Zaaksvervanging
Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/1.4:1.4 Plan van aanpak
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/1.4
1.4 Plan van aanpak
Documentgegevens:
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS623040:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
7.
Dit proefschrift volgt in zijn opbouw de hierboven aangegeven lijn. In dit eerste hoofdstuk wordt in paragraaf 1.5 en 1.6 aandacht besteed aan de verschillende definities van zaaksvervanging en komen twee verschillende benaderingen van zaaksvervanging aan bod. In dit hoofdstuk wordt eveneens reeds een keuze gemaakt voor de centrale benadering van zaaksvervanging. Voor het verdere onderzoek is het daarna noodzakelijk een beeld te hebben van de toepassingen die in de literatuur onder zaaksvervanging worden geschaard. In hoofdstuk 2 passeren daarom de bepalingen van zaaksvervanging uit het BW de revue en worden zij in rechtsvergelijkend perspectief geplaatst. Daarmee is het overzicht van het onderzoeksterrein voltooid en wordt begonnen met de beantwoording van de centrale vragen. In hoofdstuk 3 sta ik uitgebreid stil bij het doel dat met zaaksvervanging bereikt moet worden en de achter zaaksvervanging liggende gedachte. De theorieën die hierover in de loop der jaren zijn ontwikkeld, vormen hierbij de basis. Deze wijzen in de richting van het verbod op ongerechtvaardigde verrijking, hetgeen aanleiding is geweest om art. 6:212 BW aan een nader onderzoek te onderwerpen en de uitkomsten hiervan met zaaksvervanging te vergelijken. Behalve de ratio van zaaksvervanging, verdient zoals gezegd de wijze waarop zaaksvervanging tot behoud van rechten leidt de aandacht. Uitgaande van de slotsom van het eerste hoofdstuk, namelijk dat zaaksvervanging gepaard gaat met de verkrijging van een nieuw recht, wordt in het vierde hoofdstuk gekeken waar dit recht vandaan komt. Daarbij dienen zich twee opties aan. Het recht kan originair worden verkregen of door middel van een op middellijke vertegenwoordiging gebaseerde vestiging worden geconstrueerd. Beide methoden worden op hun merites beoordeeld.
Het beeld van de ratio en methode van zaaksvervanging dat uit deze twee hoofdstukken voortkomt, bepaalt wat dogmatisch gezien naar Nederlands recht onder zaaksvervanging moet worden verstaan. Aan de hand van deze conclusies worden in hoofdstuk 5 de algemene toepassingvereisten voor en gevolgen van zaaksvervanging uitgewerkt. Hierbij wordt onder andere een antwoord geformuleerd op de vraag in hoeverre voor toepassing van zaaksvervanging een wettelijke grondslag noodzakelijk is. Na deze theoretische beschouwingen wordt in hoofdstuk 6 stilgestaan bij de praktische problemen die bijvoorbeeld vermenging en tenaamstelling van vorderingen met zich brengen en die het optreden van zaaksvervanging kunnen doorkruisen.