CBB 18 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:29.
HR, 26-11-2024, nr. 23/00613 E
ECLI:NL:HR:2024:1703
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-11-2024
- Zaaknummer
23/00613 E
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1703, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:811
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:883
ECLI:NL:PHR:2024:811, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1703
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑01‑2024
- Vindplaatsen
JM 2025/22 met annotatie van S. Pieters
M en R 2025/44 met annotatie van B. Arentz
JM 2025/21 met annotatie van S. Pieters
Uitspraak 26‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Als houdster van dieren (kalveren, pinken, runderen, schapen en lammeren) aan dieren nodige verzorging onthouden, begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 2.2.8 Wet dieren. Onthouden van nodige verzorging aan dieren a.b.i. art. 2.2.8 Wd, “vijf vrijheden van Brambell”. Kon hof oordelen dat art. 1.3.3 (oud) Wd minimumnormen stelt voor zorg die dieren redelijkerwijs behoeven? In art. 1.3.1 Wd wordt “intrinsieke waarde” van dier erkend. In wetsgeschiedenis van Wet dieren komt naar voren dat “uit erkenning dat elk dier een eigen zelfstandige waarde heeft, onafhankelijk van gebruikswaarde die mens eraan toekent, geen concreet normatief gevolg volgt”, dat “erkenning van intrinsieke waarde van dier door wetgever (...) primair is gericht tot overheid zelf” en dat “eenduidige interpretatie van betekenis van intrinsieke waarde niet te geven is”. Verder komt in die wetsgeschiedenis onder meer tot uitdrukking dat (i) erkenning van “intrinsieke waarde” van dier “een signaal aan justitiabelen [is] dat zij kunnen verwachten dat overheid in haar handelen rekening houdt met gevolgen van dat handelen voor dieren”, (ii) dat houder van dier (en in voorkomende gevallen rechter) zich moet afvragen of houder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat bepaalde inbreuk op integriteit of welzijn van dier gerechtvaardigd is, en (iii) dat altijd zorg die dieren redelijkerwijs nodig hebben, verzekerd moet zijn. Het gaat daarbij om wat ten minste in redelijkheid kan worden gevergd van houders van dieren. Met het oog op dit laatste is in art. 1.3.3 (oud) Wd aansluiting gezocht bij “vijf vrijheden van Brambell”. Van “onthouden van nodige verzorging” in de zin van art. 2.2.8 Wd kan o.m. sprake zijn bij overtreding van specifieke wettelijke bepaling, zoals overtreding van norm uit Besluit houders van dieren maar ook als gezondheid of welzijn van dier op andere manier wordt geschaad. Het staat rechter vrij om “vijf vrijheden van Brambell” als relevante gezichtspunten in zijn overwegingen hierover te betrekken. V.zv. middel uitgaat van andere opvatting, faalt het. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00613 E
Datum 26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 9 februari 2023, nummer 22-004509-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
gevestigd in [plaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben M.M. Kuyp, advocaat in Laren NH, en J.L. Baar, advocaat in Arnhem, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring voor zover het hof (telkens) heeft bewezenverklaard dat de verdachte ‘aan dieren de nodige verzorging heeft onthouden’ in de zin van artikel 2.2 lid 8 van de Wet dieren (hierna: Wd). Het voert daartoe aan dat onjuist is het oordeel van het hof dat artikel 1.3 lid 3 (oud) Wd minimumnormen stelt voor de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging in de zaken met de parketnummers 83-127658-19, 83-145986-16, 83-127647-19, 83-134840-17, 83-187118-18, 83-157821-18 en 83-177078-19 telkens bewezenverklaard, kort gezegd, dat zij als houdster van dieren (kalveren, pinken, runderen, schapen en lammeren) aan dieren de nodige verzorging heeft onthouden. De bewezenverklaring is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2.
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3. Het hof heeft verder over de bewezenverklaring overwogen:
“Extra bewijsoverweging, geldend voor alle tenlastegelegde feiten.
Uit het rapport van [betrokkene 1] d.d. 24 mei 2019 (en de overige rapporten van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zoals genoemd in de gebezigde bewijsmiddelen):
Is de gezondheid en/of het welzijn van de dieren naar uw mening benadeeld?
Ja, de gezondheid en het welzijn zijn benadeeld. In gevolge artikel 1.3 Wet dieren wordt erkend dat dieren een ’eigen’ waarde hebben. Dieren dienen gevrijwaard te zijn van gezondheids-, welzijns- en integriteitsaantasting. Deze zijn verwoord in de 5 vrijheden van Brambell. Alleen als aan de vijf vrijheden is voldaan, krijgen de dieren de zorg die zij redelijkerwijs behoeven. Dieren moeten gevrijwaard zijn:
1. van dorst en onjuiste voeding:de beschikbaarheid van vers water en geschikt voer is essentieel voor een optimale gezondheid en energiehuishouding.2. fysiek en fysiologisch (thermaal) ongerief:door een geschikte (tochtvrij, goede temperatuur, en voldoende omvang) en veilige huisvesting te bieden, inclusief een comfortabele rust/schuilplaats.3. pijn, verwondingen en ziektes:door deze te voorkomen en wanneer ze toch optreden ze snel en adequaat te diagnosticeren en te behandelen.4. angst en chronische stress:door een huisvesting en management te hanteren die angst en stress voorkomen, door een goede socialisatie om angst voor mensen in de toekomst te voorkomen.
5. en van beperkingen in hun natuurlijk/normaal gedrag:door het aanbieden van een huisvestingssysteem waarin het dier zijn soort specifieke behoeften (eten en drinken, bewegingsvrijheid, foerageergedrag, hygiëne/poetsgedrag, exploratiegedrag, contact met soortgenoten en dat de dieren overzicht hebben over de omgeving en dingen kunnen aan zien komen) kan vervullen.
Deze vijf vrijheden van Brambell zijn als minimum norm gesteld in de Wet Dieren, artikel 1.3 lid 3 voor de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven.
Hieruit volgt dat de verbalisanten en toezichthoudend dierenartsen de juiste norm hebben toegepast in hun beoordeling van de situatie.”
2.3.1
De tenlastelegging is (telkens) toegesneden op artikel 2.2 lid 8 Wd. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘de nodige verzorging heeft onthouden’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.
2.3.2
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 1.3 Wd, zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaring:
“1. De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.
2. Onder erkenning van de intrinsieke waarde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, wordt ten volle rekening gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven in elk geval gerekend dat dieren zijn gevrijwaard van:
a. dorst, honger en onjuiste voeding;
b. fysiek en fysiologisch ongerief;
c. pijn, verwonding en ziektes;
d. angst en chronische stress;
e. beperking van hun natuurlijk gedrag;
voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd.”
- Artikel 1.3 lid 3 Wd, zoals dat momenteel luidt:
“Voor de toepassing van het tweede lid wordt tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven in elk geval gerekend dat dieren, voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd, worden voorzien van:
a. voldoende voeding van een goede kwaliteit;
b. een comfortabele en veilige omgeving met een goed klimaat;
c. waarborgen voor een goede gezondheid en het voorkomen van pijn;
d. voldoende mogelijkheden om te voorzien in hun gedragsbehoeften; en
e. een positieve emotionele toestand.”
- Artikel 2.2 lid 8 Wd:
“Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.”
- Artikel 1.7 van het Besluit houders van dieren (hierna: Bhd):
“Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:(...)c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;d. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden;e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier;f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen (...).”
- Artikel 1.8 lid 2 Bhd:
“Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden.”
- Artikel 2.35 lid 1 Bhd:
“De vloer van een stal is stroef en aangepast aan het gewicht en de grootte van de kalveren en vormt een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte.”
- Artikel 2.36 leden 1 tot en met 3 Bhd:
“1. De ligruimte van een stal is comfortabel en zindelijk, beschikt over een behoorlijke afvoer en is niet schadelijk voor de kalveren.
2. De vloer van de stal van kalveren jonger dan twee weken is ingestrooid met adequaat strooisel.
3. Kalveren met uitzondering van vleesstierkalveren ouder dan twee maanden beschikken over ligruimte die is ingestrooid of is voorzien van een kunststof mat, houten lattenrooster of rubber toplaag.”
2.4
De totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.2 lid 8 Wd is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.6 tot en met 4.8. De totstandkomingsgeschiedenis van de Wet dieren houdt verder onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“De regels ter bescherming van het dier krijgen hun invulling in het concreet handelen van overheid en burgers. Belangrijke criteria daarbij zijn de vijf «vrijheden» van Brambell (Brambell, R., Report of the technical committee to enquire into the welfare of animals kept under intensive livestock husbandry systems, Londen, 1965): Dieren zijn vrij:a. van dorst, honger en onjuiste voeding;b. van fysiek en fysiologisch ongerief;c. van pijn, verwonding en ziektes;d. van angst en chronische stress;e. om natuurlijk gedrag te vertonen.
(...)
4.2.3.3.3. Voorwaarden voor het houdenVoor verschillende soorten of categorieën gehouden dieren zullen uit het oogpunt van dierenwelzijn verschillende eisen worden gesteld aan de wijze waarop zij kunnen worden gehouden. Huisvestingseisen zijn ook van belang met het oog op ziektepreventie en -bestrijding. Deze eisen zullen worden bepaald bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, voorzien in het zesde lid van het voorgestelde artikel 2.2.
(...)
Artikel 2.2
(...)
Het vijfde lid (Hoge Raad: het huidige artikel 2.2 lid 8 Wd) bevat een verbod om dieren de nodige verzorging te onthouden. Dit lid benadrukt dat het houden van dieren niet vrijblijvend is. Wie dieren houdt, draagt verantwoordelijkheid voor zijn dieren. Op grond van deze bepaling kan ook worden opgetreden tegen het zonder verzorging achterlaten van huisdieren.”
(Kamerstukken II 2007/08, 31389, nr. 3, p. 20, 41 en 100-101.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“Voor een evaluatie van de voorgestelde artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2, vijfde lid, de «opvolgers» van de artikelen 36 en 37 van de GWWD (Hoge Raad: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren), waarnaar de leden van de SGP-fractie vragen, geldt het vorenstaande in overeenkomstige zin. In aanvulling hierop merk ik op dat deze artikelen door de algemene bewoordingen waarin zij zijn gesteld, een algemene drempel opwerpen tegen dierenmishandeling en vermindering van het welzijn van dieren zonder redelijk doel. Tegelijkertijd fungeren zij als een algemeen vangnet in gevallen waarin meer specifieke regels gericht op bescherming en verzorging van dieren ontbreken of geen uitkomst bieden.
Het dierenwelzijn en de diergezondheid worden zowel in het kader van de GWWD als in de toekomst op basis van de Wet dieren voor belangrijke categorieën van dieren primair en in voldoende mate geborgd in meer specifieke bepalingen, zoals huisvestingsnormen voor landbouwhuisdieren. Indien genoemde specifieke bepalingen toch onvoldoende uitkomst bieden en zich niettemin situaties voordoen waarin bij dieren letsel of pijn wordt veroorzaakt, waar hun zorg wordt onthouden of anderszins hun gezondheid of welzijn wordt geschaad, kan worden opgetreden op grond van de artikelen 36 en 37 van de GWWD of de voorgestelde artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2, vijfde lid. Deze artikelen bieden daarvoor een voldoende basis en hebben in de praktijk hun waarde bewezen.
Het feit dat deze bepalingen in meer algemene bewoordingen zijn gesteld, draagt daaraan bij. Er kan immers op basis van die artikelen worden opgetreden tegen specifieke schendingen van diergezondheid en dierenwelzijn die men van tevoren nooit had kunnen bedenken en vastleggen. De algemene formulering kan er echter ook toe leiden dat, met name in gevallen waarin het welzijn van dieren wordt geschaad, de bewijslast niet eenvoudig is. Dit kan vervolging en bestraffing, alleen om die reden, dan ook moeilijk maken. Ook op basis van een evaluatie zal dit laatste niet anders komen te liggen. Eenvoudige alternatieven ontbreken naar mijn oordeel. Voor mij blijft het voordeel van dergelijke in algemene bewoordingen gestelde bepalingen overeind, zodat in de gevallen waarin het ertoe doet, met andere woorden wanneer schending van de norm kan worden aangetoond, altijd opgetreden zal kunnen worden.”(Kamerstukken II 2008/09, 31389, nr. 9, p. 7.)
- een amendement waarbij de invoering van artikel 1.3 leden 2 en 3 Wd wordt voorgesteld. De toelichting op dit amendement houdt in:
“Dit amendement geeft een uitleg aan het eerste lid van dit artikel waarin de intrinsieke waarde van het dier wordt erkend. In de eerste plaats geeft het de duiding van intrinsieke waarde van het dier als zodanig. In de tweede plaats wordt tot uitdrukking gebracht wat de erkenning van die intrinsieke waarde behelst. De zinsnede «onverminderd andere gerechtvaardige belangen» ziet er op dat krachtens wet- en regelgeving, dan wel een bestendig gebruik, handelingen met dieren geoorloofd zijn. Voor wat betreft de vraag welke handelingen dit betreft, vormt de wet Dieren, na de totstandkoming daarvan, het voornaamste wettelijke kader. Met andere woorden: de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier staat er niet aan in de weg dat – bijvoorbeeld – dieren mogen worden gehouden, gedood met consumptie als doel, etc, mits daarbij de wettelijke voorschriften inzake doel en middel in acht worden genomen.
De intrinsieke waarde is de eigenwaarde van het dier, los van de betekenis die het dier heeft voor de mens. De erkenning bij wet brengt tot uitdrukking dat ten volle rekening wordt gehouden met gevolgen van overheidsbesluiten voor dieren. De terminologie «dieren zijnde wezens met gevoel» en de woorden «ten volle rekening houden» zijn ontleend aan artikel 13 van het Verdrag van Lissabon.
Ter verduidelijking is bepaald wat cruciale factoren zijn voor de beoordeling van de gevolgen voor het dier en wordt hiervoor een grens getrokken.
Deze grens is niet voor elke denkbare situatie aan te geven, hetgeen wordt uitgedrukt met het woord redelijkerwijs. Deze terminologie sluit aan op de wijze zoals dit begrip elders in wet en regelgeving wordt gebezigd. In de eerste plaats zal de eigenaar, houder of verzorger van het dier en – in een voorkomend geval – de rechter – zich dus moeten afvragen of hij in rede heeft kunnen besluiten dat een bepaalde inbreuk op de integriteit of het welzijn van het dier gerechtvaardigd is. Inbreuken gaan derhalve te ver indien hiertoe redelijkerwijs geen rechtvaardiging bestaat.
Ook zal altijd de zorg die dieren redelijkerwijs nodig hebben verzekerd dienen te zijn. In dit geval gaat het om hetgeen ten minste in redelijkheid kan worden gevergd van houders van dieren.
Om dit laatste te verduidelijken is in het derde lid aansluiting gezocht bij de vijf vrijheden van Brambell. Die vijf vrijheden vormen de grenzen van het adaptievermogen van het dier.”
- de memorie van antwoord:
“De erkenning van de intrinsieke waarde van het dier door de wetgever is, zoals uit artikel 1.3 volgt, primair gericht tot de overheid zelf. Het is daarmee echter tevens een signaal aan justitiabelen dat zij kunnen verwachten dat de overheid in haar handelen rekening houdt met de gevolgen van dat handelen voor dieren.”
(Kamerstukken I 2009/10, 31389, C, p. 5.)
2.5.1
In artikel 1.3 lid 1 Wd wordt de ‘intrinsieke waarde’ van het dier erkend. In de onder 2.4 genoemde wetsgeschiedenis komt naar voren dat “uit de erkenning dat elk dier een eigen zelfstandige waarde heeft, onafhankelijk van de gebruikswaarde die de mens eraan toekent, geen concreet normatief gevolg volgt”, dat “de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier door de wetgever (...) primair is gericht tot de overheid zelf” en dat “een eenduidige interpretatie van de betekenis van intrinsieke waarde niet te geven is”. Verder komt in die wetsgeschiedenis onder meer tot uitdrukking dat (i) de erkenning van de ‘intrinsieke waarde’ van het dier “een signaal aan justitiabelen [is] dat zij kunnen verwachten dat de overheid in haar handelen rekening houdt met de gevolgen van dat handelen voor dieren”, (ii) dat de houder van het dier – en in voorkomende gevallen de rechter – zich moet afvragen of de houder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat een bepaalde inbreuk op de integriteit of het welzijn van het dier gerechtvaardigd is, en (iii) dat altijd de zorg die dieren redelijkerwijs nodig hebben, verzekerd moet zijn. Het gaat daarbij om wat ten minste in redelijkheid kan worden gevergd van houders van dieren. Met het oog op dit laatste is in artikel 1.3 lid 3 (oud) Wd aansluiting gezocht bij “de vijf vrijheden van Brambell”.
2.5.2
Van het ‘onthouden van de nodige verzorging’ in de zin van artikel 2.2 lid 8 Wd kan onder meer sprake zijn bij overtreding van een specifieke wettelijke bepaling, zoals een overtreding van een norm uit het Besluit houders van dieren, maar ook als de gezondheid of het welzijn van het dier op een andere manier wordt geschaad. Het staat de rechter vrij om de “vijf vrijheden van Brambell” als relevante gezichtspunten in zijn overwegingen hierover te betrekken.
2.6
Voor zover het cassatiemiddel uitgaat van een andere opvatting, faalt het.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.
Conclusie 24‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Economische zaak. Onthouden van de nodige verzorging aan dieren (art. 2.2 lid 8 Wet dieren). M1: UOS-klachten. M2: Klacht dat hof niet heeft beslist op voorwaardelijk verzoek. M3: Rechtsklacht m.b.t. oordeel hof dat art. 1.3 lid 3 Wet dieren het kader vormt ter beoordeling van de vraag of sprake is van het onthouden van de nodige verzorging aan dieren a.b.i. art. 2.2 lid 8 Wet dieren. Conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep (art. 81 RO).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00613 E
Zitting 24 september 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
De maatschap [A] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte rechtspersoon.
De verdachte rechtspersoon is bij arrest van 9 februari 2023 door het gerechtshof Den Haag in de zaken met de parketnummers 83-127658-19, 83-145986-16, 83-127647-19, 83-134840-17, 83-187118-18, 83-157821-18 en 83-177078-19 wegens “overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,- waarvan € 5.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte rechtspersoon. J.L. Baar en M.M. Kuyp, beiden advocaat in Laren NH, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
Ik zal de middelen bespreken in een andere volgorde dan waarin zij in de schriftuur zijn opgenomen.
3.1 De bewezenverklaring en de bewijsvoering
3.2 Ten laste van de verdachte rechtspersoon is bewezenverklaard dat:
- in de zaak met parketnummer 83-127658-19:
“zij op of omstreeks 14 februari 2019 te [plaats] , (op een bedrijf gelegen) aan de [a-straat] , als houdster van dieren, te weten meerdere kalveren en pinken en runderen en schapen, aan dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers waren de nekken verdikt en rimpelig van vier kalveren die zich in een hok bevonden, door het stoten en schuren van hun nek tijdens het eten tegen een buis, die dicht boven het voerhek hing en
lag in de ligboxen in het hok waarin vijf kalveren verbleven aangedroogde mest en
waren de vacht en de poten en de buik van deze kalveren bevuild met aangedroogde mest en
lag in de ligboxen in het hok, waarin veertig pinken verbleven, aangedroogde mest en
waren de vachten van pinken bevuild met aangedroogde mest en
bevond zich in de stal, waar twee en zestig runderen verbleven, een badkuip, in elk geval een voorwerp met scherpe en losse delen, waaraan die runderen zich konden verwonden en/of bezeren en
bevonden zich in een weiland, waarin schapen verbleven, planken- en plaatmaterialen, met uitstekende spijkers en/of schroeven, waaraan die schapen zich konden verwonden en/of bezeren;”
- in de zaak met parketnummer 83-145986-16 (gevoegd):
“zij omstreeks 7 maart 2016 te [plaats] , (op een bedrijf gelegen) aan de [a-straat] , als houdster van dieren, te weten meerdere runderen en kalveren en schapen, aan dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers
- waren op 7 maart 2016 de bodem van een hok (1e hok), waar zich acht runderen bevonden en van een hok (2e hok) waar zich zeven runderen bevonden bedekt met mest en urine en nat strooisel en
- waren de in dat hok (1e hok) aanwezige runderen bedekt met een laag en/of klonten mest en de in die hokken (1e en 2e hok) aanwezige runderen konden niet beschikken over schone en droge ligplaatsen en
- konden acht kalveren, die zich bevonden op de zogeheten voergang en/of een (achtergelegen) hok niet beschikken over (voldoende) schoon en vers voer en (drink)water en
- bevonden zich in een loods, die zich bevond op het bedrijf van verdachte, waarin schapen verbleven, landbouwmachines met daaraan scherpe delen en puin en bouwmaterialen, waaraan die schapen zich konden verwonden en/of bezeren;”
- in de zaak met parketnummer 83-127647-19 (gevoegd):
“zij op of omstreeks 5 december 2018 te [plaats] , (op een bedrijf gelegen) aan de [a-straat] , als houdster van dieren, te weten meerdere kalveren en pinken en een rund, aan dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers
- was de voergoot waar kalveren 6357, 6368 en 6380 verbleven onvoldoende gereinigd, en lagen in deze voergoot oude voerresten en was het hooi daar rot en kleverig en rook het hooi zuur en
- bevond zich in het hok/verblijf waar de pinken verbleven een ligboxafscheiding met scherpe en/of losse delen, waaraan die pinken zich konden verwonden en/of bezeren en
- lagen in de ligboxen in het hok waar een pink met nummer 6353 verbleef oude en aangekoekte mestresten en
- was de spleetbreedte van de roosters waar het kalf met nummer 6402 kon komen te breed, waardoor dat kalf zogeheten ontschoend kon raken of klem kon komen te zitten en
- waren de klauwen van dit rund 5977 te lang;”
- in de zaak met parketnummer 83-134840-17 (gevoegd):
“zij op of omstreeks 23 januari 2017 te [plaats] , (op een bedrijf gelegen) aan de [a-straat] , als houdster van dieren, te weten meerdere runderen en kalveren en schapen, aan dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers
- konden in een hok (2e hok), waarin zich 8 runderen bevonden, die runderen niet beschikken over voldoende schoon en vers voer en (drink)water en
- waren hokken (2e en 3e hok) bevuild met mest en urine en
- waren de klauwen van runderen met nummers 6020 en 5957 te lang;”
- in de zaak met parketnummer 83-187118-18 (gevoegd):
“zij op of omstreeks 16 augustus 2018 te [plaats] , (op een bedrijf gelegen) aan de [a-straat] , als houdster van dieren, te weten meerdere kalveren de nodige verzorging heeft onthouden, immers
bevonden zich in verblijven scherpe en losse delen, waaraan die kalveren zich konden verwonden en/of bezeren en
was de spleetbreedte van de bodem van verblijven te breed, waardoor die kalveren met hun klauwen daarin klem konden komen te zitten.”
- in de zaak met parketnummer 83-157821-18 (gevoegd):
“zij op of omstreeks 29 maart 2018 te [plaats] , (op een bedrijf gelegen) aan de [a-straat] , als houdster van dieren, te weten runderen en kalveren en schapen en lammeren, aan dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers
- was het hok (1e hok) waarin de kalveren met de nummers 6340 en 6342 en 6335 en 6344 en 6341 en 6352 verbleven, bevuild met mest en urine, waardoor die kalveren niet allen konden beschikken over een schone en droge ligplaats en
- was het hok (3e hok) waarin de (zeventien) pinken verbleven bevuild met mest en urine, waardoor deze pinken niet allen konden beschikken over een schone en droge ligplaats;”
- in de zaak met parketnummer 83-177078-19 (gevoegd):
“zij op of omstreeks 10 mei 2019 te [plaats] , (op een bedrijf gelegen) aan de [a-straat] , als houdster van dieren, te weten meerdere runderen en kalveren en pinken aan dieren de nodige verzorgen heeft onthouden, immers
- was in het hok (1e hok) waar de kalveren met de nummers 6414 en 6415 en 6417 en 6419 en 6424 en 6433 verbleven een buis aan het voerhoek bevestigd, waaraan die kalveren met hun nek stootten en schuurden tijdens het eten met als gevolg dat de nekken van die kalveren kaal werden en
- was in het hok (3e hok) waar twaalf pinken/runderen verbleven de voergoot onvoldoende gereinigd, in elk geval was het voer in deze voergoot nat en plakkerig en rot en
- was in het gedeelte (nabij het strohok) waar de jongere kalveren met de melkgevende runderen verbleven, de spleetbreedte van de roostervloer te breed voor die jonge kalveren, waardoor die jonge kalveren daar zogeheten ontschoend konden raken en klem konden komen te zitten en
- bevonden zich op een buitenterrein (koepad) nabij een stal ijzeren en houten platen met scherpe en/of losse delen, waaraan de runderen, die toegang hadden tot dat terrein zich konden verwonden en/of bezeren.”
3.3 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage houdende bewijsmiddelen:
“Ten aanzien van het feit onder parketnummer 83-127658-19:
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 maart 2019 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit met nr. 149640/114989/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 1 t/m 18):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 14 februari 2019 bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ons aan de [a-straat 1] , [plaats] .
Bevindingen Ligboxenstal (rundvee):
1e Hok (plattegrond, nummer 3):
Wij, verbalisanten zagen dat in het eerste hok aan de linkerzijde van de stal gezien vanaf de ingang 4 kalveren waren gehuisvest. Wij zagen dat er een buis aan het voerhek [A.E. Harteveld: onleesbaar] stootten en schuurden tijdens het vreten. Wij zagen dat de haren reeds van de nekken aan het verdwijnen waren respectievelijk de nekken kaal werden. Wij zagen dat de huid op de nekken van de kalveren rimpelig en verdikt was. Wij zagen dat de nekken van de kalveren als gevolg van het stoten en schuren langs de buis aan het voerhek nekbeschadigingen vertoonden.
Gelet op het bovenstaande wordt het welzijn van deze dieren hierdoor zonder redelijk doel benadeeld. Dit is een overtreding van artikel 2.1 lid 1 van de Wet dieren.
2e Hok (plattegrond nummer 4):
Wij zagen dat in het tweede hok aan de linkerzijde van de stal vijf kalveren waren gehuisvest.
Wij zagen dat er in dit hok ligboxen voor de runderen aanwezig waren. Wij, verbalisanten zagen oude-, verse-, en aangekoekte mestresten in deze ligboxen liggen. Verder zagen wij dat de vacht van de vijf runderen in het hok vervuild was met verse - en aangedroogde mest, met name aan de poten, buik en achterband. Wij zagen strooisel in de vorm van stro in de ligboxen liggen. Wij zagen dat het stro de bodem van de ligboxen echter maar gedeeltelijk bedekte.
Gelet op het feit dat er zowel oude- en ook verse mestresten vermengd met stro in de ligboxen werden aangetroffen wisten wij dat de ligboxen niet dagelijks worden schoongemaakt en voorzien van schoon - en droog strooisel. Gelet op de door ons aangetroffen situatie wisten wij dat de runderen niet onder voldoende hygiënische omstandigheden werden gehouden.
3e Hok (plattegrond nummer 5 en 6):
Tegenover het hok met kalveren bevond zich, tevens aan de linker kant van de stal, een hok met hierin pinken (rund met een leeftijd tot ongeveer 1 jaar), jongvee en zogenaamde droogstaande koeien. Middels telling stelden wij vast er zich in het hok totaal 40 runderen bevonden. Verder troffen wij eenzelfde situatie aan als beschreven in het voorgaande (2e) hok.
Wij, verbalisanten zagen oude-, verse- en aangekoekte mestresten in deze ligboxen liggen. Verder zagen wij dat de vachten van de runderen in het hok vervuild waren met verse - en aangedroogde mest, met name aan de poten, buik en achterband.
Wij verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bevonden ons in het gedeelte van de stal waar de melkgevende runderen zijn gehuistvest. Middels telling stelden wij, verbalisanten vast dat er zich 62 runderen (incl. 1 stier) in dit gedeelte van de stal bevonden.
In dit gedeelte van de stal zijn de dieren voor de watervoorziening afhankelijk van een waterbak (plattegrond 13) die is vervaardigd van een oude badkuip met hierop een metalen plaat voor de bevestiging van de vlotter. Wij zagen dat de metalen plaat aan de bovenzijde van de waterbak op verschillende plaatsen was omgekruld en scherpe randen had. Dit voelde ik, verbalisant [verbalisant 1] door met mijn hand langs de randen van de omgekrulde plaat te bewegen. Verder zag ik dat aan de linkerzijde van de badkuip een stuk uit de badkuip was verwijderd. Ik, verbalisant [verbalisant 1] voelde aan de randen waar het stuk uit de badkuip was verwijderd. Ik voelde dat de randen scherp waren. Wij wisten dat dit gevaar op kan leveren voor de runderen indien zij drinken en met de bek en/of kop langs de scherpe randen gaan. Zij kunnen zich hierdoor bezeren en/of verwonden.
Wij verbalisanten zagen dat de op het bedrijf aanwezige schapen zich in het weiland achter de ligboxenstal en de werktuigenloods bevonden. Middels telling stelden wij vast dat er zich 35 schapen op het bedrijf bevonden. Toen wij over het terrein gelegen tussen de ligboxenstal en de werktuigen loods doorliepen om in het weiland achter de stal en loods te geraken zagen wij dat tussen de loods en de ligboxenstal veel materialen lagen waaraan de schapen zich kunnen verwonden en/of bezeren. Wij zagen planken en plaatmateriaal met uitstekende spijkers en schroeven. Wij zagen losse stenen en tegels met scherpe randen. Wij zagen losliggend ijzerdraad en gaas waar de schapen met de poten in verstrikt kunnen geraken. Wij zagen een ploeg met hieraan een scherp stuk ijzer.
2. Een ander geschrift, te weten een veterinaire verklaring d.d. 28 februari 2019 met nr. 149640/114989/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 98 t/m 114):
als relaas van dierenarts [betrokkene 1] :
Op 14 februari 2019 werd(en) door mij beoordeeld:
Soort dieren [A.E. Harteveld: onleesbaar] : runderen, kippen, schapen (op stallijst), tiental kippen
Gegevens omtrent de houder van dieren:
Naam/adres/plaats : [A] , [a-straat 1] , [plaats]
Hok plattegrond nummer 3:
In het eerste hok links van de centrale voergang stonden 4 kalveren. Ik zag dat er een metalen buis dwars over het voerhek was bevestigd met strotouwtjes.
Ik zag hoe een kalf de kop door dit voerhek stak en daarbij door deze buis gehinderd werd, waarbij de buis tegen de schoft aan drukte. Ik zag bij dit kalf en de andere drie kalveren in dit hok dat de haren ter hoogte van de schoft weggeschuurd waren. Ik zag bij het grootste kalf dat de huid op deze plek wat geribbeld en verdikt was door eeltvorming. Ik concludeerde dat de veehouders niet proactief gehandeld hadden, gezien de stang niet hoger gehangen was, of verwijderd, op het moment dat de kalveren te groot werden, waardoor ze met de bovenkant van hun nekken tegen de stang aan begonnen te schuren.
Hok plattegrond nummer 4:
Ik telde in dit tweede hok aan de linkerzijde 5 stuks jongvee. Deze runderen hadden de beschikking over ligboxen. Deze ligboxen waren matig ingestrooid en vuil. Deze runderen konden niet schoon, comfortabel en droog liggen.
Hok plattegrond nummer 5 en 6:
Ik zag hoe de circa 40 runderen in hok 5 en 6 slechts de beschikking hadden over één waterbak. Ik zag aan de runderen dat zij met name aan de achterpoten, staart, uier en buik vervuild waren door verse, en oude mestklonten. Vanuit mijn deskundigheid als dierenarts weet ik hierdoor dat de ligboxen onvoldoende en/of niet vaak genoeg schoongemaakt worden.
Ik zag dat het ligbad nog steeds als waterbak fungeerde. Ik zag dat de bak weer achteruit gegaan was en dat er scherpe en uitstekende delen aan het bad zaten. Dit bad was de enige beschikbare waterbak voor de circa 60 runderen in dit hok. Ook hier was dus sprake van te weinig drinkgelegenheden- voor de aanwezige runderen (zie ook uitleg bij hok 5/6). Daarbij komt nog dat de runderen zich bij dit bad kunnen verwonden door de scherpe randen.
Schapen op weide
Ik zag een dertigtal schapen lopen op een groot weideperceel. Ik zag echter ook dat het gedeelte tussen de loods en de ligboxenstal niet zo was afgezet dat hier geen schapen meer konden komen. En ook direct achter de ligbozenstal was nog toegankelijk voor deze schapen. Dit betekende dat de schapen nog steeds toegang hadden tot de hier liggende scherpe en uitstekende delen. De schapen konden zich dus nog steeds verwonden aan deze uitstekende delen, konden nog steeds in de gierput vallen, konden nog steeds onder de draad door tot op de openbare weg geraken.
Is de gezondheid en/of het welzijn van de dieren naar uw mening benadeeld?
Ja, de gezondheid en het welzijn zijn benadeeld.
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 83-145986-16:
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juni 2016 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit met nr. 123097/92615/6001842/3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven (p. 1 t/m 25):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 07 maart 2016, bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , ons op een veehouderijbedrijf gelegen aan de [a-straat 1] , [plaats] .
Wij zagen, dat de bodem van het 1e hok waarin zich 8 runderen bevonden juist voor aanvang van onze inspectie was ingestrooid met stro. Onder dit stro bevond zich een laag rundermest en urine vermengd met stro met een dikte van ongeveer 20-30 centimeter. Wij zagen dat deze laag rundermest, urine en nat strooisel de gehele bodem van het hok waarin de runderen verbleven bedekte. Wij zagen dat de buik, poten, staarten en achterband van deze 8 runderen bedekt waren met klonten opgedroogde en natte mest.
Gelet op het voorgaande wisten wij dat deze runderen reeds langere tijd (meerdere weken) niet konden beschikken over een schone- en droge ligplaats. Verder hebben wij tijdens onze inspectie vastgesteld dat de runderen in dit hok het aanwezige [A.E. Harteveld: onleesbaar] dat deze runderen wederom geen schone- en droge ligplaats ter beschikking hadden.
Wij zagen dat zich in het 2e hok 7 runderen bevonden. Wij zagen dat zich in dit hok 7 ligboxen bevonden en de voorzijde van het hok was uitgevoerd met een zogenaamde roostervloer. Wij zagen dat zich in de aanwezige ligboxen oude, opgedroogde en tevens natte rundermest bevond. Verder stelden wij vast dat de mestputten onder de roostervloer van dit hok vol zaten met rundermest. Als gevolg hiervan kon de rundermest niet meer in de mestputten wegzakken. Hierdoor was de roostervloer bedekt met een laag(je) natte rundermest en urine. Gelet op onze bevindingen wisten wij dat deze runderen geen schone- en droge ligplaats ter beschikking hadden.
Wij zagen verder dat zich op de voergang van deze ligboxenstal een provisorische hok was gemaakt. Wij zagen dat dit hok tegen de achterzijde van de ligboxenstal was geplaatst. Wij
zagen dat er in dit hok 2 kalveren bevonden.
Wij zagen dat zich op de voergang van deze ligboxenstal voor het voornoemde provisorische hok 7 kalveren bevonden met een leeftijd van enkele dagen tot een leeftijd van ongeveer 5 weken. Wij zagen dat deze kalveren vrije toegang hadden tot de gehele voergang van de ligboxenstal. Wij zagen tijdens deze inspectie dat deze kalveren door het aan de runderen aangeboden voer liepen en dit voer bezoedelden met mest en urine. Hierdoor wordt het aan de runderen aan geboden voer ongeschikt om te vervoederen.
Wij zagen dat deze kalveren (7 op de voergang en 2 kalveren in het achtergelegen hok) geen drinkwater ter beschikking hadden en niet op andere wijze in hun behoefte aan water konden voldoen. Tijdens deze inspectie zagen wij dat de toegangsdeur van deze ligboxenstal open stond.
Tijdens inspectie werd duidelijk dat de aanwezige schapen in de naast gelegen loods op het veehouderijbedrijf werden gehouden. Nadat wij de loods in het gezelschap van verdachte [betrokkene 2] waren binnengegaan zagen wij dat 2 van de aanwezige schapen door de loods liepen. Wij zagen dat zich in deze loods veel werktuigen en materialen bevonden waaraan dieren zich kunnen bezeren en/of verwonden. Te denken valt aan bouwmaterialen, puin en landbouwmachines met hieraan scherpe delen.
4. Een ander geschrift, te weten een veterinaire verklaring proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 1 t/m 15):
als relaas van dierenarts [betrokkene 1] :
Op 7-3-2016, werd(en) door mij beoordeeld:
Soort dieren : schapen met lammeren en runderen
Aantal dieren (geschat) : circa 22 schapen met lammeren en circa 120 runderen
Gegevens omtrent de houder van dieren:
Naam/adres/plaats : [A] , [a-straat 1] , [plaats]
Locatie : [a-straat 1] , [plaats]
Met de rug naar de deur zag ik links een hok direct naast de voergang met 8 stuks jongvee op een dikke laag vuil en nat stro met mest en urine. De hygiëne was slecht en de runderen konden duidelijk al langere tijd niet schoon en droog liggen. Ik stelde dit vast doordat de runderen onder de dikke plakken verse en oude mest zaten en deels ook al kale plekken hadden op met name de achterpoten, door mestplakken die met haar en al afgevallen waren. Ik zag dat de voergang voor dit hok bedekt was met oud en bedorven voer en hierop was stro gegooid waar een aantal runderen nu van vraten. Ik zag een emmer aan het voerhek vastgebonden met hierin nog een beetje troebel water. Een emmer kan circa 10-12 liter water bevatten. De behoefte van de in dit hok aanwezige runderen lag op circa 10 tot 20 liter water per dag per rund. Praktisch zou dat betekenen dat de veehouder circa 8 tot 16 keer per dag deze emmer met water moet bijvullen om aan de normale fysiologische water behoefte van deze runderen te kunnen voldoen.
Gezien de observaties tijdens deze controle was duidelijk dat deze dieren niet permanent over water konden beschikken, niet aan hun fysiologische waterbehoefte konden voldoen en chronisch water tekort hadden.
Op de voergang zelf zag ik verschillende kalveren lopen. De kalveren konden van de ligboxenstal rechts op de voergang komen. Alle kalveren die toegang hadden tot de voergang hadden toegang tot deze scherpe delen en konden tijdens het voederen via de geopende poort op het erf, in de sloot of op de openbare weg geraken. De voederhygiëne was hierdoor slecht. Voer bezoedeld met mest is [A.E. Harteveld: onleesbaar] watervoorziening voor deze kalveren.
Ik zag dat zeer veel runderen vuil waren, door aangekoekte oude en nieuwe mest. Ik zag meerdere runderen met kale plekken waar plakken haar met de mest van de huid waren gevallen.
Niet alle runderen en kalveren beschikken over permanent water.
De voergang aan de linkerzijde werd niet of onvoldoende gereinigd, waardoor het voer hier op bedorven en rotte voerresten aan de runderen werd aangeboden.
In de nieuwe loods achter de ligboxenstal was een hoek met strobalen afgezet waarin het grootste deel van de schapen met lammeren liepen. Bij binnenkomst in de hal liepen er echter ook schapen tussen de machines en het puin en overige rotzooi die in de loods verspreid lagen.
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 83-127647-19:
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2019 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit met nr. 148091/113747/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 1 t/m 22):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 05 december 2018 bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ons aan de [a-straat 1] , [plaats] .
Bevindingen Ligboxenstal (rundvee):
Wij zagen dat in het tweede hok aan de linkerzijde van de stal 3 kalveren waren gehuisvest voorzien van de oormerken met de werknummers 6357, 6386 en 6380.
Verder zagen wij, verbalisanten dat er in de voergoot voor dit hok, vers hooi en spruiten lag. Wij zagen dat gedeelten onder het verse hooi bruin verkleurd en nat en plakkerig was. Wij zagen dat de voergoot onvoldoende was gereinigd en er ook oude voerresten lagen.
Nadat verbalisant [verbalisant 2] een gedeelte van dit hooi en voerresten opzij had geschept rook en voelde hij met name, aan de achterzijde van de voergoot dat dit hooi zuur rook, bruin, kleverig, resp. plakkerig en rot was.
Gelet op onze bevindingen wisten wij dat het voer in de voergoot niet meer geschikt was om aan [A.E. Harteveld: onleesbaar] omdat rot voer (met hierin evt. veel schimmels en bacteriën) dus ongeschikt voer is en de gezondheid en welzijn van de dieren kan benadelen.
3e Hok (plattegrond nummer 5):
Tegenover het hok met kalveren bevond zich, tevens aan de linker kant van de stal, een hok met hierin pinken.
Wij zagen dat 1 van de ligboxafscheidingen in dit hok los en afgebroken was. Wij wisten dat de afgebroken en loszittende en scherpe ligboxafscheiding gevaar op kan leveren voor de runderen omdat zij met de poten tussen de loszittende delen van de ligboxafscheiding kunnen geraken en zich kunnen bezeren en/of verwonden.
4e Hok (Plattegrond nummer 6):
Wij, verbalisanten zagen dat in het 4e hok aan de linkerzijde van de stal 1 rund (pink) met werknummer 6353 verbleef.
Ook in dit hok hebben wij, toezichthouders vastgesteld dat de in dit hok aanwezige ligboxen niet waren gereinigd en ingestrooid met schoon strooisel. Wij zagen in de ligboxen van dit hok oude-, verse- en aangekoekte mestresten in de ligboxen liggen.
Wij, verbalisanten zagen dat zich op de voergang aan de achterzijde van de stal op de voergang een strohok bevond. Wij zagen dat zich in dit hok een jong ongemerkt kalf bevond. Wij zagen dat dit kalf door verdachte [betrokkene 3] werd gemerkt met de oormerken voorzien van het werknummer 6402. Wij zagen dat de poort aan de achterzijde van het hok open was en het kalfje langs de opening uit het hok liep in het gedeelte van de stal waar de melkgevende runderen zich bevonden. In het gedeelte waar de melkgevende runderen verblijven is de vloer voorzien van zogenaamde roosters. Gelet op de grootte van de spleten van de roosters kunnen jonge kalveren, zoals deze zich in het strohok bevond, met hun klauwtjes en poten tussen de spleten, van de roosters geraken. Hierdoor kunnen zij zelfs “ontschoend” raken hetgeen uiteraard zeer pijnlijk is.
In het weiland bevond zich verder het rund met het werknummer 5977. Wij, verbalisanten zagen dat dit rund kreupel was. Toezichthoudend dierenarts [betrokkene 1] deelde ons mede dat de klauwen van deze rechterachterpoot wel te lang waren en bekapt dienden te worden. Zij deelde mede dat te lange klauwen bij een rund hinder kunnen veroorzaken bij het lopen en staan.
6. Een ander geschrift, te weten een veterinaire verklaring d.d. 12 december 2018 met nr. 149640/114989/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven (p. 100 t/m 120):
als relaas van dierenarts [betrokkene 1] :
Op 5 december 2018 werd(en) door mij beoordeeld:
Soort dieren : runderen, kippen, schapen
Aantal dieren (geschat) : 114 runderen en 29 schapen (op stallijst), tientallen kippen
Gegevens omtrent de houder van dieren:
Naam/adres/plaats : [A] , [a-straat 1] , [plaats]
Locatie : [a-straat 1] , [plaats]
Ik telde in dit tweede hok aan de linkerzijde 3 kalveren.
De restanten voer in de voergoot voor dit tweede hok aan de linkerzijde van de voergoot waren vochtig en stonken naar zuur en rotting.
Het vierde en achterste verblijf links van de centrale voergang betrof een hok met 1 stuk jongvee, werknummer 6353.
Strohok achterin, centraal, op de centrale voergang:
Rechts in de hoek was een opening waar de jongste kalveren door naar binnen en buiten konden lopen. Ik zag tijdens de controle een roodbont kalf gebruik maken van deze opening, waarbij het roodbonte kalf van het strohok naar de ligboxenstal liep.
Jonge kalfjes hebben nog kleine klauwtjes en deze kunnen gemakkelijk tussen de roosterspleten vast komen te zitten met trauma tot zelfs ontschoenen (klauw breekt van de teen af) aan toe.
De ligboxen waren op het moment van controle vuil. Ik zag in vrijwel alle ligboxen die door de runderen gebruikt konden worden dikke, harde plakken mest en urine. De hygiëne was zeer slecht. Ik zag veel vuile runderen die aangekoekte mest op de vacht hadden, met name aan achterpoten, voorpoten en staart.
Een groot deel van de lig boxenafscheidingen hingen los.
Ik zag meerdere scheefhangende afscheidingsbeugels en ik zag dat de onderzijde van meerdere loshangende metalen beugels scherp waren. Deze scherpe uitstekende [A.E. Harteveld: onleesbaar] toegankelijk voor de melkkoeien.
De huisvesting van werknummer 6353 op kale, oncomfortabele en vuile ligboxen is geen geschikte huisvesting voor een ziek dier.
Daarnaast werd mij de visitebrief van het kreupele rund met werknummer 5977 die zich op de weide achter de ligboxenstal bevond getoond. De klauwen van deze rechterachterpoot waren te lang en moesten bekapt worden.
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 83-134840-17:
7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2017 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit met nr. 131534/99581/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 1 t/m 28):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 23 januari 2017, bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , ons op een veehouderijbedrijf gelegen aan de [a-straat 1] , [plaats] .
Ik, verbalisant [verbalisant 1] zag dat in het 2e hok waarin 8 runderen (kalveren) verbleven aan de voorzijde van het hok een drinkbak voor de runderen was gemonteerd. Ik zag dat er geen water in de drinkbak stond en er verder geen mogelijkheden voor de runderen in dit hok was om te drinken.
Wij verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen dat zich in het tegenovergelegen 3e hok, 9 runderen (jongvee) bevonden. Verder zagen wij dat zich op de roostervloer die voor de ligboxen aanwezig is een hoeveelheid rundermest en urine aanwezig was die een deel van de roostervloer bedekte.
Wij verbalisanten zagen eveneens dat in de voergoot voor de voornoemde hokken restanten van hooi, stro en spruiten lagen. Nadat verbalisant [verbalisant 2] deze restanten van voer opzij had geschoven zagen wij dat zich in de voergoot voor de hokken een plakkerige laag oud, rot en beschimmeld voer bevond dat muf en zuur rook.
Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] wisten gelet op onze bevindingen dat deze voerrestanten niet meer aan runderen kunnen worden vervoederd. Wij wisten dat dit (rotte) voer niet meer geschikt was om aan runderen te vervoederen. [A.E. Harteveld: onleesbaar] runderen schraal waren en zich in een verminderde voedingsconditie bevonden. Wij, zagen dat deze runderen stro aan het eten waren dat zojuist voor aanvang van onze controle door verdachten in de hokken was gelegd. Dit duidde er op dat deze runderen hongerig waren. Toezichthoudend dierenarts [betrokkene 1] duidde ons, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op de verminderde voedingsconditie van de runderen in de 3 hokken en deelde mede dat dit mogelijk werd veroorzaakt door het feit dat het aan de runderen verstrekte voer van onvoldoende kwaliteit was.
In het linkse gedeelte van de ligboxenstal waren met name droogstaande runderen en ouder jongvee (totaal 39 stuks) gehuisvest.
Ook zagen wij dat in de ligboxen veel oude en aangekoekte mest aanwezig was. Wij dat zagen op verschillende plaatsen in deze ligboxen bulten vastgekoekte mest op de ligplaatsen van de runderen aanwezig waren. Doordat de ligplaats door de aanwezigheid van aangekoekte mest ongelijk wordt beschikken deze runderen niet over een comfortabele en hygiënische ligplaats en kunnen hiervan fysiek ongerief ondervinden.
In dit gedeelte van deze stal bevonden zich verder 2 runderen voorzien van de oormerken met de werknummers 6020 en 5957. Wij, verbalisanten zagen dat met name aan de achterzijde de klauwen van deze runderen te lang waren en omhoog groeiden (zogenaamde jubeltenen). Wij wisten dat deze runderen hiervan hinder konden ondervinden bij het lopen en staan. Wij wisten dat de klauwen van minimaal 2 runderen niet tijdig waren bekapt.
8. Een ander geschrift, te weten een veterinaire verklaring d.d. 31 januari 2017 met nr. 131534/99581/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer, in - zakelijk weergegeven (p. 1 t./m 21):
als relaas van dierenarts [betrokkene 1] :
Op 23-01-2017 werd(en) door mij beoordeeld:
Soort dieren: runderen
Gegevens omtrent de houder van dieren:
Naam/adres/plaats : [A] , [a-straat 1] , [plaats]
Locatie : [a-straat 1] , [plaats]
In het hok hiernaast links tegen de buitenmuur aan zag ik 8 stuks oudere kalveren in een hok met roostervloer en ligboxjes.
Bij het wegduwen van het bovenste laagje voer en stro in de voergoot zag ik dat de onderlaag donker, vuil en nat was. Ik rook een zure, onsmakelijke geur toen ik aan dit “voer” rook. Het was duidelijk dat dit oude voerresten betroffen die er al langere tijd lagen te verrotten en vergisten. Een ideale voerbodem voor allerlei ongewenste kiemen. De voerhygiëne hier was slecht.
De hygiëne van de ligboxen (het hof begrijpt uit de context: aan de linkerzijde van de stal) liet te wensen over. Er lagen ingedroogde, harde plakken mest in de ligboxen.
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 83-187118-18:
9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2018 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit met nr. 145538/111260/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 1 t/m 12):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Pleegdatum : 16 augustus 2018
Locatie : [a-straat 1 - 2] , [plaats]
Wij verbalisant [verbalisant 1] en toezichthouder [betrokkene 4] bevonden ons in de zogenaamde ligboxenstal van het bedrijf. Ik, verbalisant [verbalisant 1] zag dat in het achterste hok aan de linkerzijde van de stal een jong (roodbont, ongemerkt) kalf van enkele weken oud aanwezig was. Ik zag dat de vloer in dit gedeelte van de stal bestond uit een zogenaamde roostervloer. Gelet op de grootte van de spleten van de roosters kunnen jonge kalveren, zoals deze zich in dit stalgedeelte bevond met de klauwtjes en poten tussen de spleten van de roosters geraken. Hierdoor kunnen kalveren zelfs “ontschoend” raken hetgeen uiteraard zeer pijnlijk is en waarvan zij levenslang hinder van zullen ondervinden.
[Onleesbaar] badkuip lag waaraan scherpe randen zaten. Eveneens zag ik dat 3 ligboxafscheidingen in dit stalgedeelte waren afgebroken en los in de ligboxen lagen. Ik wist dat dit kalf met de poten tussen de ligbox afscheidingen terecht kan komen en zich kan bezeren en/of verwonden.
Toen ik, verbalisant [verbalisant 1] via de openstaande staldeuren aan de achterzijde van de stal naar buiten liepen zag ik dat zich in het weiland aan de achterzijde van de stal 5 jonge (ongemerkte) kalveren met een leeftijd van naar schatting 2-3 weken bevonden. Ik zag dat nabij de ingang van de stal voorwerpen lagen waaraan dieren zich kunnen bezeren en/of verwonden. Ik zag scheefliggende betonblokken, ijzeren platen met scherpe randen, losliggend prikkeldraad een houten pallet die kapot was een kapotte kruiwagen, landbouwmachines met uitstekende delen, etc.
10. Een ander geschrift, te weten een veterinaire verklaring d.d. 28 augustus 2018 met nr. 145538/111260/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 23 t/m 30):
als relaas van dierenarts [betrokkene 4] :
Op 16 augustus 2018 werd(en) door mij beoordeeld:
Soort dieren : runderen en schapen
Aantal dieren (geschat) : 124 runderen en 23 schapen
Gegevens omtrent de houder van dieren:
Naam/adres/plaats : [A] / [a-straat 1] / [plaats]
Locatie : [a-straat 1 - 2] , [plaats]
Ik zag aan de linkerkant, in het achterste hok, een roodbont kalf van enkele weken, oud lopen. Ik zag dat dit kalf geen oormerken in had. Ik zag dat het kalf op de roostervloer bestemd voor koeien liep. Ik zag dat de spleetbreedte van deze vloer te breed was voor de klauwen van het kalf en dat het kalf met de klauwen klem kon komen te zitten tussen de roosters. Ik zag in dit gedeelte van de stal een omgekeerde badkuip met scherpe randen liggen en ik zag dat drie ligboxafscheidingen afgebroken en los waren. Ik wist dat het kalf zich aan deze materialen kon verwonden en/of bezeren .
Ik zag dat de deuren van de ligboxen uitkwamen op het weiland achter de ligboxenstal. Toen ik dit weiland inliep zag ik vlakbij de ingang van de stal voorwerpen liggen waaraan dieren zich konden verwonden en/of bezeren: scheefliggende betonblokken, platen van ijzer met scherpe randen, een kapotte kruiwagen, losliggend prikkeldraad, landbouwmachines en kapotte pallets. Ik zag dat hier 5 jonge kalveren van ongeveer 2 tot 3 weken oud liepen.
De vijf kalveren die zich in de wei bevonden, hadden tevens toegang tot de ligboxenstal met roostervloer en ligboxen, zowel tot het linker als het rechter gedeelte. Ook voor deze kalveren waren de spleten in de roostervloer te breed.
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 83-157821-18:
11. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2018 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit met nr. 142663/109046/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 1 t/m 20):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Gepleegd binnen de gemeente : [plaats]
Plaats vaststellen overtreding : [plaats]
Pleegdatum : 29 maart 2018
1e hok
Verder zagen wij dat in het eerste hok aan de linkerzijde 6 kalveren waren gehuisvest voorzien van de oormerken met de werknummers 6340, 6342, 6335, 6353, 6344, 6341 en 6352. Wij zagen dat een gedeelte van vloer van dit hok was bedekt met een laag stro vermengd met mest en urine van de kalveren die in dit hok verbleven. Wij zagen dat deze laag stro bruin verkleurd en nat was. Deze kalveren beschikten niet over een hygiënische huisvesting. Ook hadden niet alle dieren de beschikking over een schone en droge ligplaats.
3e hok
Tegenover het hok met deze kalveren bevond zich een hok met hierin 17 pinken (rund met een leeftijd van ongeveer 1 jaar) . Wij, verbalisanten zagen dat in dit hok 12 ligboxen aanwezig waren [A.E. Harteveld: onleesbaar]
Verder zagen wij dat in verschillende ligboxen oude en verse rundermest aanwezig was. Wij zagen dat de vloer van dit hok eveneens bedekt was met een laagje natte, dunne rundermest en urine. Gelet op onze bevindingen waarbij werd geconstateerd dat zowel de vloer van het hok en verschillende ligboxen bevuild zijn met mest en urine wisten wij dat deze runderen niet beschikten over voldoende schone- en droge ligplaatsen en een hygiënische huisvesting.
12. Een ander geschrift, te weten een veterinaire verklaring d.d. 11 april 2018 met nr. 14663/109046/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk-weergegeven (p. 52 t/m 63):
als relaas van dierenarts [betrokkene 4] :
Op 29 maart 2018, werd(en) door mij beoordeeld:
Soort dieren : runderen en schapen
Aantal dieren (geschat) : 129 runderen en 26 schapen met lammeren
Gegevens omtrent de houder van dieren:
Naam/adres/plaats : [A] / [a-straat 1] / [plaats]
Locatie : [a-straat 1] , [plaats]
In het eerste hok werden 6 kalveren met werknummers 6340, 6342, 6335, 6353, 6344, 6341 en 6352 gehouden. Ik zag dat zij werden gehouden op een roostervloer bedekt met stro, en dat dit stro grotendeels vermengd was met mest en urine. Deze kalveren beschikten niet over een hygiënische huisvesting. Ook hadden niet alle dieren de beschikking over een schone en droge ligplaats.
Tegenover de kalveren zag ik een hok waarin 17 pinken werden gehouden op roostervloer met ligboxen. Ik telde in dit hok 12 ligboxen en zag dat in diverse ligboxen oude en verse mest lag. Niet alle dieren in dit hok hadden de beschikking over een geschikte schone en droge ligplaats. Verder zag ik dat de roosters bedekt waren met een dunne laag mest. De runderen in dit hok werden niet gehouden in een hygiënische huisvesting.
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 83-177078-19:
13. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2019 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit met nr. 151633/116853/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 1 t/m 16):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 10 mei 2019 bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en toezichthouders [betrokkene 1] en [betrokkene 5] ons aan de [a-straat 1] , [plaats] .
Wij zagen dat in het eerste hok aan de linkerzijde van de stal gezien vanaf de ingang 6 kalveren waren gehuisvest. Deze kalveren waren voorzien van de oormerken met de werknummers 6414, 6415, 6417, 6419, 6424 en 6433.
Wij zagen dat er een buis aan het voerhek was bevestigd en dat de kalveren er met de nek tegenaan stootten en schuurden tijdens het vreten. Wij zagen dat de haren reeds van de nekken aan het verdwijnen waren respectievelijk dat de nekken kaal waren. Wij zagen dat de nekken van de kalveren als gevolg van het stoten en schuren langs de buis aan het voerhek nekbeschadigingen/nekletsel vertoonden.
3e Hok:
Tegenover het hok met kalveren bevond zich, tevens aan de linkerkant van de stal, een hok met hierin 12 pinken (rund met een leeftijd tot ongeveer 1 jaar).
Verder zagen wij dat er in de voergoot voor dit hok een bruine kleverige smurrie lag met hierop enkele aardappelen. Wij zagen dat de bruine smurrie in dit geval gehakselde mais betrof. Toen ik, verbalisant [verbalisant 1] een beetje van de gehakselde mais/voer van de vloer raapte voelde ik dat het nat, plakkerig en rot was. Tevens rook ik een muffe grondlucht bij dit “voer”.
Gelet op onze bevindingen wisten wij dat het voer in de voergoot niet meer geschikt was om aan (12) runderen te vervoederen omdat rot/plakkerig voer (met hierin evt. veel schimmels en bacteriën) ongeschikt voer is en de gezondheid en welzijn van de dieren kan benadelen.
Strohok op de voergang en roostervloer bij melkgevende runderen:
[A.E. Harteveld: onleesbaar] en de kalveren langs- de opening via het hek uit het hok konden lopen en in het gedeelte van de stal waar de melkgevende runderen zich bevonden konden komen. Wij zagen dat zich eveneens 4 kalveren tussen de melkgevende runderen bevonden.
In het gedeelte waar de melkgevende runderen verblijven is de vloer voorzien van zogenaamde (beton)roosters. Gelet op de grootte van de spleten van de roosters kunnen jonge kalveren, zoals deze zich in het strohok bevonden en tussen de melkgevende runderen aanwezig waren met hun klauwtjes tussen de spleten van de roosters geraken. Hierdoor kunnen zij zelfs “ontschoend” raken, hetgeen uiteraard zeer pijnlijk is.
Tijdens deze controle heeft toezichthoudend dierenarts [betrokkene 1] in aanwezigheid van ons, verbalisanten op een aantal plaatsen de spleten van de roostervloer in het gedeelte van de melkgevende runderen opgemeten. Zij mat tussen de roosters direct voor het strohok. Deze spleten hadden een spleetbreedte van 3,9, 4,0 en 4,0 cm. Verdeeld over de roostervloer richting de melkput die aan de voorzijde van dit stalgedeelte is gesitueerd mat zij spleten tussen de roosters van 3,7, 3,8, 4,0 en 4,0 cm.
Ik, verbalisant [verbalisant 1] heb een drietal spleten in de roosters van de vloer in aanwezigheid van verdachte [betrokkene 2] gemeten. Ik mat de navolgende waarden: 3,7, 3,8 en 4,0 cm.
Alle door toezichthoudend dierenarts [betrokkene 1] en verbalisant [verbalisant 1] gemeten waarden kwamen ruim boven de 3,0 cm uit.
De roostervloer die in dit stalgedeelte bij de melkgevende runderen aanwezig is, vormt voor jonge kalveren hierdoor geen stevige, vlakke en stabiele oppervlakte.
Wij verbalisanten zagen dat het pad, direct achter de stal, het koepad zeer ongelijk was en er stukken beton met scherpe randen schots en scheef op de grond lagen.
Toen wij naar links achter de stal liepen zagen wij dat de ijzeren platen van de achterdeuren van de stal provisorisch waren afgedekte met houten platen. Wij zagen dat de onderzijden van de deuren echter onbeschermd waren en dat er delen van de ijzeren platen los zaten en omgekruld waren. Wij zagen dat de ijzeren randen van de platen scherp en rafelig waren. Wij wisten dat deze scherpe randen van de ijzeren platen verwondingen en pijn en letsel konden veroorzaken bij de runderen runderen indien zij in aanraking komen met deze platen. Wij verbalisanten zagen verder nog losliggende ijzeren platen op het koepad liggen. Tevens stond er een scherp stuk metaal naast een weipaal in de grond. Dieren kunnen zich aan deze materialen bezeren en/of verwonden.
14. Een ander geschrift, te weten een veterinaire verklaring d.d. 24 mei 2019 met nr. 151633/116853/6017316/2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 97 t/m 111):
als relaas van dierenarts [betrokkene 1] :
Op 10 mei 2019, werd(en) door mij beoordeeld:
Soort dieren : runderen, kippen, schapen
Aantal dieren : 119 runderen en 24 schapen (op stallijst), tiental kippen
Gegevens omtrent de houder van dieren:
Naam/adres/plaats : [A] , [a-straat 1] , [plaats]
Locatie : [a-straat 1] , [plaats]
Ik zag dat er een metalen buis dwars over het voerhek was bevestigd met strotouwtjes. Ik zag hoe een kalf de kop door dit voerhek stak en daarbij door deze buis gehinderd werd, waarbij de buis tegen de schoft aan drukte. Tijdens de vorige controle op het bedrijf had ik dit besproken met de veehouder. Kennelijk hadden ze geen passende maatregelen genomen om dit probleem op te lossen. Ik zag namelijk bij dit kalf en alle vijf andere kalveren in dit hok dat de haren ter hoogte van de nek weggeschuurd waren (werknummers 6414, 6415, 6417, 6419, 6424 en 6433). Ik zag dat de huid op deze kale plekken wat geribbeld en verdikt was door eeltvorming bij alle zes kalveren. Door deze continue belasting ontstaan klootjes en wondjes op deze plek en dit zijn ideale intredepoorten voor bacteriën.
Ook de toedieningswijze van het voer wordt op deze wijze, als gevolg van de te lage buis, bemoeilijkt, doordat de buis een natuurlijke, fysiologische houding tijdens het vreten van de voergang bemoeilijkt.
In het derde hok aan de linkerzijde van de centrale voergang bevond zich een hok met jongvee (nummer 5 op de plattegrond). Ik zag dat dit jongvee tevens toegang had tot een weiland. Ik telde hier 12 stuks jongvee. Ik zag dat er hooi, een natte pap en aardappelen voor het voerhek lag. Op deze vuile laag voer [A.E. Harteveld: onleesbaar] aanbieden van voer en voldoet niet aan diervoederhygiëne. De voerhygiëne hier was slecht. Wanneer runderen moeten eten van een vuile en onhygiënische voergoot besmetten ze zich via de neus en muil met de aanwezige kiemen uit deze vuile onderlaag. Dit vormt een continue belasting van het afweermechanisme van het dier en is nadelig voor de diergezondheid.
In de ligboxenstal bij de melkkoeien zag ik twee zwartbonte en 1 roodbont kalf zonder oormerken. Ik keek bij twee kalveren naar de navel en zag daar nog een restant van de ingedroogde navelstreng hangen. Hierdoor wist ik dat deze kalveren nog geen 10 dagen oud waren. Het houden van pasgeboren kalveren in een ligboxenstal met roostervloer met roosterspleten die geschikt zijn voor volwassen melkkoeien is zeer risicovol. De spleetbreedte in de roostervloer van de melkkoeien is gebaseerd op de grootte van een volwassen runderklauw, zodat de koe niet met de klauw vast kan komen te zitten in de spleet, maar de mest en urine wel goed weg kan lopen. De klauwen van pasgeboren kalveren zijn echter veel kleiner dan die van het volwassen rund. De spleetbreedte van de roosters voor volwassen runderen is dermate breed, dat de klauw van een kalf hierin gemakkelijk kan wegzakken (en zelfs blijven haken). Dit is een ernstig gezondheidsrisico voor het kalf. Ontschoenen en/ of fracturen in de klauw hebben veelal fatale gevolgen voor het kalf en zijn daarbij extreem pijnlijk.
Men geeft zelfs maximale spleetbreedtes aan van 3.0 cm voor gespeende kalveren. Tijdens de controle op 10 mei 2019 hebben zowel ikzelf als de inspecteurs op verschillende plaatsen in de ligboxenstal van de melkkoeien de spleetbreedtes gemeten. Deze spleetbreedtes waren allen ruim boven de 3.0 cm. De waardes die ik noteerde waren volgende spleetbreedtes: 3.9/4.0/4.0/3.7/3.8/4.0/4.0.
Daarbij is het koepad naar de weilanden een grote hindernisbaan met scherpe uitstekende metalen platen, randen, diepe afstappen van betonplaten met scherpe randen enz. Net als de kalveren lopen de melkkoeien en stief risico, door de aanwezige en voor deze dieren toegankelijke scherpe en uitstekende delen van het koepad dat van de ligboxenstal naar de wei loopt. De schots en scheef liggende betonplaten met grote diepte verschillen (meer dan 20 cm), waarbij de scherpe betonnen rand de runderen kan verwonden. De uitstekende, veelal sterk verroeste metalen platen met scherpe randen vormen een reëel risico op verwondingen en zorgen voor een onveilige omgeving voor deze dieren.
Ten aanzien van de parketnummers 83-145986-16, 83-12764 7-19, 83-134840-17 en 83-177078-19:
15. Getuigenverklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2023:
als relaas van [verbalisant 1] :
Met betrekking tot de voergoten:
U houdt mij voor dat ik heb gerapporteerd dat de bovenste laag vers was en dat daaronder het oude voer lag. Ja, ik heb schimmel en rotting geconstateerd. U vraagt mij waarom/dit niet voldoet aan de norm van zorg, nu de dieren wel vers voer kregen. Je kunt niet voeren over het rotte voer. De dieren gaan met hun bek in het voer en eten dan ook het slechte voer op, dat is schadelijk. Door het eten wordt het voer vermengd.”
3.4 Verder bevat de bewijsmiddelenbijlage de volgende bewijsoverweging:
“Extra bewijsoverweging, geldend voor alle tenlastegelegde feiten.
Uit het rapport van [betrokkene 1] d.d. 24 mei 2019 (en de overige rapporten van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] zoals genoemd in de gebezigde bewijsmiddelen):
Is de gezondheid en/of het welzijn van de dieren naar uw mening benadeeld?
Ja, de gezondheid en het welzijn zijn benadeeld. In gevolge artikel 1.3 Wet dieren wordt erkend dat dieren een ’eigen’ waarde hebben. Dieren dienen gevrijwaard te zijn van gezondheids-, welzijns- en integriteitsaantasting. Deze zijn verwoord in de 5 vrijheden van Brambell. Alleen als aan de vijf vrijheden is voldaan, krijgen de dieren de zorg die zij redelijkerwijs behoeven. Dieren moeten gevrijwaard zijn:
1. van dorst en onjuiste voeding:
de beschikbaarheid van vers water en geschikt voer is essentieel voor een optimale gezondheid en energiehuishouding.
2. fysiek en fysiologisch (thermaal) ongerief:
door een geschikte (tochtvrij, goede temperatuur, en voldoende omvang) en veilige huisvesting te bieden, inclusief een comfortabele rust/schuilplaats.
3. pijn, verwondingen en ziektes:
door deze te voorkomen en wanneer ze toch optreden ze snel en adequaat te diagnosticeren en te behandelen.
4. angst en chronische stress:
door een huisvesting en management te hanteren die angst en stress voorkomen, door een goede socialisatie om angst voor mensen in de toekomst te voorkomen.
5. en van beperkingen in hun natuurlijk/normaal gedrag:
door het aanbieden van een huisvestingssysteem waarin het dier zijn soort specifieke behoeften (eten en drinken, bewegingsvrijheid, foerageergedrag, hygiëne/poetsgedrag, exploratiegedrag, contact met soortgenoten en dat de dieren overzicht hebben over de omgeving en dingen kunnen aan zien komen) kan vervullen.
Deze vijf vrijheden van Brambell zijn als minimum norm gesteld in de Wet Dieren, artikel 1.3 lid 3 voor de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven.
Hieruit volgt dat de verbalisanten en toezichthoudend dierenartsen de juiste norm hebben toegepast in hun beoordeling van de situatie.”
4. Het derde middel
4.1
Als ik het middel – mede gelet op de toelichting – goed begrijp, klagen de stellers ervan in de kern dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bestanddeel “de nodige verzorging te onthouden” als bedoeld in art. 2.2 lid 8 Wet dieren (hierna: Wd), aangezien het hof kennelijk heeft geoordeeld dat art. 1.3 lid 3 Wd het kader vormt ter beoordeling van de vraag of sprake is van “het onthouden van de nodige verzorging” in de zin van art. 2.2 lid 8 Wd.
4.2
Volgens de stellers van het middel heeft het hof in de hiervoor onder 3.4 reeds weergegeven bewijsoverweging als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het begrip “de nodige zorg te onthouden” in de zin van art. 2.2 lid 8 Wd moet worden ingevuld aan de hand van de vijf vrijheden van Brambell die zijn opgenomen in art. 1.3 lid 3 Wd. De stellers van het middel menen dat dit impliciete oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat art. 1.3 lid 3 Wd zich niet richt tot houders van dieren en geen zelfstandig handhaafbare norm is. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen de stellers van het middel naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep voor het Bedrijfsleven van 18 februari 2016.1.
4.3
Voor de beoordeling van het middel zijn (onderdelen van) de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 1.3 Wd:
“1. De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.
2. Onder erkenning van de intrinsieke waarde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, wordt ten volle rekening gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven in elk geval gerekend dat dieren zijn gevrijwaard van:
a. dorst, honger en onjuiste voeding;
b. fysiek en fysiologisch ongerief;
c. pijn, verwonding en ziektes;
d. angst en chronische stress;
e. beperking van hun natuurlijk gedrag;
voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd.”
- Art. 2.2 lid 8 Wd:
“Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.”
- Art. 8.11 Wd:
“Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen […] 2.2, zesde lid, eerste volzin, en achtste lid […] zijn misdrijven.”
- Art. 8.12 Wd:
“1. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen […] 2.2, zesde lid, eerste volzin, en achtste lid […], worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of een geldboete van de vijfde categorie.
[…]
6. Indien gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen […] 2.2, achtste lid, […], in de uitoefening van beroep of bedrijf zijn gepleegd, kan een geldboete worden opgelegd van de naast hogere categorie.”
- Art. 1.8 lid 2 Besluit houders van dieren (hierna: Bhvd):
“Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden.”
- Art. 2.35 Bhvd:
“1. De vloer van een stal is stroef en aangepast aan het gewicht en de grootte van de kalveren en vormt een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de eigenschappen van de vloer.”
- Art. 2.36 Bhvd:
“1. De ligruimte van een stal is comfortabel en zindelijk, beschikt over een behoorlijke afvoer en is niet schadelijk voor de kalveren.
2. De vloer van de stal van kalveren jonger dan twee weken is ingestrooid met adequaat strooisel.
3. Kalveren met uitzondering van vleesstierkalveren ouder dan twee maanden beschikken over ligruimte die is ingestrooid of is voorzien van een kunststof mat, houten lattenrooster of rubber toplaag.
4. De oppervlakte van de ligruimte bedraagt in stallen waarin de kalveren niet zijn aangebonden of niet in eenlingboxen zijn gehuisvest, voor kalveren tot een leeftijd van drie maanden ten minste 0,50 m2 beschikbare ruimte per kalf en voor kalveren ouder dan drie maanden ten minste 0,70 m2 beschikbare ruimte per kalf.”
4.4
De tenlastelegging is toegesneden op art. 2.2 lid 8 Wd. Daarom moet worden aangenomen dat de in de bewezenverklaring voorkomende woorden “de nodige verzorging heeft onthouden” zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.
4.5
Het middel doet de vraag rijzen hoe het begrip “de nodige verzorging heeft onthouden” moet worden ingevuld. Ter beantwoording van deze vraag zal ik de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2.2 lid 8 Wd weergegeven. Daarna zal ik kort ingaan op gedelegeerde regelgeving. Tot slot zal ik jurisprudentie van de Hoge Raad over (de voorloper van) deze bepaling bespreken.
4.6
Art. 2.2 lid 8 Wd is als volgt tot stand gekomen. In 1886 werd in art. 254 Sr de mishandeling van een dier strafbaar gesteld.2.Het verbod strekte enkel tot het beschermen van menselijke belangen, zoals de economische waarde en de utiliteitswaarde van een dier. De bescherming van de belangen van het dier zelf werd niet nagestreefd met dit verbod.3.In 1920 werd art. 254 Sr gewijzigd. In lid 1 werd onder 1° strafbaar gesteld: “het zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, opzettelijk aan een dier pijn of letsel veroorzaken of de gezondheid van een dier benadelen”. Onder 2° werd “het zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van een zodaanig doel toelaatbaar is, opzettelijk aan een dier dat geheel of ten deele aan hem toebehoort en onder zijn opzicht staat of aan een dier tot welks onderhoud hij verplicht is, het noodige levensonderhoud onthoud[en]” strafbaar gesteld.4.Vervolgens werd in 1961 het onthouden van “het noodige levensonderhoud” veranderd in het onthouden van “de nodige verzorging”.5.Hiermee werd beoogd verwaarlozing ook onder het bereik van art. 254 Sr te brengen. Dat viel voor die tijd niet onder art. 254 Sr, omdat het “opzettelijk de gezondheid benadelen” in veel gevallen niet te bewijzen was.6.
4.7
In 1996 werd het voorschrift van art. 254 Sr in enigszins gewijzigde vorm overgeheveld naar art. 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWWD).7.Dit artikel hield in: “Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden”. De wijziging was ingegeven door een veranderde kijk op dieren. Waar in 1886 nog het uitgangspunt was dat dieren geen rechten hebben en art. 254 Sr enkel strekte tot bescherming van de mens, werd met art. 37 GWWD beoogd het dier zelf te beschermen. De gedachte achter de redactie van de tekst van art. 37 GWWD was dat er geen enkel doel is dat het onthouden van de nodige verzorging als middel rechtvaardigt.8.
4.8
Toen op 1 juli 2014 de GWWD verviel, werd dit verbod opgenomen in art. 2.2 lid 8 Wd.9.Aan deze laatste wijziging lag geen gewijzigd inzicht ten grondslag.10.In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van de Wd (Wet van 19 mei 2011, Stb. 2011, 345) werd aangegeven dat het uitgangspunt van de Wd is dat dieren een eigen, zelfstandige waarde hebben, die losstaat van de gebruikswaarde die de mens aan dieren toekent. Deze intrinsieke waarde van het dier kwam, aldus de Memorie van Toelichting, in de GWWD al tot uitdrukking in onder meer het verbod op verwaarlozing. In de Wd is de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier expliciet vastgelegd in art. 1.3 Wd.11.Meermalen is benadrukt dat uit de erkenning dat elk dier een eigen zelfstandige waarde heeft, geen concreet normatief gevolg voortvloeit.12.
4.9
Behalve de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2.2 lid 8 Wd, kan gedelegeerde regelgeving aanknopingspunten bieden voor de invulling van het begrip “de nodige verzorging te onthouden”.13.In het Bhvd zijn de welzijnsbepalingen uit de Wd voor bepaalde diersoorten nader ingevuld.14.Het Bhvd bevat allereerst algemene bepalingen die voor alle diersoorten gelden, waaronder art. 1.8 lid 2 Bhvd. Dit artikel houdt onder meer in dat de behuizingen waarin een dier verblijft, waaronder de vloer wordt begrepen, op een zodanige manier moet zijn ontworpen en gebouwd dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt. Daarnaast behelst het Bhvd specifieke bepalingen voor bepaalde diersoorten. Met betrekking tot kalveren zijn dat onder meer art. 2.35 en 2.36 Bhvd.15.Uit deze artikelen vloeit onder andere voort dat de vloer van de stal waarin kalveren verblijven moet zijn aangepast aan het gewicht en de grootte van de kalveren en een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte moet vormen, evenals dat kalveren moeten beschikken over een ligruimte die is voorzien van een kunststof mat, houten lattenrooster of rubber toplaag. De normen in het Bhvd betreffen minimumeisen die gelden voor het welzijn van dieren. Zij vullen daarmee het welzijnsbegrip in.16.
4.10
Voorts kan informatie over de betekenis van het onthouden van “de nodige verzorging” worden ontleend aan de jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 2.2 lid 8 Wd en art. 37 GWWD. Een concrete omschrijving van dit bestanddeel heb ik in de jurisprudentie van de Hoge Raad niet aangetroffen. Wel bevat de rechtspraak van de Hoge Raad een aantal zaken waarin het oordeel van het hof dat sprake was van het onthouden van de nodige verzorging aan (een) dier(en), in stand bleef.
4.11
Allereerst kan het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1095 worden genoemd. In deze zaak had de verdachte zijn hond achtergelaten bij een supermarkt, niet gereageerd op oproepen van supermarktpersoneel en de hond uiteindelijk 3 uur en 45 minuten achtergelaten, waarna de hond uiteindelijk werd meegenomen door de dierenambulance. Mijn ambtgenoot Spronken oordeelde dat deze situatie kon worden aangemerkt als het onthouden van de nodige verzorging aan de hond.17.De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.18.
4.12
Daarnaast kan gewezen worden op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1081. Het betrof een hond die verbleef op de kamer van de verdachte zonder dat een voederbak en verpakkingen hondenvoedsel waren aangetroffen. Het hof had vastgesteld dat de hond geen beschikking had over vers voedsel en drinkwater. Een dierenarts had verklaard dat de hond erg mager was. Spronken stelde in haar conclusie dat het hof kon oordelen dat aan de hond de nodige verzorging was onthouden, doordat onvoldoende voedsel was verstrekt.19.Ook hier verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep met een verwijzing naar art. 81 lid 1 RO.20.
4.13
In een andere zaak was vastgesteld dat de verdachte onvoldoende en/of beschimmeld en bevroren voedsel en drinkwater had gegeven aan dieren, dat deze dieren zich in hun verblijven konden bezeren aan scherpe voorwerpen, dat hun vachten vervuild waren geraakt met mest en urine en dat een aantal paarden te lang niet bekapte voorhoeven hadden. Volgens mijn ambtgenoot Paridaens kon het hof uit deze vaststellingen afleiden dat de verdachte de nodige zorg had onthouden aan de dieren.21.In zijn arrest van 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2150, verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.22.
4.14
In de zaak die resulteerde in het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1674, ging het om honden die zich bevonden in een schuur met een bodem die vervuild was door urine en ontlasting, een sterke ammoniaklucht en gebrek aan ventilatie en verlichting. Mijn ambtgenoot Keulen stelde in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest dat dit kan worden aangemerkt als een situatie van verwaarlozing en dat in de vastgestelde feiten en omstandigheden besloten ligt dat voor de dieren sprake was van fysiek en fysiologisch ongerief, zodat het hof kon oordelen dat aan de honden de nodige verzorging is onthouden.23.Ook deze zaak deed de Hoge Raad af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.24.
4.15
Als laatste noem ik het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1154. In deze zaak draaide het vooral om de vraag of het vaststellen van een welzijnsaantasting op één specifiek moment toereikend is voor de bewezenverklaring van het onthouden van de nodige verzorging aan een dier. Spronken betoogde in haar conclusie dat dit afhangt van de aard en de ernst van de welzijnsaantasting. Soms zal uit de welzijnsaantasting kunnen worden afgeleid dat deze niet in één keer kan zijn ontstaan en dus het gevolg moet zijn van een langere periode van het onthouden van de nodige verzorging. Daarnaast speelt mee of de houder van een dier wist van de welzijnsaantasting, maar desondanks niet de zorg heeft verleend die nodig was.25.Uit de bewijsvoering in deze zaak bleek dat aan de wanden en hokafscheidingen van de verblijven van runderen scherpe randen en uitsteeksels zaten, dat de runderen geen schone en droge ligplaats hadden en dat er een ziek rund niet was afgescheiden in een daarvoor geschikt onderkomen. Bij hercontroles werd ongeveer hetzelfde vastgesteld. Volgens Spronken getuigde het oordeel van het hof dat daarmee sprake was van het onthouden van de nodige zorg aan de dieren, niet van een onjuiste rechtsopvatting.26.De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met een verwijzing naar art. 81 lid 1 RO.
4.16
Uit het voorgaande volgt mijns inziens het volgende over het begrip “de nodige verzorging te onthouden” als bedoeld in art. 2.2 lid 8 Wd. Hiervan is in ieder geval sprake bij verwaarlozing.27.Een evident voorbeeld hiervan is het volledig ontbreken van medische verzorging of voedsel.28.In minder evidente gevallen kan de vraag worden beantwoord of sprake is van een aantasting van het welzijn van het dier die ofwel is ontstaan door het doen of nalaten van de houder van het dier, ofwel heeft voortgeduurd doordat de houder van het dier geen actie heeft ondernomen naar aanleiding van de welzijnsaantasting terwijl dit wel geboden was. Voor het vaststellen van een welzijnsaantasting kunnen de vijf vrijheden van Brambell die zijn genoemd in art. 1.3 lid 3 Wd relevant zijn. Dit betekent niet dat art. 1.3 lid 3 Wd de norm is waarmee art. 2.2 lid 8 Wd wordt ingevuld; het vaststellen van een welzijnsaantasting is immers niet voldoende om te constateren dat de nodige zorg is onthouden aan een dier. Daarvoor is ook vereist dat blijkt waarom het ontstaan of het voortduren van die welzijnsaantasting aan de houder van het dier is te wijten. Dat neemt evenwel niet weg dat de vraag of het welzijn van de dieren is benadeeld, wel een relevante factor is bij het beantwoorden van de vraag of de nodige zorg is onthouden. Een aantasting van het welzijn kan immers een aanwijzing zijn dat sprake is van een slechte verzorging.29.Daarnaast is een overtreding van een norm uit het Bhvd mijns inziens een belangrijke indicatie dat sprake is van een welzijnsaantasting die aan de houder van het dier te wijten is.
4.17
In de onderhavige zaak blijkt uit de bewijsvoering van het hof het volgende. Het als bewijsmiddel 3 gebruikte proces-verbaal van bevindingen van de NVWA houdt onder meer in dat tijdens een inspectie bij de verdachte rechtspersoon op 7 maart 2016 de bodem van meerdere hokken bedekt was met mest, urine en nat strooisel, dat runderen bedekt waren met een laag en klonten mest en dat zij niet konden beschikken over een schone en droge ligplaats. Verder konden kalveren niet beschikken over drinkwater en stonden in een loods waarin schapen werden gehouden landbouwmachines met scherpe delen waaraan de schapen zich konden bezeren.30.Deze feiten en omstandigheden vinden bevestiging in de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] (bewijsmiddel 4).
4.18
Op 23 januari 2017 heeft, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA van 3 mei 2017 (bewijsmiddel 7) en de veterinaire verklaring van de dierenarts [betrokkene 1] (bewijsmiddel 8) opnieuw een inspectie plaatsgevonden. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat op die datum wederom meerdere runderen niet konden beschikken over voldoende schoon en vers voer en drinkwater en dat hokken vervuild waren met mest en urine. Ook bleek dat de klauwen van twee runderen te lang waren.31.
4.19
Tijdens een inspectie op 29 maart 2018 werd blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA van 3 mei 2018 (bewijsmiddel 11) en de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 4] van 11 april 2018, opnieuw geconstateerd dat een hok met kalveren en een hok met pinken bevuild was met mest en urine, waardoor de kalveren en pinken niet alle over een schone en droge ligplaats konden beschikken.32.
4.20
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA van 31 augustus 2018 (bewijsmiddel 9) en uit de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 4] van 28 augustus 2018 (bewijsmiddel 10) blijkt dat bij een inspectie op 16 augustus 2018 werd vastgesteld dat kalveren verbleven in een verblijf of in een wei waarin voorwerpen lagen waaraan de kalveren zich konden verwonden, zoals een badkuip met scherpe randen en losliggend prikkeldraad, evenals dat kalveren toegang hadden tot verblijven met een roostervloer die voor runderen bestemd is. De spleetbreedte van deze vloer was te breed voor de klauwen van de kalveren, waardoor zij met hun klauwen daarin klem kunnen komen te zitten.33.
4.21
Het als bewijsmiddel 5 gebezigde proces-verbaal van bevindingen van de NVWA en de als bewijsmiddel 6 gebruikte veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] , geven weer dat tijdens de inspectie op 5 december 2018 bleek dat van diverse kalveren de vacht, de poten en de buik vervuild waren met mest, dat de voergoot onvoldoende gereinigd was en dat daarin rot hooi lag, dat een voorwerp met scherpe randen in het verblijf van de pinken lag, dat oude en/of aangekoekte mestresten in een hok waarin een pink verbleef lagen, dat de spleetbreedte van de roosters waar een kalf kon komen zodanig breed waren dat dat kalf ontschoend kon raken of klem kon komen te zitten, dat een rund kreupel was en dat de klauwen van dit rund te lang waren.34.
4.22
Op 14 februari 2019 werd volgens het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA (bewijsmiddel 1) en de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2) geconstateerd dat vier kalveren als gevolg van het stoten en schuren langs een buis aan het voerhek nekbeschadigingen vertoonden. Ook bleek dat in diverse ligboxen van de runderen oude, verse en aangekoekte mestresten lagen, alsmede dat de vachten van de runderen in die hokken vervuild waren met verse en aangedroogde mest. Voorts had de waterbak op verschillende plaatsen scherpe randen, waaraan de runderen zich kunnen verwonden wanneer zij drinken. In het gedeelte tussen de loods en de ligboxenstal waar 35 schapen toegang tot hadden bevonden lagen materialen waaraan de schapen zich kunnen verwonden en/of bezeren.35.
4.23
Tot slot blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA van 26 juni 2019 (bewijsmiddel 13) dat op 10 mei 2019 een aantal kalveren tijdens het eten hun nek stootten en schuurden aan een buis die aan het voerhek was bevestigd, waardoor hun nekken kaal werden, dat de voergoot onvoldoende gereinigd was in een hok waarin twaalf pinken en/of runderen verbleven, dat in het gedeelte waar de jongere kalveren met de melkgevende runderen verbleven de vloer was voorzien van (beton)roosters. Gelet op de grootte van de spleten van de roosters konden jonge kalveren met hun klauwtjes tussen de spleten raken, waardoor zij ontschoend konden raken en klem konden komen te zitten. Alle gemeten spleten waren boven de 3,0 cm, waardoor de vloer geen stevige, vlakke en stabiele oppervlakte vormt voor jonge kalveren. Tot slot blijkt dat zich op het buitenterrein ijzeren en houten platen bevonden met scherpe en losse delen, waaraan runderen zich konden verwonden en bezeren. Dit alles wordt bevestigd door de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] (bewijsmiddel 14).36.
4.24
Het hof heeft in de onder 3.4 weergegeven bewijsoverweging een passage geciteerd. Deze passage is afkomstig uit het rapport van [betrokkene 1] van 24 mei 2019 en uit de andere rapporten van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] , zoals genoemd in de bewijsmiddelen. Het citaat bevat een positieve beantwoording van de vraag of de gezondheid en/of het welzijn van de dieren is benadeeld. Daarbij wordt verwezen naar art. 1.3 Wd en de vijf vrijheden van Brambell. Een toetsing van het voorliggende geval bevat het citaat niet. Vervolgens wordt opgemerkt dat deze vrijheden van Brambell als minimumnorm voor de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven zijn opgenomen in art. 1.3 lid 3 Wd.37.De overweging sluit af met de opmerking van het hof dat ‘hieruit volgt’ dat de verbalisanten en toezichthoudend dierenartsen de juiste norm hebben toegepast in hun beoordeling van de situatie.
4.25
Anders dan de stellers van het middel, meen ik dat het hof hiermee niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het bestanddeel “de nodige zorg te onthouden”. De strafbepaling die het hof heeft toegepast, is art. 2.2 lid 8 Wd en niet art. 1.3 lid 3 Wd. Alleen al om die reden is de onderliggende zaak niet vergelijkbaar met de in de schriftuur aangehaalde uitspraak van het CBB. Het oordeel van het hof dat de verbalisanten en toezichthoudend dierenartsen de juiste norm hebben toegepast in hun beoordeling van de situatie, moet worden gelezen in het licht van de beantwoording van de vraag of de gezondheid en/of het welzijn van de dieren is benadeeld. Verder bieden de bewijsmiddelen meer dan voldoende grond voor de bewezenverklaring. In de vastgestelde feiten en omstandigheden ligt besloten dat sprake was van verwaarlozing en dat voor de dieren sprake was van fysiek en fysiologisch ongerief. Het oordeel van het hof dat de verdachte rechtspersoon de nodige verzorging heeft onthouden aan de dieren, getuigt daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting.
4.26
Het middel faalt.
5. Het eerste middel
5.1
Het middel bevat de klacht dat het hof niet heeft gereageerd op door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ten aanzien van de verschillende tenlastegelegde feiten.
5.2
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de verdediging in hoger beroep bij pleidooi diverse uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren heeft gebracht. Van deze diverse uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zijn in de schriftuur – zo begrijp ik – twee voorbeelden gegeven.38.De schriftuur blinkt niet uit in helderheid wat betreft het weergeven van deze voorbeelden en het formuleren van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.39.
5.3
Met enig giswerk meen ik uit de schriftuur te kunnen opmaken dat het eerste voorbeeld van (een) uitdrukkelijk onderbouwd(e) standpunt(en) betrekking heeft op de feiten die zijn tenlastegelegd in de zaken met de parketnummers 82-127647-19, 83-187118-18 en 83-177078-19, voor zover deze gaan over de spleetbreedte van de roostervloeren. De stellers van het middel verwijzen in dit verband naar de punten 97 tot en met 103, 104 en 105 en 146 tot en met 149 van de pleitnota in hoger beroep.
5.4
Deze punten van de pleitnota houden het volgende in (met weglating van voetnoten):
“83-187118-18
[…]
2de gedachtestreepje: spleetbreedtes
97. Onder het 2de gedachtestreepje gaat het om de spleetbreedtes in de roostervloeren. Gesteld wordt dat de kalveren met hun klauwen klem zouden kunnen komen te zitten in de spleetbreedte van de bodem van sommige verblijven. Hier is ook in eerste aanleg uitgebreid bij stilgestaan en dit is een discussiepunt dat al langer bestaat, zoals ook blijkt uit de verwijzing naar de rapporten van VetVice in het proces-verbaal.
98. Het is volstrekt gebruikelijk om runderen, waaronder ook kalveren, op roostervloeren te huisvesten. Cliënte stelt ook dat haar roostervloeren voldoen aan de eisen en dat de maximale spleetbreedte geschikt is voor kalveren. Die stelling wordt niet bestreden. Uit de tenlastelegging, de daaraan ten grondslag liggende rapporten of uit het rapport van VetVice blijkt niet dat de spleetbreedtes zijn nagemeten, evenmin blijkt dat de spleten bij cliënte te breed zijn of waar die stelling op gebaseerd is, zoals gezegd worden concrete breedtes in het geheel niet genoemd in die stukken, volstaan wordt met de stelling dat de spleten ‘te breed’ zouden zijn, zonder die stelling te concretiseren. De roosters bij cliënt hebben een spleetbreedte van 3 centimeter (30 mm).
99. Ook op de site van de RVO is onder de welzijnseisen voor kalveren in het geheel niets opgemerkt over de roostervloeren of de spleetbreedtes. In het besluit houders van dieren zijn in artikel 2.35 regels opgenomen met betrekking tot de eisen waar de vloer voor productiekalveren aan moet voldoen, maar daar is zoals gezegd niets opgenomen met betrekking tot roostervloeren of spleetbreedtes. Ook is een dergelijke nadere uitwerking niet gevolgd in enige ministeriële regeling. Aldus is nergens in de regelgeving opgenomen dat een spleetbreedte van 30 millimeter niet zou kunnen bij jonge kalveren.
100. Daarentegen is bijvoorbeeld op de site melkvee.nl, een artikel opgenomen over de overgang van een strohok naar ligboxen, waarin wordt opgemerkt dat de spleetbreedte voor de roosters maximaal 30 mm zou moeten zijn.
101. Sterker nog, op de site van VetVice zelf is een basisboek standaard werkwijzen opfok jongvee te vinden. In een tabel (tabel 8) onder paragraaf 4.1 ‘huisvesting’ op p. 27 van dat basisboek worden richtlijnen voor huisvesting van kalveren gegeven, zowel in de leeftijd 0,5 tot 3 maand en 3 tot 6 maand. Bij ‘Spleetbreedte roosters (cm)’ is in die tabel ‘3’ vermeldt. 3 centimeter aldus. Waarom de huisvesting bij cliënte niet zou voldoen, is reeds om die reden volstrekt onduidelijk, de spleten zijn daar immers 3 cm, 30mm.
102. Op basis van de enkele stelling van de toezichthouders van de NVWA kan dan ook niet gezegd worden dat de roostervloeren van cliënt ongeschikt zijn om jonge kalveren op te houden. De enkele stelling van de toezichthouders dat het risico op het ontschoend raken van de kalveren daarbij bestaat, is onvoldoende. Zoals gezegd is het gebruikelijk dat kalveren op een roostervloer worden gehouden en blijkt uit de rapporten niet dat de spleetbreedtes te smal zijn of iets dergelijks, vooral niet nu nergens is vastgelegd wat de maximale spleetbreedtes zijn voor jongvee. Een zoektocht op internet leert dat er wel richtlijnen zijn, maar dus geen regels. Bovendien blijkt dat cliënte aan die richtlijnen voldoet! Het bestaan van een overtreding is op dit punt dan ook volstrekt onvoldoende onderbouwd.
103. Ook voor het onder het 2de gedachtestreepje tenlastegelegde dient aldus vrijspraak te volgen, dat de roostervloeren van cliënte niet zouden voldoen en dat op dit punt van een zorgonthouding sprake is, blijkt gewoonweg niet.
Lex certa
104. Zou al aangenomen worden dat de vloer niet geschikt is, dan is onvoldoende kenbaar en voorzienbaar dat dit enige overtreding op zou leveren, zodat ook daarom op dit punt geen veroordeling kan volgen. Ook dit verweer is overigens door de rechtbank geheel en al onbesproken gelaten. Zoals gezegd is de regelgeving met betrekking tot de eisen waar een vloer aan moet voldoen niet nader uitgewerkt. Ook is nergens vastgelegd wat de maximale spleetbreedtes zijn. Het is voor cliënte dan ook in het geheel niet kenbaar en voorzienbaar dat zijn vloeren niet zouden voldoen voor het huisvesten van jonge kalveren, vooral niet nu hij wel aan de vindbare richtlijnen voldoet en nu bovendien richtlijnen over de roostervloer niet zijn opgenomen op de officiële, van de overheid afkomstige, informatie-websites over de huisvesting van jongvee.
105. Zou al gezegd worden dat aldus het feit dat de kalveren op een roostervloer met spleetbreedtes van 3 centimeter komen een overtreding oplevert -quod non- dan was dit voor cliënte niet kenbaar en voorzienbaar, zodat van strijd met het lex certa-beginsel sprake is. Dit maakt dat van een strafbare overtreding geen sprake is, zodat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen op dit punt.
[…]
83-177078-19
[…]
3de gedachtestreepje
146. Ook hier is wederom de inmiddels befaamde spleetbreedte opgenomen. Een overtreding op dit punt blijkt gewoonweg niet. Nergens volgt uit dat kalveren niet op roostervloeren gehouden zouden mogen worden, sterker nog, uit de informatie op internet en uit het onderzoek dat cliënte zelf heeft laten doen, volgt het tegendeel.
147. Voor het eerst hier wordt gesteld dat de spleetbreedtes bij cliënt ruim boven de drie centimeter zouden zijn. Het is van belang te benadrukken dat zulks eerder nooit het geval was, telkens is uitgegaan van 3 centimeter. Voor de eerdere tenlasteleggingen ontbreekt ook ieder bewijs dat de spleten breder zijn dan drie centimeter.
148. Cliënte bestrijdt dit echter ook in deze zaak. Uit het onderzoek dat cliënte heeft laten uitvoeren, waarvan de stukken zich in het dossier bevinden, blijkt ook de roosters 3 centimeter brede spleten hebben. Door slijtage zijn sommige plekken iets breder, maar zeker geen 4 centimeter.
149. In het dossier nu wordt, overigens na de in het bijzijn van de controleurs al herhaaldelijk in verschillende rechtszalen gevoerde discussie over de vraag of kalveren wel of niet op een roostervloer van 3 centimeter mogen, plots gesteld dat wel spleten van bijna 4 centimeter zijn aangetroffen. Er is slechts een aantal zeer onduidelijke overbelichte foto’s bijgevoegd, waaruit ook niet blijkt of het meetlint loodrecht lag. Voorts is het de verdediging onduidelijk waar precies is gemeten en of hier kalveren liepen. Ik verzoek u dan ook cliënt van dit onderdeel vrij te spreken. Indien uw hof uitgaat van de spleetbreedte van meer dan 3 centimeter, doet de verdediging hierbij het voorwaardelijke verzoek om ofwel middels inschakeling van een deskundige, dan wel middels descente, de breedte deugdelijk te doen vaststellen.”
5.5
Uit deze onderdelen van de pleitnota kan in de eerste plaats het primaire verweer worden gedestilleerd dat geen sprake is van onthouding van de nodige verzorging, aangezien met betrekking tot de zaken 83-187118-18 en 82-127647-19 niet uit de bewijsmiddelen blijkt hoe breed de spleten precies waren en met betrekking tot de zaak 83-177078-19 onduidelijke, overbelichte foto’s zijn bijgevoegd waaruit niet blijkt of het meetlint loodrecht lag en onduidelijk is waar precies gemeten is, zodat niet vaststaat dat de spleten breder waren dan 30 millimeter en nergens uit volgt dat een roostervloer van 30 millimeter ongeschikt is voor kalveren, zodat vrijspraak dient te volgen. In de tweede plaats volgt uit deze onderdelen van de pleitnota het subsidiaire standpunt dat, voor zover het houden van kalveren op een roostervloer met spleetbreedtes van 30 millimeter al een overtreding van art. 2.2 lid 8 Wd oplevert, dit voor de verdachte rechtspersoon niet kenbaar en voorzienbaar was, aangezien nergens is vastgelegd wat de maximale spleetbreedtes zijn, zodat sprake is van strijd met het lex certa-beginsel en ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen.
5.6
Het tweede voorbeeld ziet op het vierde gedachtestreepje van het tenlastegelegde feit in de zaak met het parketnummer 83-127647-19, te weten: “lagen in de ligboxen in het hok waar een pink met nummer 6353 verbleef oude en aangekoekte mestresten.” De stellers van het middel verwijzen met betrekking tot dit voorbeeld naar de punten 118 tot en met 120 van de pleitnota in hoger beroep.
5.7
Dit onderdeel van de pleitnota luidt als volgt:
“83-127674-19
[…]
4de gedachtestreepje
118. Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje, is wederom van belang dat niet duidelijk is welk verwijt ten aanzien van de zorgonthouding cliënte wordt gemaakt. Het tenlastegelegde verwijt is immers dat er oude en aangekoekte mestresten in het verblijf lagen.
119. Op welke wijze deze enkele aanwezigheid een zorgonthouding oplevert, blijkt niet. Niet blijkt bijvoorbeeld dat het rund in het geheel niet schoof of droog kon liggen.
120. Ook op dit punt blijkt aldus niet van een overtreding. Ik verzoek u dan ook cliënte van het onder het vierde gedachtestreepje tenlastegelegde vrij te spreken.”
5.8
Het in dit gedeelte van de pleitnota opgenomen standpunt houdt in dat de enkele aanwezigheid van oude en aangekoekte mestresten in het verblijf nog geen zorgonthouding oplevert, omdat niet blijkt dat het rund niet schoon of droog kon liggen, zodat vrijspraak moet volgen.
5.9
Het arrest bevat geen bewijsoverweging(en) of een uitdrukkelijke reactie op enig verweer. Wel is in de bewijsmiddelenbijlage de onder 3.4 reeds weergegeven overweging opgenomen.
5.10
Volgens de stellers van het middel heeft het hof niet gereageerd op de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. De algemene bewijsoverweging kan volgens hem niet gelden als een weerlegging van deze standpunten.
5.11
Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De rechter is verplicht te reageren op een standpunt wanneer dit duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie naar voren is gebracht. De verwerping van het standpunt kan ook besloten liggen in de door de rechter gebruikte bewijsmiddelen of in een aanvullende bewijsmotivering. Het ontbreken van een reactie is niet fataal wanneer het gaat om een ondergeschikt punt.40.
5.12
De hiervoor weergegeven standpunten kunnen mijns inziens niet anders worden opgevat dan als standpunten die duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof zijn voorgelegd. Het hof is van deze standpunten afgeweken, doordat het de feiten heeft bewezenverklaard. Het hof heeft niet uitdrukkelijk gemotiveerd waarom het van deze standpunten is afgeweken. De weerlegging van de verweren ligt echter besloten in de door het hof gebruikte bewijsmiddelen. Ik zal dat toelichten.
5.13
[…] het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (bewijsmiddel 5). Dit proces-verbaal houdt onder andere in dat een jong kalf vanuit het strohok liep naar het gedeelte van de stal waar de melkgevende runderen zich bevonden. In dit gedeelte met melkgevende runderen was de vloer voorzien van roosters. Kalfjes kunnen gelet op de grootte van de spleten van de roosters met hun klauwtjes en poten tussen de spleten van de roosters geraken, waardoor zij zelfs “ontschoend” kunnen raken, hetgeen zeer pijnlijk is.
5.14
Het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] (bewijsmiddel 13), dat het hof voor het bewijs heeft gebruikt in de zaak met het parketnummer 83-177078-19, bevat een vergelijkbare constatering van de verbalisanten. Ook blijkt uit de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] (bewijsmiddel 14), die eveneens is gebruikt voor het bewijs in de zaak met dit parketnummer, dat in de ligboxenstal bij de melkkoeien twee kalveren van nog geen tien dagen oud stonden, terwijl het houden van pasgeboren kalveren in een ligboxenstal met roostervloer met roosterspleten die geschikt zijn voor volwassen melkkoeien zeer risicovol is, omdat de spleetbreedte in de roostervloer van de melkkoeien is gebaseerd op de grootte van een volwassen runderklauw en dat de klauw van een kalf hierin gemakkelijk kan wegzakken, met ernstige gezondheidsrisico’s voor het kalf, te weten ontschoenen en/of fracturen in de klauw met veelal fatale gevolgen.
5.15
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [betrokkene 4] (bewijsmiddel 9), dat het hof voor het bewijs heeft gebezigd in de zaak met het parketnummer 83-187118-19, bevat met betrekking tot het achterste hok aan de linkerzijde van de ligboxenstal eveneens de vaststelling dat jonge kalveren, gelet op de grootte van de spleten van de roosters, zoals deze zich in dit stalgedeelte bevonden, met de klauwtjes en poten tussen de spleten van de roosters kunnen geraken en dat zij zelfs ontschoend kunnen raken. Ook houdt de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 4] (bewijsmiddel 10) in dat de spleetbreedte van de vloer in het achterste hok aan de linkerkant “te breed” was voor de klauwen van het kalf en dat het kalf met de klauwen klem kon komen te zitten tussen de roosters. Voorts blijkt uit dit bewijsmiddel dat vijf kalveren die zich in de wei bevonden, toegang hadden tot de ligboxenstal met een roostervloer, waarvan de spleten ook voor deze kalveren te breed waren.
5.16
Het hof heeft uit deze bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de spleten van de roosters waar de kalveren konden komen te breed waren voor de klauwen van de kalveren, waardoor die kalveren klem konden komen te zitten of ontschoend konden raken, zoals bewezenverklaard. Daaraan doet niet af dat uit de bewijsmiddelen niet zou blijken hoeveel millimeter de spleetbreedtes precies waren en dat een spleetbreedte van 30 millimeter ongeschikt zou zijn voor kalveren. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de spleten dusdanig breed waren dat de kalfjes hier met hun klauwen tussen konden komen te zitten. Bij die stand van zaken is het niet relevant dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt hoe breed de spleten precies waren.
5.17
Dat de feitelijke omstandigheid dat de spleten zo breed waren dat de kalfjes er met hun klauwen in konden komen vast te zitten, het oordeel kunnen dragen dat de verdachte rechtspersoon aan de kalveren de nodige verzorging heeft onthouden in de zin van art. 2.2 lid 8 Wd, volgt eveneens uit deze bewijsmiddelen.
5.18
Hetzelfde geldt voor het verweer dat het voor de verdachte rechtspersoon niet kenbaar en voorzienbaar was dat dit een overtreding van art. 2.2 lid 8 Wd zou opleveren. Art. 1.8 lid 2 Bhvd houdt onder meer in dat de behuizingen waarin een dier verblijft, waaronder de vloer wordt begrepen, zo moeten zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt. Art. 2.35 Bhvd specificeert met betrekking tot kalveren dat de vloer van de stal aangepast moet zijn aan het gewicht en de grootte van de kalveren en een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte moet vormen. Art. 2.36 Bhvd bepaalt dat de ligruimte van kalveren, met uitzondering van vleesstierkalveren ouder dan twee maanden, is ingestrooid of voorzien van een kunststof mat, houten lattenrooster of rubber toplaag.
5.19
Daarmee was het mijns inziens voor de verdachte rechtspersoon kenbaar en voorzienbaar dat de kalveren geen toegang mogen hebben tot een verblijf met een roostervloer die zodanig breed is dat de kalveren hier met hun klauwtjes tussen konden komen zitten, zoals is bewezenverklaard. Daaraan doet niet af dat nergens is vastgelegd wat de maximale spleetbreedtes zijn. In het Bhvd is wel vastgelegd dat de vloer een stevige, vlakke en stabiele ondergrond moet zijn en moet zijn aangepast aan de grootte van de kalveren, alsmede dat de vloer van het verblijf geen pijn of letsel mag veroorzaken. De verdachte rechtspersoon had gelet hierop kunnen en moeten weten dat een vloer waarin kalfjes met hun klauwen kunnen komen vast te zitten, hieraan niet voldoet. Van een schending van het lex certa-beginsel is (nog los van het geponeerde rechtsgevolg daarvan) geen sprake.
5.20
Ook de verwerping van het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het vierde gedachtestreepje van het tenlastegelegde feit in de zaak met het parketnummer 83-127647-19, omdat de enkele aanwezigheid van oude en aangekoekte mestresten in het verblijf nog geen zorgonthouding oplevert nu niet blijkt dat het rund niet schoon of droog kon liggen, ligt besloten in de gebruikte bewijsmiddelen. Dit betrof het rund met het nummer 6353. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA van 8 februari 2019 (bewijsmiddel 5) blijkt dat de toezichthouders hebben vastgesteld dat de ligboxen in het hok waarin een rund met werknummer 6353 verbleef, niet waren gereinigd en niet waren ingestrooid met schoon strooisel, evenals dat in de ligboxen oude, verse en aangekoekte mestresten lagen. De veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] van 5 december 2018 (bewijsmiddel 6) houdt onder meer in dat de huisvesting van het rund met werknummer 6353 “kale, onconfortabele en vuile ligboxen” betrof. Uit het feit dat in dit bewijsmiddel is opgetekend dat de ligboxen niet waren gereinigd en ingestrooid met schoon strooisel, volgt reeds dat de runderen niet droog en schoon konden liggen en dat zodoende sprake was van een zorgonthouding.
5.21
Al met al liggen in ’s hofs bewijsvoering in toereikende mate de redenen besloten waarom het hof bij de bewijsbeslissing is afgeweken van de bewijsverweren die in hoger beroep zijn gevoerd.
5.22
Het middel faalt.
6. Het tweede middel
6.1
Het middel houdt – gelet op de toelichting – in dat het hof niet heeft beslist op het ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek tot het houden van een schouw en het benoemen en horen van een deskundige, ten behoeve van het vaststellen van de spleetbreedtes van de roostervloeren met betrekking tot de zaak met parketnummer 83-177078-19.
6.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2021 heeft de raadsman van de verdachte rechtspersoon hier het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“83-177078-19
[…]
148. Cliënte bestrijdt dit echter ook in deze zaak. Uit het onderzoek dat cliënte heeft laten uitvoeren, waarvan de stukken zich in het dossier bevinden, blijkt ook de roosters 3 centimeter brede spleten hebben. Door slijtage zijn sommige plekken iets breder, maar zeker geen 4 centimeter.
149. In het dossier nu wordt, overigens na de in het bijzijn van de controleurs al herhaaldelijk in verschillende rechtszalen gevoerde discussie over de vraag of kalveren wel of niet op een roostervloer van 3 centimeter mogen, plots gesteld dat wel spleten van bijna 4 centimeter zijn aangetroffen. Er is slechts een aantal zeer onduidelijke overbelichte foto’s bijgevoegd, waaruit ook niet blijkt of het meetlint loodrecht lag. Voorts is het de verdediging onduidelijk waar precies is gemeten en of hier kalveren liepen. Ik verzoek u dan ook cliënt van dit onderdeel vrij te spreken. Indien uw hof uitgaat van de spleetbreedte van meer dan 3 centimeter, doet de verdediging hierbij het voorwaardelijke verzoek om ofwel middels inschakeling van een deskundige, dan wel middels descente, de breedte deugdelijk te doen vaststellen.”
6.3
Het (voorwaardelijke) verzoek om de spleetbreedte deugdelijk te doen vaststellen middels inschakeling van een deskundige dan wel een descente, betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv, om toepassing te geven aan respectievelijk art. 316 Sv en art. 318 Sv. Deze bepalingen zijn op grond van art. 415 lid 1 Sv ook in hoger beroep van toepassing. De rechter moet ingevolge art. 330 Sv op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing geven ten aanzien van dit soort verzoeken.41.Dat is niet anders wanneer de verzoeken voorwaardelijk zijn voldaan en de daaraan gestelde voorwaarden zijn vervuld.42.
6.4
De voorwaarde die in dit geval aan het verzoek is verbonden, houdt in dat het hof met betrekking tot het in de zaak met het parketnummer 83-177078-19 tenlastegelegde feit uitgaat van een spleetbreedte van meer dan 3 centimeter.
6.5
Zoals bij het vorige middel is gebleken, blijkt uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen onder meer dat de jonge kalveren gelet op de grootte van de spleten van de roosters met hun klauwtjes tussen de spleten van de roosters kunnen raken, waardoor zij “ontschoend” kunnen raken, hetgeen zeer pijnlijk is.
6.6
Ik meen dat het hof reeds hieruit heeft afgeleid dat sprake was van het onthouden van de nodige zorg aan de kalveren en dat het hof dus niet zonder meer is uitgegaan van een spleetbreedte van meer dan 3 centimeter. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarde die is verbonden aan het verzoek tot het houden van een schouw en het benoemen en horen van een deskundige. Het hof hoefde dan ook niet op het verzoek te beslissen.
6.7
Het middel faalt.
7. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
8. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑09‑2024
H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede druk, herzien en aangevuld door J.W. Smidt, deel II, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 366 e.v.
J.L. Baar, ‘Geiten in de regen en ander dierenleed’, TBS&H 2016/1, p. 20 en 21.
Wet van 16 april 1920, Stb. 1920, 194.
Wet van 25 januari 1961, Stb. 1961, 19.
Wet van 19 mei 2021, Stb. 2011, 345. Art. 2.2 lid 8 Wd is op 1 juli 2014 in werking getreden (Stb. 2014, 211). Oorspronkelijk was het huidige art. 2.2 lid 8 Wd opgenomen in art. 2.2 lid 5 Wd, zie Kamerstukken II, 2007/08, 31389, nr. 2
Zie o.a. Kamerstukken 2007/08, 31389, nr. 3, p. 19-21; Kamerstukken II 2007/08, 31389, nr. 5, p. 6; Kamerstukken II 2007/08, 31389, nr. 9, p. 19 en Kamerstukken II 2022/23, 35746, nr. 11, p. 6.
Ten tijde van de GWWD waren deze nadere regels opgenomen in aparte besluiten per diersoort, zoals het Varkensbesluit.
Deze bepalingen dienen mede ter implementatie van Richtlijn nr. 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Pb L10). Nota van toelichting bij het Besluit van 5 juni 2014, houdende regelen ter zake van het houden en huisvesten van kalveren (Besluit houders van dieren), Stb. 2014, 210, paragraaf 4.8.2. Tot 1 juli 2014 was de Kalverenrichtlijn geïmplementeerd in het Kalverenbesluit (Besluit van 7 juli 1994, houdende regelen ter zake van het houden en huisvesten van kalveren, Stb. 1994, 576, nadien een aantal keer gewijzigd). De bepalingen uit het Kalverenbesluit zijn nagenoeg inhoudelijk ongewijzigd overgenomen in het Bhvd.
Zie J.L. Baar, ‘Geiten in de regen en ander dierenleed’, TBS&H, 2016/1, p. 23.
Concl. A-G Spronken 16 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:444, par. 4.7.
HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1095.
Concl. A-G Spronken 16 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:439, par. 4.6.
HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1081.
Concl. A-G Paridaens 2 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1065, par. 17.
HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2150 (81 RO).
Concl. A-G Keulen 27 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:855, par. 21.
HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1674.
Concl. A-G Spronken 26 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:668, par. 3.5.
Concl. A-G Spronken 26 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:668, par. 3.5-3.8.
Vgl. concl. A-G Schipper 17 februari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG8955, par. 9 en concl. A-G Keulen 27 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:855, par. 20.
Vgl. J.L. Baar, ‘Geiten in de regen en ander dierenleed’, TBS&H 2016/1, p. 19.
Vgl. J.L. Baar, ‘Geiten in de regen en ander dierenleed’, TBS&H 2016/1, p. 23. Ook mijn ambtgenoot Keulen wijst erop dat een richtsnoer voor art. 2.2 lid 8 Wd kan worden ontleend aan art. 1.3 lid 3 Wd. Zie concl. A-G Keulen 27 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:855, par. 20.
Dit is tenlastegelegd en bewezenverklaard in de zaak met het parketnummer 83-145986-16.
Dit is tenlastegelegd en bewezenverklaard in de zaak met het parketnummer 83-134840-17.
Dit is tenlastegelegd en bewezenverklaard in de zaak met het parketnummer 83-157821-18.
Dit is tenlastegelegd en bewezenverklaard in de zaak met het parketnummer 83-187118-18.
Dit is tenlastegelegd en bewezenverklaard in de zaak met het parketnummer 83-127647-19.
Dit is tenlastegelegd en bewezenverklaard in de zaak met het parketnummer 83-127658-19.
Dit is tenlastegelegd en bewezenverklaard in de zaak met het parketnummer 83-177078-19.
Uit de bewijsoverweging wordt niet duidelijk of deze opmerking onderdeel uitmaakt van het citaat, dan wel een opmerking van het hof betreft.
In de schriftuur is immers op p. 5 onder 14 vermeld: “Kortom, in ieder geval al waar het deze twee voorbeelden van door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten betreft […].”
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.8.4.
Zie t.a.v. art. 318 Sv: HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:635, r.o. 2.5; HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1341, 2.3. Zie t.a.v. art. 316 Sv o.a. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:466, NJ 2016/228, m.nt. T. Kooijmans, r.o. 2.6.1 en HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:804, r.o. 2.3.
Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:466, NJ 2016/228, m.nt. T. Kooijmans, r.o. 2.6.1.
Beroepschrift 03‑01‑2024
Cassatieschriftuur
Houdende 3 middelen tot cassatie
Hoge Raad der Nederlanden (Strafkamer)
Digitaal ingediend
Arrest van Gerechtshof | : Den Haag |
Rolnummer | : 22-004509-19 |
Datum arrest | : 9 februari 2023 |
In de zaak van | : [A] |
Gevestigd te | : [adres], [vestigingsplaats] |
Dossiernummer | : D20230066 |
Advocaten | : mrs. M.M. Kuyp & J.L. Baar |
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid met zich meebrengt. In het bijzonder zijn art. 359 lid 2 juncto art. 415 Sv geschonden, doordat het hof niet heeft gereageerd op door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijke onderbouwde standpunten ten aanzien van de verschillende tenlastegelegde feiten, maar heeft volstaan met een algemene overweging ten aanzien van het bewijs.
Toelichting
1.
Het hoger beroep in de onderhavige zaak vloeide voort uit de gevoegde behandeling van een zevental afzonderlijke dagvaardingen in eerste aanleg. De verschillende tenlastegelegde verwijten zagen allen op overtreding van het bepaalde in artikel 2.2 lid 8 Wet dieren, te weten het onthouden van de nodige zorg, waarbij steeds per dagvaarding diverse verwijten worden gemaakt, ten aanzien van verschillende dieren in verschillende periodes. Ten aanzien van een deel van die verwijten heeft te gelden dat sprake is van steeds terugkerende verwijten of overlappende verwijten.
2.
Het hof heeft, ongemotiveerd, een aantal verwijten ‘uitgestreept’. Voor het overige is een bewezenverklaring gevolgd. Die bewezenverklaring is slechts gemotiveerd door te verwijzen naar de diverse bewijsmiddelen. Aan het eind van die opsomming van de bewijsmiddelen is een kopje opgenomen:
‘Extra bewijsoverweging, geldend voor alle tenlastegelegde feiten’
Vervolgens haalt het hof een proces-verbaal van een controlerend dierenarts van de NVWA aan waarin die dierenarts uitgebreid de wet citeert. Het hof overweegt vervolgens:
‘Deze vijf vrijheden van Brambell zijn als minimumnorm gesteld in de Wet Dieren, artikel 1.3 lid 3 voor de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven. Hieruit volgt dat de verbalisanten en toezichthoudend dierenartsen de juiste norm hebben toegepast in hun beoordeling van de situatie’
3.
In de eerste plaats heeft te gelden dat de overweging van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, verwezen zij ook naar het derde middel van deze schriftuur. De vijf vrijheden die zijn opgenomen in artikel 1.3 lid 3 zijn immers uitdrukkelijk geen handhaafbare normen.1. Dat deze normen als minimumnormen zijn gesteld, klopt dan ook niet.
4.
Belangrijker is echter dat deze overweging niet kan gelden als weerlegging van de diverse uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die bij pleidooi naar voren zijn gebracht ten aanzien van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging.
5.
Dit oordeel van het hof behelst immers niet meer dan de overweging dat de verbalisanten en toezichthoudend dierenartsen volgens het hof de juiste norm hebben toegepast door artikel 2.2 lid 8 Wet dieren in te vullen aan de hand van die vijf vrijheden die zijn gecodificeerd in artikel 1.3 Wet dieren. Zelfs al zou het hof in deze overweging gevolgd kunnen worden — quod non- dan is van belang dat ten minste een deel van de naar voren gebrachte verweren niet ziet op de wijze waarop de norm is ingevuld, maar op de waardering van het bewijs.
6.
Zo is bijvoorbeeld een bewezenverklaring gevolgd voor de in de zaken met parketnummers 83-187118-18 (2de gedachtestreepje) en 82-127647-19 (5de gedachtestreepje) en 83-177079-19 (3de gedachtestreepje) tenlastegelegde overtreding van 2.2 lid 8 Wet dieren, doordat de spleetbreedte van de roosters te breed zouden zijn, waardoor kalveren ontschoend zouden kunnen raken of klem komen te zitten.
7.
Echter, ten aanzien van dit verwijt is van belang dat ten aanzien van de tenlasteleggingen eindigend op 118-18 en 647-19 uit de processtukken in die zaken niet blijkt dat de spleten in de roosters ten tijde van de periode van de tenlastegelegde periode breder waren dan 3 centimeter. Verwezen zij naar de punten 97 tot en met 103 van de pleitnota in hoger beroep zoals die zich tussen de cassatiestukken bevindt. Daarbij is uiteengezet dat niet blijkt dat jonge kalveren niet op een roostervloer mogen komen en dat dus niet blijkt dat dit op enigerlei wijze een overtreding van het bepaalde in artikel 2.2 lid 8 Wet Dieren oplevert.
8.
Daarnaast is ook nog aangevoerd in de punten 104–105 van de pleitnota, dat als al zou blijken dat sprake is van een overtreding op dit punt, onvoldoende kenbaar en voorzienbaar was voor betrokkene dat dit een overtreding op zou leveren. Daarbij is gemotiveerd uiteengezet dat het rechtszekerheidsbeginsel aan bewezenverklaring in de weg staat en dat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen.
9.
Het hof is hier geheel aan voorbijgegaan en heeft op deze standpunten niet gereageerd. In de paragrafen 146–149 van de pleitnota is ten aanzien van de tenlastelegging eindigend op 079-19 bovendien nog naar voren gebracht dat enkel in de periode waarop die tenlastelegging ziet kennelijk door de NVWA een meting is gedaan van de breedtes van de spleten in de roostervloer. Daarbij is dus ook nogmaals opgemerkt dat in ieder geval niet blijkt dat die roosters ten tijde van de eerdere tenlasteleggingen breder dan 3 centimeter en dus té breed waren. Ook is daarbij een voorwaardelijk verzoek gedaan om, als het hof voornemens was uit te gaan van een spleetbreedte van meer dan 3 centimeter, daar nader onderzoek naar te doen.
10.
De enkele stelling, onder verwijzing naar de bewijsmiddelen, dat de controleurs en dierenartsen de juiste norm hebben toegepast, vormt geen weerlegging van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Met die overweging is immers niet gereageerd op het standpunt dat het feit dat kalveren op roostervloeren kunnen komen, geen overtreding oplevert. Ook is hiermee in het midden gelaten of het hof ervan uitgaat de roostervloeren spleetbreedtes hadden van meer dan 3 centimeter en of dus om die reden van een overtreding sprake is of dat het hof meent dat het feit dat kalveren op de roostervloeren kunnen komen, los van de breedtes van de spleten, hoe dan ook een overtreding oplevert. Dit terwijl dat laatste niet zonder meer kan volgen uit de bewijsmiddelen, vooral niet nu door de verdediging in dat kader is verwezen naar door de NVWA zelf aangehaalde rapporten over de spleetbreedtes in roostervloeren.
11.
Een ander voorbeeld biedt de bewezenverklaring van het 4de gedachtestreepje van het tenlastegelegde onder parketnummer 83-1276419. Tenlastegelegd en bewezenverklaard is:
‘Lagen in de ligboxen in het hok waar een pink met nummer 6353 verbleef oude en aangekoekte mestresten’.
12.
Bij pleidooi, randnummer 118 tot en met 120, is door de verdediging naar voren gebracht:
‘4de. gedachtestreepje
- 118.
Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje, is wederom van belang dat niet duidelijk is welk verwijt ten aanzien van de zorgonthouding cliënte wordt gemaakt. Het tenlastegelegde verwijt is immers dat. Er oude en aangekoekte mestresten in het verblijf lagen.
- 119.
Op welke wijze deze enkele aanwezigheid een zorgonthouding oplevert, blijkt niet. Niet blijkt bijvoorbeeld dat het rund in het geheel niet schoof of droog kon liggen.
- 120.
Ook op dit punt blijkt aldus niet van een overtreding. Ik verzoek u dan ook cliënte van het onder het vierde gedachtestreepje tenlastegelegde vrij te spreken.’
13.
Zelfs al zou het hof gevolgd kunnen worden in de overweging dat de controleurs de juiste norm hebben toegepast, dan is van belang dat dan geconcludeerd zou moeten worden dat van een overtreding van de norm een dier niet de nodige zorg te onthouden sprake is als dat dier niet gevrijwaard is van (onder meer) fysiek en fysiologisch ongerief. Door de verdediging is nu juist betoogd, ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging, dat uit de bewijsmiddelen niet meer volgt dan dat er oude mestresten in het verblijf lagen zoals tenlastegelegd, maar dat niet blijkt op welke wijze dit een zorgonthouding oplevert. Op welke wijze dit maakt dat de dieren niet gevrijwaard zouden zijn van dit ongerief, of van een van de andere vijf vrijheden, blijkt niet uit de bewijsmiddelen waar het hof naar verwijst.
14.
Kortom, in ieder geval al waar het deze twee voorbeelden van door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten betreft, moet worden geconcludeerd dat het hof op deze standpunten niet heeft gereageerd met een dragende motivering. Er zijn nog meer voorbeelden aan te wijzen, maar voorkomen moet worden dat hier in cassatie alle onderdelen van de tenlastelegging afzonderlijk besproken moeten worden.
15.
Door verzoeker tot cassatie wordt uiteraard niet miskend dat de mate waarin een beslissing nader dient te worden gemotiveerd afhangt van de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. Dat de motivering van de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ook of in ieder geval mede in de bewijsmotivering besloten kan liggen, wordt eveneens niet miskend.2.
16.
Echter, zoals uit de aangehaalde voorbeelden blijkt, is gemotiveerd en onderbouwd verweer gevoerd op de verschillende onderdelen van de tenlastelegging. Het hof is op geen van die standpunten afzonderlijk ingegaan. Ook het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat voor een onderdeel van de tenlastelegging geldt dat het lex certa-beginsel aan een veroordeling in de weg staat, is niet van een respons voorzien. Dit terwijl die standpunten niet door de bewijsmiddelen worden weerlegd of terwijl die standpunten geen betwisting van het bewijs an sich inhouden, maar van de aan dat bewijs verbonden conclusies. Door te volstaan met de enkele overweging dat de betrokken verbalisanten en betrokken dierenartsen de juiste norm hebben toegepast, heeft het hof dan ook niet aan de responsieplicht voldaan. Dit dient tot vernietigng van het bestreden arrest te leiden.
Middel II
Toelichting
17.
Het hof heeft ten laste van verzoekster tot cassatie onder andere bewezenverklaard dat sprake is van overtreding van 2.2 lid 8 Wet dieren doordat de spleetbreedte van de roosters te breed zouden zijn, waardoor kalveren ontschoend zouden kunnen raken en/of klem komen te zitten (in de zaken met parketnummers 83-187118-18 (2de gedachtestreepje) en 82-127647-19 (5de gedachtestreepje) en 83-177079-19 (3de gedachtestreepje)).
18.
Van belang is daarbij dat in de zaak met parketnummer eindigend op 079-19 door de verdediging is aangevoerd:
- ‘148.
Cliënte bestrijdt dit echter ook in deze zaak. Uit het onderzoek dat cliënte heeft laten uitvoeren, waarvan de stukken zich in het dossier bevinden, blijkt ook de roosters 3 centimeter brede spleten hebben. Door slijtage zijn sommige plekken iets breder, maar zeker geen 4 centimeter.
- 149.
In het dossier nu wordt, overigens na de in het bijzijn van de controleurs al herhaaldelijk in verschillende rechtszalen gevoerde discussie over de vraag of kalveren wel of niet op een roostervloer van 3 centimeter mogen, plots gesteld dat wel spleten van bijna 4 centimeter zijn aangetroffen. Er is slechts een aantal zeer onduidelijke overbelichte foto's bijgevoegd, waaruit ook niet blijkt of het meetlint loodrecht lag. Voorts is het de verdediging onduidelijk waar precies is gemeten en of hier kalveren liepen. Ik verzoek u dan ook cliënt van dit onderdeel vrij te spreken. Indien uw hof uitgaat van de spleetbreedte van meer dan 3 centimeter, doet de verdediging hierbij het voorwaardelijke verzoek om ofwel middels inschakeling van een deskundige, dan wel middels descente, de breedte deugdelijk te doen vaststellen.’
19.
Het hof heeft, zoals in het voorgaande eerste middel uiteengezet is, in het geheel niet op dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt gereageerd. Het hof heeft ook in het midden gelaten of uitgegaan wordt van een spleetbreedte groter dan 3 centimeter en is aan het voorwaardelijk gedane verzoek geheel voorbijgegaan. Dit terwijl wel een bewezenverklaring is gevolgd voor het onderdeel van de tenlastelegging waar het verzoek op ziet.
20.
Het hof had dan ook in ieder geval op het verzoek moeten beslissen en de kennelijke afwijzing van dat verzoeken moeten motiveren. Het verzoek is immers een verzoek in de zin van art. 331 eerste lid, in verbinding met 328 Sv, om toepassing te geven aan artikel 318 Sv. Deze bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing. De maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken.
21.
Dat heeft het hof niet onderzocht. Het bestreden arrest kan dan ook, ook om die reden, niet in stand blijven.
Middel III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid met zich meebrengt. In het bijzonder zijn artikel 2.2 lid 8 jo. 1.3 Wet dieren, alsmede 359a juncto art. 415 Sv geschonden, doordat het oordeel van het hof inhoudende dat artikel 1.3 lid 3 minimumnormen stelt voor de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
22.
De bewezenverklaring van alle verschillende onderdelen van de verschillende tenlasteleggingen is gestoeld op de overweging van het hof die is opgenomen onder het kopje:
‘Extra bewijsoverweging, geldend voor alle tenlastegelegde feiten’
23.
Vervolgens haalt het hof een proces-verbaal van een controlerend dierenarts van de NVWA aan waarin die dierenarts uitgebreid de wet citeert. Het hof overweegt vervolgens:
‘Deze vijf vrijheden van Brambell zijn als minimumnorm gesteld in de Wet Dieren, artikel 1.3 lid 3 voor de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven. Hieruit volgt dat de verbalisanten en toezichthoudend dierenartsen de juiste norm hebben toegepast in hun beoordeling van de situatie’
24.
Het hof stelt aldus dat de vijf vrijheden van Brambell, die in het proces-verbaal waaruit het hof citeert uiteengezet zijn, als minimumnorm gesteld zijn in artikel 1.3 lid 3 van de Wet dieren. De tenlastegelegde norm is overtreding van artikel 2.2 lid 8 Wet dieren. Het oordeel van het hof impliceert dan ook dat het bepaalde in artikel 1.3 lid 3 van de Wet dieren het kader of zelfs de norm vormt, ter beoordeling van overtredingen van dit artikel.
25.
Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het bepaalde in artikel 1.3 lid 3 van de Wet dieren is een norm die niet rechtstreeks handhaafbaar is en die zich niet richt tot houders van dieren. Zo overwoog het CBB in een bestuursrechtelijke aangelegenheid, na een uitgebreide bespreking van de wetsgeschiedenis ten aanzien van het bepaalde in artikel 1.3 Wet dieren:
‘Gelet op de hiervoor in 5.2 en 5.3 weergegeven elementen uit de wetsgeschiedenis is het College van oordeel dat artikel 1.3 Wd geen zelfstandige en handhaafbare gedragsnorm, gericht tot de houders van dieren, bevat maar een norm voor de wet- en regelgever en bestuursorganen om bij het stellen van regels bij of krachtens de Wd en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten in het kader van de daarbij te verrichten belangenafweging rekening te houden met de gevolgen van deze regels en besluiten voor de intrinsieke waarde van dieren. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft vastgesteld dat appellante artikel 1.3 Wd heeft overtreden. Verweerder was dus niet bevoegd tot het opleggen van de in geding zijnde last wegens overtreding van deze wettelijke bepaling.’3.
26.
Zeer recent werd bovendien in de tweede kamer de ‘Wijziging van de Wet dieren in verband met de actualisering van de diergezondheidsregels en enkele technische aanpassingen’, besproken. In de Nota naar aanleiding van het nader verslag,4. is het volgende opgenomen:
‘De leden van de SGP-fractie constateren dat in artikel 1.3 van de Wet dieren wordt aangegeven dat dieren moeten worden gevrijwaard van beperking van hun natuurlijk gedrag ‘voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd’. Is de veronderstelling juist dat dit het kader is waar binnen de artikelen 2.1 en 2.2 moeten worden gelezen moeten?
Artikel 1.3 van de Wet dieren bevat de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier. Dat artikel is van belang bij het stellen van regels bij of krachtens de Wet dieren en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, maar geldt niet als juridisch kader voor houders van dieren. Bij het stellen van regels bij of krachtens de Wet dieren en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten moet ten volle rekening worden gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor de intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Dit vergt bij de totstandkoming daarvan een afweging van de gevolgen van die regels of besluiten voor de intrinsieke waarde van het dier. Artikel 1.3 bevat geen zelfstandige en handhaafbare gedragsnorm, gericht tot de houders van dieren, zoals ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven stelt in deze rechterlijke uitspraak: ECLI:NL:CBB:2016:29.
Artikel 1.3 van de Wet dieren is daarmee wel het kader voor de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet dieren als het de totstandkoming van wijzigingen van die regels betreft, maar niet voor het beoordelen van gedragingen van de houder in relatie tot die artikelen.’
27.
Ook de regering bevestigt aldus dat artikel 1.3 Wet Dieren geen zelfstandig handhaafbare norm is. Reeds in zoverre getuigt het oordeel van het hof inhoudende dat artikel 1.3 ‘minimumnormen stelt’ van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij geldt dat uit het geciteerde antwoord van de wetgever op vragen van leden van de tweede kamer nogmaals expliciet volgt dat artikel 1.3 niet het kader is voor het beoordelen van gedragingen van de houder in relatie tot die artikelen, waarmee ook wordt gedoeld op artikel 2.2 en dus ook op artikel 2.2 lid 8 Wet dieren.
28.
De overweging van het hof dat de juiste norm is toegepast door het gedrag van verzoekster tot cassatie ten aanzien van het verwijt dat sprake is van overtreding van artikel 2.2 lid 8 Wet dieren te beoordelen aan de hand van het bepaalde in artikel 1.3 Wet dieren, getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting.
29.
Ook om die reden kan het arrest van het hof niet in stand blijven.
Volmacht
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. M.M. Kuyp & J.L. Baar, kantoorhoudende aan de Brink 16a (1251 KW) te Laren, die hierdoor verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Laren, 3 januari 2024,
M.M. Kuyp
J.L. Baar
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑01‑2024
Zie onder meer: CBB 18 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:29.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
CBB 18 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:29, r.o. 5.4.
TK 2022–2023, 35746, nr. 11 (link: