarvoor hij niet is veroordeeld, dan is dat voldoende voor het bestaan van een verband.2 De actieradius van de behandelingsdimensie na afloop van de strafzaak is derhalve groot. Zij moet onder meer in acht worden genomen bij beslissingen over proceskostenveroordeling, schadevergoeding voor ondergane dwangmiddelen of onterechte vervolging, verzoeken om vergoeding van gemaakte onkosten, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, ontslag uit dienstverband, de afwijzing van verzekeringsclaims en de civiele vordering van een vermeend slachtoffer.3 Het beginsel bestrijkt aldus ook vele beslissingen van niet-punitieve en/of niet-strafrechtelijke aard.
Vooropgesteld moet worden dat de na afloop van een strafzaak genomen beslissingen als zodanig zelden een schending van de onschuldpresumptie zullen opleveren. De weigering van schadevergoeding voor ondergane voorlopige hechtenis, gemaakte reis- en advocaatkosten of de weigering van beide is – op zichzelf – met artikel 6 lid 2 te rijmen.4 Dat is niet anders als het schadevergoeding voor ondergane gevangenisstraf betreft.5 Een veroordeling in proceskosten van de aanklager is eveneens toelaatbaar.6 Evenmin staat het einde van een strafzaak zonder veroordeling principieel in de weg aan een civiele of tuchtrechtelijke procedure en veroordeling met betrekking tot dezelfde feiten.7
Daardoor hangt veel af van de voor de desbetreffende beslissing gegeven motivering.8 Globaal hanteert het Hof voor twee categorieën beslissingen uiteenlopende maatstaven. Aanvankelijk kreeg het EHRM louter te maken met klachten tegen beslissingen die naar hun aard geen herbeoordeling van feiten en omstandigheden van het delict vergen, zoals beslissingen tot veroordeling in de proceskosten of de afwijzing van een schadevergoedingsverzoek van de gewezen verdachte. Het daarvoor geldende toetsingskader is strenger dan wanneer de beslissende autoriteit is gehouden zich uit te spreken over dezelfde feiten, zoals in een door het slachtoffer aangespannen civiele procedure of een tuchtzaak over hetzelfde delict.
Voor de eerste categorie hanteert het Hof in grote lijnen dezelfde benadering als ten aanzien van publieke uitlatingen over lopende strafzaken. Bepalend is ook hier het graduele9 en veelal subtiele onderscheid tussen ontoelaatbare findings of guilt en geoorloofde voicing of suspicions.10 De gebruikte bewoordingen zijn daarbij het meest zwaarwegend, maar de aard van de te nemen beslissing speelt bij de uitleg daarvan een rol. Gaat het bijvoorbeeld om “measures that can be equated with a penalty”, dan wordt een ongelukkige formulering minder welwillend begrepen dan wanneer dat niet het geval is.11
In Sekanina/Oostenrijk bracht het Hof een nuancering aan, die voor uitlatingen over lopende strafzaken niet opgaat. Sindsdien is van belang of de strafvervolging is afgebroken (discontinuation) of heeft geresulteerd in een vrijspraak (acquittal). Onder een discontinuation moet niet alleen de vroegtijdige beëindiging van de strafzaak, maar ook een negatief antwoord op één van de voorvragen van artikel 348 Sv worden verstaan.12 Bij een acquittal gaat het om een final decision on the merits,13 waaronder derhalve ook het Nederlandse ontslag van alle rechtsvervolging en de onzuivere vrijspraak vallen.14 Na een definitieve beslissing ten gronde is naast schuldvaststelling in beginsel ook de voicing of suspicions niet langer toelaatbaar.15 Dan is het Hof voor de partijstaten dus aanzienlijk strenger.
Deze vaste uitgangspunten zijn aan te vullen met meerdere subregels waarvan de bestendigheid minder zeker is. Het EHRM lijkt onder meer ongeoorloofd te achten zonder voorbehoud of nadere nuancering een schadevergoeding af te wijzen op de grond dat de gewezen verdachte zijn onschuld niet heeft aangetoond.16 Daarmee staat het criterium dat de Nederlandse civiele rechter hanteert bij een vordering tot schadevergoeding uit rechtmatige overheidsdaad op gespannen voet. In Bok/Nederland kwam gebruik van het ‘gebleken onschuld’-criterium de Nederlandse civiele rechter nochtans niet op schending te staan, omdat het om een aanvullende schadevergoeding ging die door de gewezen verdachte was verzocht, terwijl hem op basis van artikel 591a Sv reeds een gedeeltelijke vergoeding was toegekend.17 Afwijzing van schadevergoeding kan in het algemeen – en ook na vrijspraak – wel worden gegrond op afkeuring van het gedrag van de verdachte.18 Terwijl een strafrechtelijk verwijt achterwege moet blijven, mag een moreel verwijt kennelijk wel reden voor afwijzing van een schadevergoedingsverzoek zijn. Het onderscheid daartussen is niet altijd scherp te maken, waardoor veel aankomt op de bereidheid van het Hof om de nationale rechter welwillend te begrijpen. Naast het gedrag van de verdachte ten tijde van het vermeende delict, mag ook de gekozen proceshouding van de verdachte in de motivering van een beslissing worden betrokken.19 Een dergelijke prikkel om geen gebruik te maken van het zwijgrecht, stuit inderdaad niet op aan de onschuldpresumptie verbonden bezwaren. Wel zet dat het zwijgrecht zelf onder druk.20 Veelvuldig overwogen is voorts dat na vrijspraak ”the voicing of any suspicions of guilt, including those expressed in the reasons for the acquittal, is incompatible with the presumption of innocence”.21Findings of guilt zijn ook ter motivering van een vrijspraak ontoelaatbaar,22 maar een vrijsprekend vonnis biedt aldus zelf wel de ruimte om restverdenking te articuleren.23 Opvallend genoeg acht het Hof voor de toelaatbaarheid daarvan cruciaal dat de uiting van resterende vermoedens onderdeel uitmaakt van de motivering van de vrijspraak en niet onderdeel is van een in dezelfde uitspraak genomen nevenbeslissing. 24Dat de vrijsprekende rechter zelf twijfel heeft geuit over de onschuld van de verdachte, geeft ondertussen niet de bevoegdheid aan een andere overheidsfunctionaris om kenbaar te maken dat hij die twijfels deelt, zo blijkt tevens uit het hiervoor geciteerde. In Bousana/Nederland had dat evenwel geen verdragsschending tot gevolg, omdat de over een schadevergoedingsverzoek oordelende rechter ermee had volstaan de vrijsprekende rechter letterlijk te citeren.25
Dit toetsingskader valt soms tamelijk streng uit. Dat leidt dan wel eens tot onbevredigende uitkomsten, zeker wanneer bij de na de strafzaak te nemen beslissing de feiten die centraal stonden in het strafproces opnieuw onderwerp van discussie zijn. Het belangrijkste voorbeeld is de civielrechtelijke beslissing over de schadevergoedingsvordering van het vermeende slachtoffer. De bovengenoemde benadering zou zulke procedures vooral na een vrijspraak haast onmogelijk maken. Dat is in geval van de vordering van het slachtoffer temeer problematisch, nu artikel 6 lid 1 EVRM dat slachtoffer een effectief recht op toegang tot de civiele rechter garandeert. Daarom hanteert het Hof een minder strikte maatstaf, die het overeenkomstig heeft toegepast op beslissingen in tucht- en administratiefrechtelijke procedures over dezelfde feiten.26 Waar het bij dit soort beslissingen doorgaans op aankomt is of de latere beslissing “contains a statement imputing criminal liability to the respondent party”.27 Kortom, alleen wanneer de rechter zich specifiek en expliciet uitlaat over de strafrechtelijke schuld van de verdachte is sprake van toepasselijkheid en schending van artikel 6 lid 2 EVRM. De na de strafzaak oordelende autoriteit mag zich dus wel over de gebeurtenissen uitlaten, maar daaraan geen strafrechtelijke kwalificatie verbinden.
Het EHRM gaat tamelijk meticuleus na of het latere oordeel alle strafbaarheidsvoorwaarden als vervuld beschouwt. De nationale rechter mag niet onomwonden oordelen dat de verdachte het strafbare feit heeft begaan.28 Delicater ligt het wanneer de burgerlijke rechter in feitelijke bewoordingen omschrijft wat de verdachte precies heeft gedaan ten tijde van het delict. In Ringvold/Noorwegen was het oordeel van de Noorse rechter dat “sexual abuse had occured” niet in strijd met de onschuldpresumptie. Die overweging hield niet in dat alle voorwaarden voor strafbaarheid vervuld waren.29 In Orr/ Noorwegen was de onschuldpresumptie wel geschonden, omdat de beschrijving van de feitelijke gebeurtenissen alle strafbaarheidsvereisten besloeg, inclusief de subjectieve bestanddelen.30 Ook Vanjak/Kroatië is illustratief. Tuchtrechtelijke sanctionering schond de onschuldpresumptie niet, omdat “the constitutive elements of the disciplinary and the criminal offences in question were not identical”.31
Op de hierboven globaal geschetste rechtspraak van het Hof bestaat kritiek. Ook vanuit ’s Hofs eigen gelederen.32 Deze jurisprudentie was al tamelijk ca- suïstisch, maar de Grote Kamer deed daar in 2013 nog een schepje bovenop door de eigen rechtspraak als volgt samen te vatten:
“[T]here is no single approach to ascertaining the circumstances in which that Article will be violated in the context of proceedings which follow the conclusion of criminal proceedings. As illustrated by the Court’s existing case-law, much will depend on the nature and context of the proceedings in which the impugned decision was adopted. [...] In all cases and no matter what the approach applied, the language used by the decision-maker will be of critical importance in assessing the compatibility of the decision and its reasoning with Article 6 § 2. [...] However, when regard is had to the nature and context of the particular proceedings, even the use of some unfortunate language may not be decisive.”33
De kritiek laat zich raden. De door het Hof geboden flexibiliteit gaat ten koste van de voorspelbaarheid, en leidt volgens sommige Straatsburgse rechters zelfs tot willekeur:
“[T]o speak of ‘unfortunate language used’ and then to distinguish between unfortunate language that is in violation of the presumption of innocence and unfortunate language which is not, merely shoves the problem into the realm of the aleatory”.34
Een tweede punt van kritiek is dat de grote nadruk op de in een beslissing gekozen formulering en de vaak minutieuze analyse daarvan, de onschuldpresumptie – om met Keijzer te spreken – tot een “woordenspel” maken. Dat ontmoedigt uitgebreide en transparante motivering.35 De wel en niet geaccepteerde bewoordingen liggen soms dicht bij elkaar, zo bleek hiervoor. De rechter wordt gestimuleerd zo min mogelijk te motiveren en in het bijzonder zijn gedachten of de verdachte ‘het gedaan heeft’, voor zich te houden. Zulke overwegingen zullen dikwijls een rol spelen en dat lijkt ook niet altijd onredelijk. Vooral bij het nemen van niet-punitieve beslissingen op het eigen initiatief van de verdachte, lijkt het niet steeds nodig de gewezen verdachte zo vergaand te beschermen tegen een herbeoordeling van zijn schuld. De gewezen verdachte die niet het risico wil lopen dat over zijn schuld twijfels wor- den uitgesproken en daarvan reputatieschade te lijden, kan immers van bijvoorbeeld de indiening van een schadevergoedingsverzoek voor ondergane dwangmiddelen zelf afzien.