Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.6.1:12.6.1 Inleiding en plan van behandeling
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.6.1
12.6.1 Inleiding en plan van behandeling
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491757:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 12.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat wordt bedoeld met regels over fiscale aanspraken spreekt in het algemeen goed tot de verbeelding. Het gaat dan namelijk bijvoorbeeld over aanspraken op voorwaartse verrekening van verliezen in de zin van art. 20 Wet VPB 1969. Met voorschriften met betrekking tot overige fiscale posities doel ik op de posities, niet zijnde vennootschapsbelastingclaims, die de splitsingspartners innemen bij de toepassing van diverse regelingen in de Wet VPB 1969. Het gaat dan bijvoorbeeld over posities met betrekking tot de liquidatieverliesregeling. Voordat deze regels worden geëvalueerd, dient eerst het toetsingskader nader te worden geconcretiseerd (onderdeel 12.6.2). Vervolgens staan in drie aparte onderdelen de regels over fiscale aanspraken centraal. Eerst wordt de kern van die regels geschetst (onderdeel 12.6.3). Vervolgens gaat de aandacht uit naar de lotgevallen van fiscale aanspraken bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing (onderdeel 12.6.4). Daarna wordt de focus gelegd op de wijze waarop fiscale aanspraken na het (af)splitsingstijdstip worden verrekend (onderdeel 12.6.5). Afsluitend komen de volgende overige fiscale posities aan bod:
De toepassing van de liquidatieverliesregeling en de stakingsverliesregeling (onderdeel 12.6.6).
De toepassing van de innovatiebox (onderdeel 12.6.7).
Onbelaste compartimenteringsreserves (onderdeel 12.6.8).
Op deze plaats grijp ik terug op mijn eerdere pleidooi om het onderscheid tussen de wettelijke doorschuifregeling en de doorschuifregeling op verzoek te laten vervallen.1 In deze context betekent deze aanbeveling concreet het schrappen van de eisen in art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 die gaan over de fiscale aanspraken en de overige fiscale posities. Tegelijkertijd moet worden onderzocht of de geldende standaardvoorwaarden, al dan niet in gewijzigde vorm, dienen te worden opgenomen in de Wet VPB 1969 en/of in het te ontwerpen Besluit reorganisaties. Bij de analyses hierna komt dit ter sprake.