Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.9.2:16.9.2 Minimumkapitaal en inbrengvereisten
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.9.2
16.9.2 Minimumkapitaal en inbrengvereisten
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS405785:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Richtlijn schreef een minimumkapitaal voor van 25.000 Europese rekeneenheden dat op dat moment ongeveer gelijk was aan hfl. 70.000. Het door de Nederlandse wetgever ingevoerde minimumkapitaal was dus substantieel hoger dan de Richtlijn vereiste. Zie Schutte-Veenstra 1991, p. 17.
Zie daarover Maeijer 1979, p. 3-17.
Art. 7 Tweede Richtlijn.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel het minimumkapitaal voor de NV in het kader van de implementatie van de Richtlijn werd verhoogd naar hfl. 100.000, bleef het voor de BV hfl. 35.000.1 Daarnaast werd een aantal nieuwe bepalingen in de wet opgenomen die ertoe strekten te bevorderen dat het door derden aanwezig veronderstelde kapitaal ook reëel bijeen werd gebracht.2 Zo werd het vereiste in de Nederlandse wet geïntroduceerd dat hetgeen op de aandelen werd gestort naar economische maatstaven waardeerbaar moest zijn.3 Daarnaast was voor oprichting voortaan een verklaring van een bank vereist, inhoudende dat de bedragen die op de bij de oprichting te plaatsen aandelen moesten worden gestort aan de vennootschap ter beschikking zouden staan, of voor oprichting aan de vennootschap ter beschikking hadden gestaan.4 Indien storting in natura plaatsvond, moesten de oprichters voortaan een beschrijving van de inbreng opmaken. Vervolgens diende daarover een registeraccountant een verklaring af te leggen, inhoudende dat de waarde van hetgeen werd ingebracht, bij toepassing van in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar beschouwde waarderingsmethoden, ten minste het in de verklaring genoemde bedrag beliep van de stortingsplicht waaraan met de inbreng moest worden voldaan.5 Tot slot werd de nachgründungsregeling in de wet opgenomen, die transacties tussen de vennootschap en haar oprichters en aandeelhouders binnen twee jaar na oprichting aan strenge vereisten onderwierp.6