TFO 2025/198.2
Btw-aftrekrecht bij invoer van goederen
Dr. M.L. Schippers LL.M, datum 27-05-2025
- Datum
27-05-2025
- Auteur
Dr. M.L. Schippers LL.M1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD13579:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Belastingrecht algemeen (V)
Omzetbelasting / In- en uitvoer
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Martijn Schippers maakt deel uit van het Global Trade & Sustainability team van EY. Hij is daarnaast als universitair hoofddocent verbonden aan de Erasmus School of Law en als programma coördinator aan EFS, Erasmus University Rotterdam.
Zie o.a. A. Tisser, Y. El Bojaddaini & J. Nuiten, ‘Douane- en invoer-btw-schulden: niet altijd helder communicerende vaten’, NTFR Artikelen 2017/1; R. Ramautarsing & M. van der Knaap, ‘Invoer btw en Eurogate’, BTW-bulletin 2016/77; A.E. Spiessens, Heffing aan de grens – Een vergelijkende studie naar de heffing van btw en van douanerechten vanwege overschrijding van de buitengrens van de Europese Unie, Den Haag: Sdu 2015; en W. van der Corput, ‘Importation of Goods in the Netherlands’, VAT Monitor 13/1; M.L. Schippers & L.J. van Drie, ‘Samenloop tussen het ontstaan van douaneschulden en btw-schulden bij invoer?’, WFR 2018/61, p. 419-429; B.J.B Boersma & E. Vellinga, ‘Recente ontwikkelingen btw bij invoer’, WFR 2020/41, p. 259-264; F. Nellen, ‘Over het parallellisme van douanerechten en btw in de internationale handel’, WFR 2023/133, p. 14-23; en F. Nellen, ‘The Economic Network Doctrine of the CJEU in EU VAT and Customs Law’, EC Tax Review 33(3), p. 126-135; M.M.W.D. Merkx & I. van den Eijnde, ‘Douanerecht en btw bij onregelmatige invoer: living apart together’, BTW-bulletin 2024/54, p. 13-18.
Ik laat de situatie dat goederen worden vervoerd naar Nederland vanuit het EU-douanegebied dat geen onderdeel uitmaakt van het btw-gebied buiten beschouwing voor deze bijdrage.
HvJ EU 1 juni 2017, C-571/15, ECLI:EU:C:2017:417 (Wallendorn Transports SA), r.o. 54.
F. Nellen, ‘Over het parallellisme van douanerechten en btw in de internationale handel’, WFR 2023/133, p. 14-23; en F. Nellen, ‘The Economic Network Doctrine of the CJEU in EU VAT and Customs Law’, EC Tax Review 33(3), p. 126-135.
HvJ EEG 5 februari 1981, ECLI:EU:C:1981:34, 50/80 (Horvath); en HvJ EEG 28 februari 1984, C-294/82, ECLI:EU:C:1984:81 (Einberger).
HvJ EU 2 juni 2016, C-226/14, ECLI:EU:C:2016:405 (Eurogate); en HvJ 1 juni 2017, C-571/15, ECLI:EU:C:2017:417(Wallendorn Transports SA).
O.a. HvJ EU 3 maart 2021, C-7/20 (VS), ECLI:EU:C:2021:161; en HvJ EU 8 september 2022, C-368/21, ECLI:EU:C:2022:647.
HvJ EU 7 april 2022, C-489/20 (UB), ECLI:EU:C:2022:277 (Lieu de naissance de la TVA – II).
Merkx heeft recent een artikel gepubliceerd waarin zij onderzoek heeft gedaan naar wie als belastingplichtige(n) wordt of worden aangemerkt in de verschillende lidstaten, zie M.M.W.D. Merkx,’ The Interplay between VAT and Customs: Liability and Deduction’, International VAT Monitor 35(3).
HvJ EU 12 mei 2022, C-714/20, ECLI:EU:C:2022:374 (U.I. Srl).
Van Slooten, NLF 2022/0998; en R. Pehlivan, ‘Btw bij invoer, ‘parallellisme’ en ‘aanvullende werking’: is niet-geschreven wél bepaald?’, BTW-bulletin 2023/2.
Chin-Oldenziel, FED 2023/2 en V-N 2022/26.13.
HR 13 september 2024, nr. 23/01996, ECLI:NL:HR:2024:1177.
HR 11 april 2003, nr. 37.897, ECLI:NL:HR:2003:AF7095.
HR 30 april 2021, nr. 18/02889, ECLI:NL:HR:2021:674.
HvJ EU 25 juni 2015, C-187/14, ECLI:EU:C:2015:421 (DSV Road).
HvJ EU 25 juni 2015, C-187/14, ECLI:EU:C:2015:421 (DSV Road).
HvJ EU 8 oktober 2020, C-621/19, ECLI:EU:C:2020:814 (Weindel).
M.M.W.D. Merkx, ‘The Interplay between VAT and Customs: Liability and Deduction’, International VAT Monitor 35(3); J.D. Boonstra & H.W.M. van Kesteren, ‘Aftrek van btw bij invoer – beschikkingsmacht gaat boven bedrijfseconomische noodzaak?’, TFO 2024/190.2, p. 11.
J.D. Boonstra & H.W.M. van Kesteren, ‘Aftrek van btw bij invoer – beschikkingsmacht gaat boven bedrijfseconomische noodzaak?’, TFO 2024/190.2, p. 14-15.
HR 4 oktober 2013, nr. 11/03207, ECLI:NL:HR:2013:781.
HR 30 april 2021, nr. 18/02889, ECLI:NL:HR:2021:674, r.o. 3.4.4.
Guidelines resulting from the 94th meeting of 19 October 2011 – taxud.c.1(2012)243615 – 716 final.
Guidelines resulting from the 122nd meeting of 10 July 2023 – taxud.c.1(2023)7344228 – 1064 final.
Working paper nr. 762 van 11 februari 2013.
Het Btw-comité noemt in dat kader de arresten Iberdrola, MHI en Vos Aannemingen. In het working paper ontbreekt een inhoudelijke analyse of naar aanleiding van deze arresten de eerdere conclusie van het Btw-comité moet worden herzien. Voor een vergelijking tussen de procedures DSV Road en Weindel met voornoemde arresten waarin ook de aanschafkosten niet in de prijs van de belaste handelingen zijn verdisconteerd verwijs ik naar: J.D. Boonstra & H.W.M. van Kesteren, ‘Aftrek van btw bij invoer – beschikkingsmacht gaat boven bedrijfseconomische noodzaak?’, TFO 2024/190.2, p. 12-14.
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 13 november 2007, nr. CPP2007/1150M, Stcrt. 2007, 227.
HR 11 april 2003, nr. 37.897, ECLI:NL:HR:2003:AF7095, r.o. 3.2.2.
HvJ EU 21 februari 2013, C-79/12, ECLI:EU:C:2013:98 (SC Mora IPR SRL).
Van Kesteren analyseert aan de hand van jurisprudentie van het Hof van Justitie en nationale jurisprudentie of aan een onwettig besluit gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend. Dat is het in beginsel het geval, zie H.W.M. van Kesteren, ‘Gewettigd vertrouwen op onwettige besluiten’, WFR 2013/272.
Voor een nadere beschouwing zie M.L. Schippers, ‘Voorstel voor de hervorming van het douanerecht in de Europese Unie’, Maandblad Belastingbeschouwingen, 2023(14), p. 39-48.
Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, tot oprichting van de douaneautoriteit van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 952/2013, COM/2023/258 final.
1. Inleiding
Als goederen in het vrije verkeer worden gebracht, ontstaat er een belastbaar feit invoer van goederen voor de btw. De vraag is of die btw in aftrek kan worden gebracht en door wie. Hoewel dat ogenschijnlijk simpele vragen zijn, is de praktijk weerbarstiger. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als een leaseauto wordt ingevoerd door een lessee; kan de lessee in dat geval de invoer-btw in aftrek brengen? En hoe wordt omgegaan met het btw-aftrekrecht als een veredelaar goederen invoert voor zijn opdrachtgever. Ook speelt de vraag hoe met het aftrekrecht moet worden omgegaan als een partij in de keten een zogenoemde artikel 23-vergunning heeft. Deze vragen vormen de aanleiding voor het schrijven van deze beschouwing. In het bijzonder ga ik in op de vraag aan wie het recht op aftrek van invoer-btw toekomt. Ik zal in het bijzonder bij de Nederlandse rechtspraktijk stilstaan door in te gaan op de toepasselijke wetsbepalingen in de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968), het besluit ‘Heffing van omzetbelasting bij invoer’ en Nederlandse jurisprudentie. Waar nodig komen ook de wetsbepalingen uit de Btw-richtlijn, jurisprudentie van het Hof van Justitie en working papers van het Btw-comité aan bod.
Ik zal daarvoor eerst stilstaan bij het ontstaan van het belastbaar feit invoer van goederen en de samenloop tussen het belastbaar feit invoer van goederen en het ontstaan van een douaneschuld (paragraaf 2). Op voornoemde onderwerpen ga ik kort in, omdat daar reeds de nodige literatuur over is verschenen.2 Vervolgens zal ik ingaan op de vraag wie de btw is verschuldigd (paragraaf 3) en uitgebreid stilstaan bij de vraag wie het recht op aftrek van invoer-btw toekomt (paragraaf 4). Ik sluit deze beschouwing af met een conclusie (paragraaf 5).
2. Ontstaan van een belastbaar feit invoer van goederen
Het ontstaan van het belastbaar feit invoer van goederen is vastgesteld in artikel 1 sub d jo. artikel 18 Wet OB 1968. Bij regelmatige invoer (lees: alles gaat volgens de regels), vindt het belastbaar feit in beginsel plaats als goederen worden onttrokken aan een douaneregime (artikel 18 lid 1 sub c Wet OB 1968). Er is dan sprake van samenloop tussen het ontstaan van een douaneschuld en het belastbaar feit invoer van goederen.3 Het moment waarop de douaneschuld ontstaat is met andere woorden in dat geval ook het moment waarop het belastbaar feit invoer van goederen voor de btw zich voordoet.
In de praktijk ziet dat er in de regel als volgt uit. Nadat de goederen afkomstig uit een derde land worden aangebracht bij de douaneautoriteiten, worden zij geplaatst in tijdelijke opslag onder schorsing van douanerechten, andere heffingen bij invoer en handelspolitieke maatregelen. Vanuit de opslag worden de goederen in het vrije verkeer gebracht, onder een bijzondere douaneregeling geplaatst of de goederen worden weder uitgevoerd. Bij regelmatige invoer is er enkel in de volgende gevallen sprake van een belastbaar feit invoer van goederen:
Goederen worden in het vrije verkeer gebracht;
Bijzondere douaneregeling;
Tijdelijke invoer, zonder volledige vrijstelling van rechten bij invoer;
Bijzondere bestemming.
Als niet-Uniegoederen onregelmatig (lees: niet alles gaat volgens de regels) in het vrije verkeer belanden, kan er sprake zijn van een belastbaar feit invoer van goederen. Dat is het geval als op basis van het onrechtmatige gedrag waardoor de douaneschuld is ontstaan, kan worden aangenomen dat de betrokken goederen in het economische circuit van de Unie zijn gebracht en dus mogelijkerwijs zijn verbruikt, welke handeling aan btw is onderworpen.4 De economisch circuit-voorwaarde lees je niet terug in de Btw-richtlijn of de nationale btw-bepalingen. Het is een door het Hof van Justitie ontwikkelde doctrine.
De economisch circuit-doctrine heeft tot gevolg dat bij onregelmatige invoer het ontstaan van een douaneschuld niet telkens met zich brengt dat sprake is van een belastbaar feit invoer van goederen en omgekeerd. Nellen schreef daarover interessante bijdragen in het WFR en EC Tax review.5 Daarin onderscheidt hij vier scenario’s die ik hieronder kort samenvat:
Het eerste scenario betreft de onregelmatige invoer van illegale goederen. Hierbij ontstaat er geen douaneschuld en doet zich geen belastbaar feit invoer van goederen voor.6
Het tweede scenario betreft de onregelmatige invoer van niet-Uniegoederen die zijn bestemd voor buiten de Europese Unie en zich in een derde land bevinden als de onregelmatigheid aan het licht komt. In dat geval doet zich wel een douaneschuld voor (die onder het DWU mogelijk tenietgaat op basis van artikel 124 lid 1 sub k DWU), maar er is geen sprake van een belastbaar feit invoer van goederen.7
Het derde scenario betreft de onregelmatige invoer van niet-Uniegoederen die zijn bestemd voor de EU-markt, maar er staat vast dat zij in een andere lidstaat zullen worden verbruikt dan waar de onregelmatigheid aan het licht komt. Hierbij doet zich zowel een douaneschuld voor alsook een belastbaar feit invoer van goederen. Vanwege de economisch circuit-doctrine, zal de plaats waar de douanerechten en de btw zijn verschuldigd mogelijk verschillen.
Het vierde scenario valt uiteen in twee subcategorieën:
Een niet-Uniegoed wordt geïntroduceerd in een lidstaat en wordt volgens door diverse lidstaten vervoerd en enkel in de lidstaat van het eindgebruik komt de onregelmatigheid aan het licht. Hierbij doet zich zowel een douaneschuld voor alsook een belastbaar feit invoer van goederen. Vanwege de economisch circuit-doctrine, zal de plaats waar de douanerechten en de invoer-btw zijn verschuldigd mogelijk verschillen.8
Een niet-Uniegoed wordt inbeslaggenomen en vernietigd door de autoriteiten. Er ontstaat in dat geval een douaneschuld (maar die gaat teniet) en een belastbaar feit invoer van goederen.9
Een verdere bespreking van het ontstaan van het belastbaar feit invoer van goederen en de samenloop (of juist niet) met het ontstaan van een douaneschuld gaat de reikwijdte van deze bijdrage te buiten.
3. Belastingplichtige
3.1 Vrijheid op basis van de Btw-richtlijn
Als het belastbaar feit invoer van goederen ontstaat, is het de vraag welke partij als belastingplichtige kan worden aangemerkt. Op basis van artikel 201 Btw-richtlijn hebben lidstaten de vrijheid om in hun nationale btw-wetgeving op te nemen wie als belastingplichtige wordt aangemerkt.10 Wie als belastingplichtige wordt aangemerkt bij het belastbaar feit invoer van goederen hangt af van de wijze van heffing die verloopt via artikel 22 of artikel 23 Wet OB 1968.
3.2 Belastingplichtige onder toepassing van artikel 22
Op basis van artikel 22 Wet OB 1968 wordt voor de wijze van heffing aangesloten bij het douanerecht. Dat geldt eveneens voor wie als belastingplichtige wordt aangemerkt. Uit artikel 77 lid 3 van het Douane Wetboek van de Unie (DWU) volgt dat bij een regelmatige invoer de aangever als douaneschuldenaar wordt aangemerkt en, in het geval van een indirect douanevertegenwoordiger, ook de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan.
In de zaak U.I. lag de vraag voor of op basis van artikel 77 lid 3 DWU een indirect douanevertegenwoordiger enkel aansprakelijk is voor de douanerechten die verschuldigd zijn op de goederen die hij bij de douane heeft aangegeven of ook de btw bij invoer van diezelfde goederen.11 In deze zaak waren invoeraangiften gecorrigeerd en is als gevolg btw nageheven. De competente autoriteiten klopten voor de navordering aan bij U.I. in haar hoedanigheid als indirect douanevertegenwoordiger voor A. SpA tegen wie een faillissementsprocedure was ingeleid. Het Hof van Justitie overweegt dat niet uit artikel 77 lid 3 volgt dat een indirect douanevertegenwoordiger aansprakelijk gesteld kan worden voor de btw bij invoer. Het Hof overweegt op basis van artikel 201 Btw-richtlijn, dat de indirect douanevertegenwoordiger alleen hoofdelijk aansprakelijk gesteld kan worden als er nationale bepalingen zijn die hem uitdrukkelijk en ondubbelzinnig aanwijzen of erkennen als degene die tot voldoening van die belasting gehouden is.
De vraag is of artikel 22 Wet OB 1968 voldoende duidelijk en ondubbelzinnig is geformuleerd om ook een indirect douanevertegenwoordiger hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de btw-schuld bij invoer. Daar wordt in de literatuur verschillend overgedacht. Van Slooten merkt hierover op dat door bij de douanebepalingen aan te sluiten kan worden voorkomen dat de aansprakelijkheid voor beide belastingen uiteen kan gaan lopen. Hij betoogt daarnaast, net als Pehlivan, dat artikel 22 Wet OB 1968 niet zodanig onnauwkeurig of onduidelijk is dat deze in strijd moet worden geacht met het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel.12 Chin-Oldenziel en de V-N redactie vinden dat de schakelbepaling niet voldoet aan het vereiste dat de aansprakelijkheid uitdrukkelijk en ondubbelzinnig volgt uit artikel 22 Wet OB 1968, waardoor dit schakelartikel niet de rechtsgrond vormt om een indirect douanevertegenwoordiger aansprakelijk te stellen.13
De zaak U.I. is gewezen voordat vorig jaar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad verscheen over de vraag of artikel 22 Wet OB 1968 de rechtsgrond biedt om rente op achterstallen ter zake van omzetbelasting in rekening te brengen die is verschuldigd wegens invoer van goederen. Deze beslissing biedt mijns inziens ook inzicht in de vraag of artikel 22 Wet OB 1968 als schakelbepaling kan dienen om een indirect douanevertegenwoordiger aansprakelijk te stellen voor de btw-schuld bij invoer.14 De Hoge Raad overweegt dat de wetgever een ruime werking van artikel 22 Wet OB 1968 voorstaat als het gaat om de aansluiting bij wetgeving met betrekking tot invoerrechten. Het feit dat artikel 22 is ondergebracht onder de titel ‘wijze van heffing’ doet daar niet aan af. De koppeling maakt dat er niet alleen een rechtstreeks verband is met de heffing en inning van invoerrechten, maar ook met aan die heffing en inning gekoppelde rechten en verplichtingen. Een dergelijke uitleg, zo overweegt de Hoge Raad, doet ook geen afbreuk aan het rechtszekerheidsbeginsel. Op basis van deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad meen ik dat een indirect douanevertegenwoordiger in Nederland op basis van artikel 22 Wet OB 1968 aansprakelijk gesteld kan worden voor een btw-schuld bij invoer.
Bij een onregelmatige invoer bepaalt artikel 79 DWU dat de volgende personen als douaneschuldenaar kunnen worden aangemerkt:
eenieder die de betrokken verplichtingen diende na te komen;
eenieder die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat aan een uit de douanewetgeving voortvloeiende verplichting niet was voldaan en die handelde voor rekening van de persoon die de verplichting diende na te komen, of die deelnam aan de handeling die tot de niet-naleving van de verplichting leidde;
eenieder die de betrokken goederen heeft verworven of deze onder zich heeft gehad en die op het ogenblik waarop hij de goederen verwierf of ontving, wist of redelijkerwijze had moeten weten dat aan een uit de douanewetgeving voortvloeiende verplichting niet was voldaan.
In lijn met de hiervoor besproken prejudiciële beslissing van de Hoge Raad zou ook in het geval van een onregelmatige invoer gesteld moeten worden dat de in artikel 79 DWU genoemde douaneschuldenaren ook aansprakelijk kunnen worden gesteld als ook een btw-schuld bij invoer ontstaat wat niet, zoals uiteengezet in paragraaf 2, altijd het geval is.
3.3 Belastingplichtige onder toepassing van artikel 23
In artikel 23 Wet OB 1968 ligt de in de praktijk genoemde ‘verlegging bij invoer’ of ‘artikel 23-vergunning’ besloten. Op basis van dit artikel wordt:
“In afwijking van artikel 22 […] de belasting ter zake van de invoer van goederen, bestemd voor aangewezen ondernemers en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, andere dan ondernemers, geheven van die ondernemers en lichamen. Bij ministeriële regeling worden onder daarbij te stellen voorwaarden regels gesteld omtrent de aanwijzing. Daarbij kan worden bepaald dat op verzoek een aanwijzing kan geschieden door de inspecteur.”
Dit betekent concreet dat bij toepassing van artikel 23 Wet OB 1968 de wijze van heffing voorschrijft dat het verschuldigd bedrag aan omzetbelasting niet wordt medegedeeld in een uitnodiging tot betaling en gelijk bij invoer is verschuldigd. Wanneer de wijze van heffing verloopt via artikel 23 Wet OB 1968, wordt de btw aangegeven in de btw-aangifte van de aangewezen ondernemer of lichaam en daarin gelijk – bij recht op aftrek van btw – in aftrek gebracht. In de regel verloopt de btw bij invoer dan cash-flow neutraal. Als bij invoer de goederen zijn bestemd voor een ondernemer of lichaam die is aangewezen op basis van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, is de invoer-btw verplicht verlegd naar de btw-aangifte.15 In de Nikkel-zaak overwoog de Hoge Raad daarom dat de uitnodiging tot betaling onterecht was uitgereikt aan de exploitant van een douane-entrepot van waaruit een partij nikkel was gestolen.16 Ik meen dat uit boeken en bescheiden moet blijken dat de goederen zijn bestemd voor de aangewezen ondernemer en afnemer om artikel 23 Wet OB 1968 voor te laten gaan op artikel 22.
4. Recht op aftrek
4.1 Inleiding
In het navolgende ga ik achtereenvolgens in op het wettelijk kader en de jurisprudentie over de aftrekbaarheid van invoer-btw (paragraaf 4.2), de zienswijze van het Btw-comité (paragraaf 4.3), het Nederlandse beleid (paragraaf 4.4) en tot slot het btw-aftrekrecht bij invoer van een importeur onder de hervorming van het EU-douanerecht (paragraaf 4.5).
4.2 Wettelijk kader en jurisprudentie
De btw bij invoer kan worden afgetrokken door ondernemers. Daartoe stelt artikel 15 lid 1 aanhef en letter c onder 1° Wet OB 1968 jo. artikel 10 Uitvoeringsbeschikking, als voorwaarde dat de ondernemer in het bezit is van een document waaruit blijkt dat de goederen ten tijde van de invoer voor hem waren bestemd.
De procedures DSV Road en Weindel geven inzicht wie volgens het Hof van Justitie kan worden aangemerkt als degene voor wie de goederen zijn ‘bestemd’. In de zaak DSV Road werden goederen op onregelmatige wijze onttrokken aan de bijzondere regeling douanevervoer.17 Zowel de invoerrechten als de btw bij invoer werden verschuldigd door de vervoerder van de goederen. De vraag was of de vervoerder de btw in aftrek kon brengen. Het Hof van Justitie overwoog dat er slechts een recht op aftrek bestaat voor zover de ingevoerde goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige. Er is slechts aan deze voorwaarde voldaan ‘[…] wanneer de kosten van de diensten in een eerder stadium zijn opgenomen in de prijs van de bijzondere handelingen in een later stadium of in de prijs van de door de belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit geleverde goederen of verrichte diensten’.18 Het Hof van Justitie hecht eraan dat voldaan wordt aan het zogenoemde verdisconteringscriterium. Het Hof van Justitie overweegt in dat kader dat ‘[a]angezien de waarde van de vervoerde goederen geen deel uitmaakt van de kosten waaruit de prijzen zijn samengesteld die in rekening worden gebracht door een vervoerder wiens activiteit is beperkt tot het vervoeren van die goederen tegen vergoeding, […] in casu niet [wordt] voldaan aan de voorwaarden […]’ om de btw bij invoer in aftrek te brengen.
Voornoemd oordeel vindt navolging in de beschikking van het Hof van Justitie in de zaak Weindel.19 In deze zaak geeft Weindel goederen in het vrije verkeer aan voor een opdrachtgever buiten de Europese Unie. Na invoer verricht Weindel, in de hoedanigheid van veredelaar, verpakkingsdiensten waarna de opnieuw verpakte goederen worden geëxporteerd. Weindel wilde de btw verschuldigd bij invoer van de goederen in aftrek brengen, terwijl de opdrachtgever juridisch eigenaar over de goederen bleef. Het Hof van Justitie overweegt dat Weindel geen recht op aftrek toekomt. Het Hof van Justitie overweegt dat voor een recht op aftrek het vereist is dat over de goederen wordt beschikt als eigenaar en de ‘invoerkosten’ in een later stadium in de prijs van de door de belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit geleverde goederen of verrichte diensten moet zijn begrepen. Dat laatste wijkt af van het arrest DSV Road waar het Hof van Justitie het had over dat de ‘waarde van de goederen’ in een later stadium in de prijs van de door de belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit geleverde goederen of verrichte diensten moet zijn begrepen. Gelijk aan Merkx lijkt mij dat het Hof van Justitie niet bedoeld heeft om andere voorwaarden te scheppen en kan, zoals Boonstra & Van Kesteren voorstaan, hoogstens worden gesproken over de introductie van een tussenliggende denkstap die geen zelfstandige betekenis toekomt.20
In nationaal verband wordt degene voor wie de goederen zijn ‘bestemd’ in de regel aangeduid als de ‘bestemmeling’. Voor de invulling van de reikwijdte van het begrip ‘bestemmeling’ merken Boonstra & Van Kesteren op dat de Hoge Raad onderscheid lijkt te maken tussen de situatie dat sprake is van regelmatige en niet-regelmatige invoer.21 In het Jachtverhuur-arrest is sprake van regelmatige invoer en overweegt de Hoge Raad dat een bestemmeling iemand is die: (i) de verschuldigde invoer-btw op aangifte voldoet; en (ii) de betreffende goederen in het kader van zijn/haar bedrijfsactiviteiten heeft betrokken.22 In het Nikkeldiefstal-arrest gaat het om onregelmatige invoer en overweegt de Hoge Raad dat met ‘bestemd’ wordt bedoeld dat de ondernemer ofwel de goederen in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten heeft betrokken uit een derde land, ofwel de goederen op het tijdstip waarop zij werden ingevoerd in de zin van artikel 18 Wet OB 1968 gebruikt in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten.23 Hoewel de overwegingen van de Hoge Raad overeenkomen in beide zaken, komt de (ver)huurder van het jacht die fungeerde als geadresseerde wel aftrek van invoer-btw toe, terwijl de entrepothouder als schuldenaar het recht op aftrek wordt geweigerd. Boonstra & Van Kesteren komen daarom tot de conclusie dat in nationaal verband bij regelmatige invoer meer personen dan alleen de eigenaren in aanmerking komen voor aftrek van invoer-btw. Hoewel ik mij met deze conclusie op basis van de overwegingen van de Hoge Raad kan verenigen, staat dit op gespannen voet met de beschikking Weindel waarin Weindel als aangever en geadresseerde aftrek van invoer-btw werd geweigerd ondanks dat de goederen evident van belang waren voor Weindels economische activiteit.
4.3 Btw-comité
Het Btw-comité heeft diverse richtsnoeren uitgebracht over de aftrekbaarheid van btw bij invoer. In de 94ste bijeenkomst lag de vraag voor of btw in aftrek kan worden gebracht door een vertegenwoordiger.24 Het Btw-comité concludeert in zijn working paper nr. 716 dat een persoon die op basis van de inbedding van artikel 201 Btw-richtlijn in de nationale btw-wetgeving als belastingplichtige wordt aangemerkt, alleen in aanmerking komt om de invoer-btw in aftrek te brengen als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
hij verkrijgt het recht om over de goederen te beschikken als eigenaar;
de kosten van de goederen hebben een direct en onmiddellijk verband met zijn economische activiteit.
Dit is zelfs het geval als er invoerdocumenten beschikbaar zijn waaruit volgt dat de goederen voor deze persoon zijn bestemd. Voornoemde richtsnoeren zijn in lijn met de zaken DSV Road en Weindel van het Hof van Justitie.
In working paper nr. 1061 heeft het Btw-Comité de vraag behandeld of invoer-btw aftrekbaar is in het geval geleasete goederen worden ingevoerd die vervolgens door een lessee worden gebruikt voor belaste activiteiten.25 Dit is een vervolg op working paper nr. 762 waarin op basis van de hierboven geformuleerde voorwaarden dit niet mogelijk werd geacht.26 De reden om hier nogmaals een working paper aan te wijden heeft van doen met het feit dat diverse lidstaten toch toelieten dat een lessee de invoer-btw bij met name ingevoerde geleasete vliegtuigen in aftrek mocht brengen. De Commissie heeft daarom gemeend om het onderwerp nogmaals te agenderen en te bespreken of de conclusies gehandhaafd moeten blijven in het licht van de arresten van het Hof van Justitie die sinds die tijd zijn gewezen.27 Een aantal lidstaten verzet zich tegen het ontzeggen van het recht op aftrek van invoer-btw als geleasete goederen worden ingevoerd door een lessee en worden gebruikt voor belaste activiteiten. Het ontzeggen van een recht op aftrek zou volgens bepaalde vertegenwoordigers kunnen leiden tot dubbele heffing, strijd met het neutraliteits- en het proportionaliteitsbeginsel, en extra financiële lasten vergeleken met lessees die een vliegtuig uit de EU halen. De meerderheid van de vertegenwoordigers schaarden zich echter achter de Commissie en daarmee blijven de eerdere richtsnoeren ongewijzigd.
4.4 Nederlands beleid
In Nederland kennen we naast de wettelijke bepalingen ook het besluit ‘Heffing van omzetbelasting bij invoer’.28 In dit besluit vinden we een tweetal goedkeuringen terug die het recht op aftrek van invoer-btw lijken te versoepelen.
Goedkeuring I
De eerste goedkeuring lijkt op de situatie zoals aan de hand in de zaak Weindel die hiervoor is besproken. De staatssecretaris staat onder paragraaf 4.3 van het besluit toe dat een Nederlandse veredelaar die namens een buitenlandse opdrachtgever goederen bewerkt, de btw kan verleggen naar zijn btw-aangifte. Dat kan in de volgende twee gevallen:
het gaat om goederen waarvoor de heffing bij invoer automatisch wordt verlegd; of
de veredelaar individueel is aangewezen voor de toepassing van de verlegging.
De ‘verlegde’ btw kan ook in aftrek worden gebracht door de veredelaar als aan de volgende twee aanvullende voorwaarden voor toepassing van de goedkeuring wordt voldaan. De verschuldigde omzetbelasting dient allereerst uit de boeken en bescheiden van de veredelaar te blijken op basis van artikel 10 Uitvoeringsbeschikking en daarnaast moet de veredelaar met de opdrachtgever overeenkomen dat de opdrachtgever afziet van zijn aftrekrecht.
De goedkeuring aan de veredelaar om zijn artikel 23-vergunning toe te passen, druist in tegen het bepaalde in artikel 15 lid 1 aanhef en letter c onder 1° jo. artikel 23 lid 1 Wet OB 1968. Daaruit volgt dat de goederen ‘bestemd’ moeten zijn voor de aangewezen ondernemers en lichamen ten tijde van de invoer.29 Op basis van de nationale wet lijkt het beleid dus onwettig. Met de Btw-richtlijn lijkt mij de goedkeuring echter niet per se in strijd, nu artikel 211 paragraaf 2 de voorwaarde dat de goederen moeten zijn bestemd voor toepassing van de verleggingsregel niet lijkt te stellen. De Btw-richtlijn laat het aan de lidstaten om voorwaarden te stellen waar zij toe gerechtigd zijn getuige ook het arrest SC Mora IPR SRL.30 In die zaak overwoog het Hof van Justitie dat Frankrijk in zijn nationale btw-wetgeving de verleggingsregeling bij invoer afhankelijk mag stellen van het verkrijgen van een certificaat dat volgens de bewoordingen van artikel 211 Btw-richtlijn niet vereist is, zolang de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijk certificaat in overeenstemming zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit. Tegen die achtergrond lijkt mij de voorwaarde dat de verleggingsregeling alleen kan worden toegepast door de aangewezen ondernemer of lichaam waarvoor de goederen zijn bestemd, toegestaan onder artikel 211 Btw-richtlijn.
Voor de goedkeuring die ziet op het aftrekrecht merk ik op dat er in het besluit maatregelen zijn genomen om dubbele aftrek van invoer-btw te voorkomen. Toch lijkt de goedkeuring op gespannen voet te staan met de eerder besproken HvJ-zaken en de zienswijze van het Btw-comité. De ‘invoerkosten’ worden namelijk niet door de veredelaar in een later stadium in de prijs van de door hem in het kader van zijn economische activiteit geleverde goederen of verrichte diensten begrepen. In die zin lijkt mij het besluit op dit punt onwettig, hoewel op basis van het Jacht-arrest nog kan worden betoogd dat er wel ruimte bestaat voor deze goedkeuring (zie paragraaf 4.2). Mocht sprake zijn van een onwettig besluit dan lijken belastingplichtigen nog wel gewettigd vertrouwen te kunnen ontlenen aan dit besluit. Omdat dat buiten het bestek van dit artikel valt, verwijs ik daarvoor naar de analyse van Van Kesteren in het WFR.31
Goedkeuring II
De tweede goedkeuring ziet op de invoer van goederen bij consignatiezendingen. Op basis van deze goedkeuring wordt het de consignatiehouder toegestaan om in plaats van de buitenlandse ondernemer de btw bij invoer te verleggen indien:
het gaat om goederen waarvoor de heffing bij invoer automatisch wordt verlegd; of
de consignatiehouder individueel aangewezen is voor de toepassing van de verlegging.
De ‘verlegde’ btw kan ook in aftrek worden gebracht door de consignatiehouder als aan de volgende twee aanvullende voorwaarden voor toepassing van de goedkeuring wordt voldaan. De verschuldigde omzetbelasting dient allereerst uit de boeken en bescheiden van de consignatiehouder te blijken op basis van artikel 10 Uitvoeringsbeschikking en daarnaast moet de consignatiehouder met de buitenlandse ondernemer overeenkomen dat de buitenlandse ondernemer afziet van zijn aftrekrecht.
De kanttekeningen die ik bij de eerste goedkeuring heb geplaatst gelden grotendeels ook ten aanzien van deze goedkeuring. Ook hier lijkt de goedkeuring voor het gebruik van de verleggingsregeling onwettig onder de Nederlandse btw-wetgeving, maar niet per se in strijd met de Btw-richtlijn. Voor de toekenning van het aftrekrecht aan de consignatiehouder gelden dezelfde kanttekeningen, zij het wat genuanceerder. Op basis van standaard consignatiecontracten blijven het eigendom en financiële risico ten tijde van de invoer en opslag rusten bij de consignor en niet bij de consignatiehouder. Laatstgenoemde heeft op het moment dan invoer dus niet het recht om over de goederen te beschikken als eigenaar, maar verkrijgt dat in de regel wel op een later moment. De ‘invoerkosten’ worden op dat moment pas in de prijs van de door hem in het kader van zijn economische activiteit geleverde goederen of verrichte diensten begrepen. Voor de beoordeling of er recht op aftrek bestaat, wordt echter uitgegaan van het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt, wat bij de invoer het tijdstip betreft waarop de invoer van de goederen geschiedt. Tegen die achtergrond lijkt mij het besluit op dit punt onwettig op basis van de besproken HvJ-procedures en de zienswijze van het Btw-comité, al sluit ik een succesvol beroep op het aftrekrecht bij de Hoge Raad of het gewettigd vertrouwen (mocht het besluit toch als onwettig worden aangemerkt) niet uit (zie ook mijn kanttekeningen ten aanzien van de eerste goedkeuring).
4.5 Hervorming EU-douanerecht32
Op 17 mei 2023 heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan voor een uitgebreid douanehervormingspakket.33 Onderdeel van het pakket is de introductie van de figuur ‘importeur’. Importeur wordt overeenkomstig artikel 5(12) van het voorstel als volgt gedefinieerd:
“‘importeur’: elke persoon die de macht heeft om te beslissen en beslist heeft dat goederen uit een derde land het douanegebied van de Unie zullen worden binnengebracht of, tenzij anders is bepaald, elke persoon die als gelijkgestelde importeur is aangemerkt.”
Indien een niet in de EU gevestigde partij goederen wil invoeren in de Europese Unie moet hij – net als onder het huidige douanerecht – een indirect douanevertegenwoordiger aanstellen. Onder het nieuwe douanerecht wordt de indirect douanevertegenwoordiger de importeur en daarmee de ‘single liable person’ voor de verschuldigde douanerechten en andere maatregelen die bij invoer gelden. Ik kan mij voorstellen dat diverse douaneagenten om aansprakelijkheidsredenen niet meer als indirect douanevertegenwoordiger willen optreden. Niet in de EU gevestigde partijen zouden in die gevallen kunnen overwegen om – gelijk aan wat nu in de praktijk ten aanzien van het exporteursbegrip plaatsheeft – een gevestigde partij te machtigen om als importeur op treden. De gemachtigde partij treedt in zo’n geval als importeur op, maar verkrijgt niet het recht om over de goederen te beschikken als eigenaar. Omdat het maar zeer de vraag is of in zo’n geval degene die de machtiging afgeeft op de invoerdocumenten wordt genoemd en deze ter beschikking heeft, kunnen in dergelijke gevallen knelpunten ontstaan in de uitoefening van het recht op aftrek. Vooralsnog lijkt daar onder het voorstel nog geen aandacht naar uit te gaan, maar zou dat naar mijn mening wel moeten om het met name niet-EU gevestigde partijen die hun goederen willen importeren in de Europese Unie het niet onmogelijk te maken om invoer-btw in aftrek te brengen.
5. Conclusie
Indien een douaneschuld op regelmatige wijze ontstaat, betekent dit tegelijkertijd dat er ook een belastbaar feit invoer van goederen plaatsvindt. Bij een douaneschuld die op onregelmatige wijze ontstaat, hangt het antwoord op de vraag of dit ook een belastbaar feit invoer van goederen voor de btw met zich brengt ervan af of de goederen in het economisch circuit terecht zijn gekomen.
Indien het belastbaar feit invoer van goederen ontstaat, stond in deze bijdrage met name de vraag centraal of de verschuldigde invoer-btw in aftrek kan worden gebracht en door wie. Op basis van de bepalingen in de Btw-richtlijn en de Wet OB 1968, HvJ-jurisprudentie en de uitlatingen van het Btw-comité kan een persoon aftrek van invoer-btw claimen als deze persoon ten tijde van de invoer:
het recht heeft om over de goederen te beschikken als eigenaar;
de kosten van de goederen een direct en onmiddellijk verband hebben met zijn economische activiteit.
In Nederland lijkt het aftrekrecht aan een bredere kring van personen te worden gegund op het basis van het besluit ‘Heffing van omzetbelasting bij invoer’ en zou dit bij regelmatige invoer ook uit jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen worden afgeleid. Hoewel er in het besluit waarborgen zijn ingebouwd om dubbele aftrek van invoer-btw te voorkomen, lijken de in het besluit besloten goedkeuringen onwettig op grond van beslissingen van het Hof van Justitie in de zaken DSV Road en Weindel en de zienswijze van het Btw-comité. Als dat het geval is, dan zouden belastingplichtigen zich er mijns inziens alsnog op kunnen beroepen op basis van gewettigd vertrouwen. Tot slot zou er nog nadere aandacht moeten komen hoe het btw-aftrekrecht bij invoer uitwerkt voor importeurs zoals bedoeld onder de voorstellen voor een EU-douanehervorming, indien deze is gemachtigd door een partij die eigenaar van de goederen blijft.