Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.4.4
6.4.4 Opvatting van Stolz
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186498:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Stolz 2015, par. 3.1.4.2.
Zie par. 6.4.3 met verdere verwijzingen.
Stolz 2015, p. 223 en p. 287.
In soortgelijke zin Stolz 2015, p. 223 en 313 en Out 2003, i.h.b. p. 77.
Vgl. Stolz 2015, p. 230-232.
HR 3 mei 2002, NJ 2002/393, JOR 2002/111 (Brandao/Joral).
Stolz 2015, p. 252: “[H]et is de partijwil die invulling geeft aan het begrip van de voorwaardelijke werking en waarin ook de systematische verklaring voor die werking is gelegen.” Zie ook Stolz 2015, p. 309 e.v.
Stolz 2015, p. 253.
Stolz 2015, p. 253.
322. Stolz merkt terecht op dat de gebruikelijke omschrijving, ‘een verbintenis onder opschortende voorwaarde bestaat wel maar heeft nog geen werking’, op twee verschillende manieren wordt ingezet.1 Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de opgeschorte werking als verklarend begrip en de opgeschorte werking als beschrijvend begrip. Wanneer de opgeschorte werking als verklarend begrip wordt gehanteerd worden de gevolgen van de opschortende voorwaarde afgeleid uit het ontbreken van de werking van de verbintenis onder opschortende voorwaarde. Dit is de heersende leer en past bij de interpretatie van artikel 6:21 BW als een definitie.2
Volgens Stolz moet de opgeschorte werking echter gezien worden als een beschrijvend begrip.3 De opgeschorte werking van de verbintenis is in zijn visie slechts een verzamelnaam voor de gevolgen van de opschortende voorwaarde. De gevolgen van de voorwaarde worden in dat geval niet bepaald door de vraag wat onder de werking van een verbintenis valt. In plaats daarvan gebruikt men de ‘werking van de verbintenis’ als beschrijving van een verzameling gevolgen van de voorwaarde die op een andere wijze zijn vastgesteld.
Voor de verwerping van de opgeschorte werking als verklarend begrip pleit onder meer dat het begrip ‘werking’ weinig behulpzaam is bij het vaststellen van de gevolgen van de voorwaarde of van de Vorwirkung. Het is immers onduidelijk wat onder de ‘werking van een verbintenis’ moet worden geschaard.4
Bovendien is het moeilijk te verklaren dat een verbintenis onder opschortende voorwaarde al zoveel gevolgen heeft als alles dat als werking van die verbintenis wordt beschouwd is opgeschort.5 Het is bijvoorbeeld duidelijk dat de schuldeiser van een voorwaardelijke verbintenis conservatoir beslag kan leggen6, met de schuldenaar zekerheidsrechten kan vestigen voor de voorwaardelijke vordering7, een actio Pauliana kan instellen8 en zijn vordering in een faillissement ter verificatie kan indienen9. De opgeschorte werking kan alleen als verklarend begrip gelden als deze elementen geen onderdeel zijn van de werking van de vordering. Deze elementen zijn immers niet opgeschort, terwijl de werking van de vordering dat wel is.
In plaats van de opgeschorte werking als verklarend begrip stelt Stolz dat de verklaring van de Vorwirkung moet worden gevonden in de wil van partijen.10 Daarnaast ziet hij ook een rol weggelegd voor beginselen onafhankelijk van de rol van partijen, met name het beginsel dat op voorwaardelijke verbintenissen dezelfde bepalingen van toepassing zijn als op onvoorwaardelijke. In de visie van Stolz moet primair worden uitgegaan van directe werking van de voorwaardelijke rechtsverhouding.11 De Vorwirkung bevat daarbij in beginsel alle gevolgen van de verbintenis, waaronder zelfs de verschuldigdheid. De opgeschorte werking is dus in Stolz’ visie de uitzondering, directe werking is de regel.12