Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.2.1
19.2.1 Door rechtspersonen heen kijken
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS408011:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover de inleiding van het themanummer van het WPNR over doorbraak: “Aanvaard lijkt […] de gedachte dat doorbraak van aansprakelijkheid, in welke vorm dan ook, op zichzelf genomen met het begrip rechtspersoon verenigbaar is. Inderdaad kan men daartegen weinig bezwaar maken wanneer men bedenkt dat de rechtspersoon als rechtssubjekt weliswaar tot op zekere hoogte met de natuurlijke persoon kan worden gelijkgesteld maar toch per saldo een rond de mens als rechtssubject gebouwde konstruktie is in een rond de mens als rechtssubject gebouwd stelsel.” (WPNR 1981/5575, p. 545).
Raaijmakers 1977 en Roelvink 1977.
Zie hoofdstuk 3.
Raaijmakers 1977, p. 27.
In hoofdstuk 3 is geconcludeerd dat het uitgangspunt van beperkte aansprakelijkheid aandeelhouders in staat stelt risico’s te externaliseren naar de crediteuren van de vennootschap. De risico’s voor crediteuren die inherent zijn aan art. 2:175 lid 1 BW worden in Nederland ten dele gemitigeerd door de in de voorgaande hoofdstukken in Nederland ten dele gemitigeerd door de in de voorgaande hoofdstukken besproken wettelijke regels inzake het kapitaal van de vennootschap en uitkeringen aan haar aandeelhouders, de aansprakelijkheid van bestuurders en tevens door het leerstuk van de faillissementspauliana. Daarnaast is sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw in de rechtspraak van de Hoge Raad, onder de noemer ‘doorbraak van aansprakelijkheid’, een leerstuk tot wasdom gekomen op grond waarvan aandeelhouders onder bepaalde omstandigheden direct door de crediteuren van de vennootschap kunnen worden aangesproken.1 Aan de wieg van deze ontwikkeling stonden de in 1977 verschenen preadviezen van Raaijmakers en Roelvink, waarin werd betoogd dat het onder omstandigheden gerechtvaardigd kon zijn “door rechtspersonen heen te kijken”, bijvoorbeeld als sprake is van onderkapitalisatie, overheersende bestuursinmenging, vermogensverstrengeling of verwaarlozing van vennootschappelijke normen.2 Net als de Amerikaanse rechtseconomische literatuur die in die tijd verscheen,3 gaven de preadviezen blijk van de opvatting dat het bij doorbraak van aansprakelijkheid in de kern gaat om een verdeling van risico’s.
Zo overwoog Raaijmakers: “Daar waar recht wordt geconfronteerd met min of meer complexe organisaties van waaruit maatschappelijke activiteiten worden ondernomen, gedragen door een samenwerkingsverband van mensen, daar rijst de vraag naar de verdeling van risico’s tussen de betrokkenen. Waar het betreft ondernemingsactiviteiten, welke enerzijds maatschappelijk wenselijk, anderzijds uit hun aard zelve risicodragend zijn (immers steeds een ‘avontuur’) en daardoor steeds voor alle betrokkenen een bepaalde graad van ongewisheid met zich mee brengen, daar moet het recht antwoord geven op de vraag naar een optimaal rechtvaardige risicoverdeling”.4 (Onderstr. JB)