Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/1.5
1.5 Terminologie
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS623493:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-12006, nr. 50; Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 298; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 25.
Wanneer in het navolgende over het object van een recht wordt gesproken, ziet dit op aIle goederen en niet uitsluitend op zaken (dus goederen met een fysieke vorm). Overigens wordt ook in Duitsland met de terminologie gestoeid, zie Coester-Waltjen 1996, p. 24: 'Dingliche Surrogation bedeutet nun nicht – wie der Name eigentlich nahelegt – dass es hier nur um die Surrogation von Sachen geht, vielmehr son damit zum Ausdruck gebracht werden, dass die Vermögenszurechnung unmittelbar und automatisch Kraft Gesetzes erfolgt. Treffender wire daher der Ausdruck 'unmittelbare Surrogation'.' Evenzo Wolf 1975-1976, p. 645.
Zie bijv. Hammerstein 1977, p. 3; Rodrigues Lopes 1992, p. 401; Voûte 1993, p. 105; Mijnssen 2003, p. 48.
Daamaast wordt conversie gebruikt, zie bijvoorbeeld A-G Rank-Berenschot onder 3.10 bij HR 6 februari 2009, NJ 2009, 344 en Van Straaten 2009, onder 2. Deze term wordt echter al gebruikt voor andere juridische figuren, zoals de omzetting van nietige of vernietigde rechtshandelingen (zie hierover bijvoorbeeld Janssen, Conversie in het goederenrecht, WPNR (2008) 6754) en bij pensioenaanspraken (zie hierover bijvoorbeeld Dietvorst, Tot de dood ons (pensioen) scheidt, WPNR (2007), 6704).
Zie ook Janssen 1992, p. 170.
Zie Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 294; Pitlo 1952, p. 101.
Zie Sagaert 2003, p. 7. Zie ook Hammerstein 1977, p. 3.
Zie ook par. 3.2.3.
De term zaaksvervanging wordt gehanteerd door: Wammes 1988, p. 132; Mijnssen 1993, p. 340; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 689 en 756; Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 298; Mijnssen 2003, p. 48; Perrick 2008, nt. 1; Breederveld 2008, p. 165. Voor substitutie wordt onder anderen gekozen door: Asser/Van Mierlo/Mijnssen/Van Velten 3-III, nr. 25; Hijma/Olthof 2008, nr. 257; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 294; Van Gaalen 2001, p. 91; Bos 2005, p. 29; Steneker 2005, p. 57; Verdaas 2008, nr. 296; Van der Velden 2008, p. 101; Van Straaten 2009, onder 2; Mijnssen/Van Mierlo 2009, p. 39.
Zie Struycken 2007, p. 724.
8.
Uit de aan het begin van dit hoofdstuk gegeven voorbeelden blijkt dat de term zaaksvervanging enigszins misleidend is. Behalve zaken zijn vrijwel in alle gevallen ook andere goederen bij de wijzigingen betrokken. Langemeijer heeft in 1927 onder het oude recht het begrip zaaksvervanging in het Nederlandse recht geïntroduceerd. De tegenwoordige terminologische onzuiverheid is het gevolg van de aanpassing van betekenis van de termen zaak en goed bij de invoering van het nieuwe BW 1992.1 Nu de wetgever immers zaken in art. 3:2 BW heeft gedefinieerd als voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten en goederen in art. 3:1 BW als zaken en vermogensrechten, is de verwijzing naar zaken onvolledig.2
Het is denkbaar de term aan te passen aan de terminologie van het nieuw BW en in het vervolg van goedsvervanging3 te spreken of als alternatief het begrip substitutie te gebruiken om de in dit proefschrift centraal staande figuur aan te duiden.4 Beide mogelijkheden bieden naar mijn mening echter weinig toegevoegde waarde en zijn ieder op zich ook niet geheel correct. Zij blijven namelijk naar een vervanging verwijzen, terwijl van een volledige vervanging lang niet altijd sprake is. Wanneer bijvoorbeeld een onroerende zaak met een hypotheekrecht is belast en het huis door de bliksem wordt getroffen, treedt zaaksvervanging op ten aanzien van de verzekeringspremies op grond van het eerder genoemde art. 3:229 BW. Een zuivere vervanging is dit echter niet, omdat het oorspronkelijke hypotheekrecht (ook) op de overgebleven, zwartgeblakerde ruïne en de grond blijft rusten.5 Daarbij wordt de term substitutie ook gebruikt om verbintenisrechtelijke vervangingen aan te duiden, zoals in het geval van doorgeven van een volmacht (art. 3:64 BW) en bij roeping van derden in het oude erfrecht (art. 929 (oud) BW).6 Het gebruik van dezelfde term voor verschillende figuren komt de helderheid niet ten goede.
De derde mogelijkheid, zakelijke subrogatie, wordt door Sagaert geprefereerd. Deze term speelt zijns inziens beter in op de gevolgen van de rechtsfiguur, doordat de nadruk wordt gelegd op de continuïteit van de rechtsverhouding ondanks het wijzigen van een essentieel bestanddeel, dat het fundamentele gevolg vormt van subrogatie.7 Zij sluit bovendien aan bij de in Duitsland gehanteerde term 'dingliche Surrogation'. De vergelijking met de verbintenisrechtelijke figuur van subrogatie vormt echter niet het uitgangspunt van deze studie, waarin zaaksvervanging primair vanuit het goederenrecht wordt benaderd. De aanduiding 'zakelijke subrogatie' heeft om die reden niet mijn voorkeur.8
Daarnaast zijn de terugkerende onjuistheden in andere termen en het feit dat zaaksvervanging een ingeburgerd begrip is redenen om deze aanduiding te blijven gebruiken.9 Van een begripsmatige verwarring die ten koste gaat van de rechtszekerheid10 is net zo min sprake als bij een sinds jaar en dag gebruikt begrip als zaaksgevolg, dat na de invoering van het BW in 1992 ook niet is omgedoopt tot goedsgevolg. Het ontbreken van een bevredigend alternatief en de bekendheid van de term zaaksvervanging maken dat er mijns inziens geen reden is de terminologie op dit punt aan te passen.