Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.9.4
16.9.4 Introductie van het verbod of financiële steunverlening
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410259:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 1978/79, 15 304, nr. 3, p. 40.
Het nieuwe art. 2:98c luidde: “1. De naamloze vennootschap mag niet, met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal of van certificaten daarvan, leningen vertrekken, zekerheid stellen, een koersgarantie geven, zich op andere wijze sterk maken of zich hoofdzakelijk of anderszins naast of voor anderen verbinden. 2. Het verbod geldt niet indien de aandelen worden verkregen door of voor rekening van arbeiders in dienst van de vennootschap of van een rechtspersoon waarmee zij in een groep is verbonden. Deze aandelen moeten zijn opgenomen in de prijscourant van een beurs. 3. Het verbod geldt niet voor een volgens de Wet toezicht kredietwezen ingeschreven kredietinstelling, voor zover zij in de gewone uitoefening van het kredietbedrijf handelt.”
Zie hierover Lowry 2011, p. 3, Sykes 2000, p. 65-66 en Ferran 1999, p. 319.
Report of the Company Law Amendment committee 1925-26 (Cmnd 2657).
3 ALL ER 217, CA, 222 (1974), ontleend aan Ferran 2008, p. 270.
Ferran 2008, p. 269 e.v.
Kamerstukken II 1981/82, 16 551, nr. 7, p. 4. Aanleiding voor de versoepeling van de regeling betrof het rapport “Werknemerszelfbestuur, Mogelijkheden en Beperkingen” van het Ministerie van Sociale Zaken, waarin werd benadrukt dat het realiseren van (onder andere) werknemerszelfbestuur wordt bemoeilijkt wanneer financiering van de aandelenoverdracht door een door de vennootschap verstrekte lening onder het algehele verbod zou komen te vallen.
Dit verbod gold ook voor haar dochtermaatschappijen.
Sinds de wijziging van de Tweede Richtlijn in 2006 is het de NVook toegestaan om – onder strenge voorwaarden – leningen te verstrekken met oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal. Zie par. 16.10.2 hierna.
Kamerstukken II 1981/82, 16 551, nr. 6, p. 16.
Handelingen II 1984-85, 28 augustus 1985, p. 6322.
Handelingen II 1984-85, 28 augustus 1985, p. 6323. Slagter heeft overwogen dat hierdoor een “lek in de kapitaalbescherming” bestond: “[H]et geconstateerde levensgrote lek in de regeling van de kapitaalbescherming [is] gelegen […] in de onbeperkte mogelijkheid, dat de D[ochter] aan de M[oeder] een zgn. ‘lening’ verstrekt. […] Door een lening, door de D[ochter] aan de M[oeder] verstrekt, kunnen kasmiddelen in de bodemloze put van de M[oeder] verdwijnen, ten nadele van de schuldeisers van de D[ochter].” (Slagter 1988, p. 122).
De implementatie van de tweede EG-Richtlijn introduceerde het verbod op financiële steunverlening in de Nederlandse wet. Volgens de minister leerde de ervaring in andere landen dat wanneer de mogelijkheid tot inkoop van eigen aandelen beperkt werd, NV’s er soms toe overgingen derden hun aandelen te laten kopen. Weliswaar gebeurde dat niet voor rekening van de NV, maar wel met van de NV geleend geld of met een garantie dat de NV een eventueel koersverlies zou vergoeden.1 Op deze wijze liep het vermogen van de vennootschap risico terwijl de inkoopbepalingen werden omzeild. Daarom werd het de NV (en haar dochtervennootschappen) verboden financiële steun aan een derde te verlenen met het oog op de verkrijging van aandelen in haar kapitaal.2
Hoewel niet zelden naar het Verenigd Koninkrijk wordt verwezen als lichtend voorbeeld van een flexibel vennootschapsrecht, danken de lidstaten het financiële steunverbod aan de Britten. Reeds in 1929 werd in de Companies Act een verbod neergelegd op het verlenen van financial assistance.3 In een onderzoeksrapport dat ten grondslag lag aan de Britse introductie van het verbod werd gewezen op de onwenselijke ontwikkeling dat steeds meer vennootschappen hun eigen overname financierden door geld te lenen aan de koper van de aandelen in hun kapitaal.4 Deze praktijk werd aangemerkt als “highly improper”, en door sommige rechters zelfs als “a cheat”,5 omdat zij niet zelden aanleiding had gegeven tot “asset stripping” bij de doelwitvennootschap.6 Hoewel in de eerste ontwerpen voor de Tweede Richtlijn een verbod op financiële steunverlening ontbrak, werd dat op verzoek van het Verenigd Koninkrijk toch daarin opgenomen.
De Nederlandse wetgever achtte het steunverbod ook zinvol voor de BV en daarom werd aanvankelijk voorgesteld om dit verbod een op een over te nemen in het BV recht. Vanwege kritiek op dit voorstel is er uiteindelijk voor gekozen het verbod voor de BV af te zwakken.7 In art. 2:207c lid 1 BW werd vastgelegd dat de BV niet, met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal, zekerheid mocht stellen, een koersgarantie mocht geven of zich op andere wijze sterk mocht maken of zich hoofdelijk of anderszins mocht verbinden naast of voor anderen.8 Anders dan de NV,9 werd het de BV wél toegestaan leningen te verstrekken met het oog op het nemen of verkrijgen van aandelen in haar kapitaal tot ten hoogste het bedrag van de uitkeerbare reserves en voor zover de statuten dit toestonden (2:207c lid 2 BW). Daarnaast bepaalde het derde lid van art. 2:207c BW dat de BV een niet uitkeerbare reserve moest aanhouden tot het uitstaande bedrag van de lening, zodat een reserve slechts een maal kon worden aangesproken voor een lening in de zin van art. 2:207c BW.10
De minister gaf bij de introductie van art. 2:207c BW te kennen dat de bepaling op dezelfde leest was geschoeid als de uitkeringsregeling in art. 2:216 BW; het deel van het eigen vermogen dat niet voor uitkering vatbaar was, mocht ook niet worden aangewend voor financiële steunverlening.11 Daarbij benadrukte hij dat financiële steuntransacties niet uitsluitend aan art. 2:207c BW moesten worden getoetst:
“Ten overvloede merk ik op dat deze bepaling geen vrijbrief behelst om dergelijke leningen aan te gaan. Wanneer het twijfelachtig is of degene die het geld leent, dit ooit zal kunnen terugbetalen, of indien de liquiditeitspositie van de vennootschap de lening extra bezwaarlijk maakt, zal het bestuur de lening niet mogen aangaan.”12
Tijdens de mondelinge beraadslaging in de Tweede Kamer werd de vraag opgeworpen waarom het wetsvoorstel niet voorzag in een algeheel verbod op het verstrekken van leningen aan aandeelhouders ten laste van het gebonden vermogen.13 Hoewel de minister meende dat dit een “voor de hand liggende gedachte” was, moest deze zijns inziens toch van de hand worden gewezen. Een dergelijk ruim verbod zou op praktische bezwaren stuiten; de financierbaarheid van concerns zou daardoor “moeilijker en kostbaarder” worden.14