Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.6.6.3:12.6.6.3 Conclusie en aanbevelingen
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.6.6.3
12.6.6.3 Conclusie en aanbevelingen
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491654:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Alles afwegend, kan ik me erin vinden dat aanvullende regels aan de fiscale begeleiding worden gekoppeld als sprake is van latente liquidatie- en stakingsverliezen. Wat betreft de inhoud van die regels kom ik tot de volgende aanbevelingen. In art. 14a Wet VPB 1969 zou bepaald moeten worden dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld voor de volgende situaties:
Op het tijdstip van het (af)splitsingsvoorstel behoort tot het vermogen van een splitsingspartner een deelneming waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt dan wel daartoe is besloten.
Op het tijdstip van het (af)splitsingsvoorstel behoort tot het vermogen van een splitsingspartner een onderneming waarop art. 13e Wet VPB 1969 van toepassing is.
Binnen een periode van 36 maanden na de datum waarop de splitsing volgens het civiele recht van kracht wordt, is sprake van een staking als bedoeld in art. 15i Wet VPB 1969.
De nadere (technische) regels kunnen worden uitgewerkt in het Besluit reorganisaties. De huidige standaardvoorwaarden kunnen daarbij model staan. Daarin dient echter te worden verwezen naar de winstsplitsingsregels volgens het wenselijke recht.1 Voorts is het niet nodig te bepalen dat de terugkeerregeling voor stakingsverliezen in art. 15j, lid 2, Wet VPB 1969 buiten toepassing blijft. Verder zou het ook bij afsplitsingen onder voorwaarden mogelijk moeten zijn een door de verkrijger na het afsplitsingstijdstip gerealiseerd (restant)liquidatie- of stakingsverlies dat samenhangt met de overgenomen onderneming in mindering te brengen op het winstverleden van de afsplitser. Ten slotte zou bepaald moeten worden dat de nadere regels met betrekking tot stakingsverliezen niet gelden als de verkrijger aannemelijk maakt dat de staking plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen die zijn opgekomen na de datum waarop de splitsing obligatoir is overeengekomen. Met deze aanbevelingen is met betrekking tot latente liquidatie- en stakingsverliezen het onderscheid verdwenen tussen de wettelijke doorschuifregeling en de doorschuifregeling op verzoek.2 Bovendien zijn de eerder in dit onderdeel geconstateerde strijdigheden met het toetsingskader verholpen.