Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/18.10.3.2:18.10.3.2 De Hoge Raad
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/18.10.3.2
18.10.3.2 De Hoge Raad
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406941:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover terecht kritisch Van Schilfgaarde, die in zijn NJ-noot eufemistisch opmerkt dat de Hoge Raad hier te subtiel te werk gaat: “Die zin eindigt met woorden “[…] als zij de nietigheid van al deze rechtshandelingen hadden ingeroepen”. Blijkbaar gaat de Hoge Raad ervan uit dat curatoren dat niet hebben gedaan. Dat begrijp ik niet goed. […] Ik heb het gevoel dat de Hoge Raad hier wat al te subtiel te werk gaat.”
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toen Charter in januari 2000 failleerde, riepen de curatoren op grond van de pauliana de nietigheid van de reorganisatieovereenkomst én het dividendbesluit in. De Hoge Raad oordeelde echter dat de curatoren zich tegen het geheel van rechtshandelingen hadden moeten richten. Nu zij dat niet hadden gedaan, achtte de Hoge Raad zich niet gehouden in te gaan op de vraag of dit geheel van rechtshandelingen paulianeus was geweest.1 Aan de vragen of de schuldeisers door het samenstel van rechtshandelingen al dan niet benadeeld waren en of ten tijde van de rechtshandelingen deze benadeling voorzienbaar was, kwam de Hoge Raad dus niet toe.
De Hoge Raad overwoog: “Zoals het hof, in cassatie onbestreden, heeft geoordeeld kunnen het besluit tot uitkering van dividend en de voldoening daarvan door verrekening met de koopprijs van de aandelen niet los worden gezien van de Reorganisatieovereenkomst I. Deze overeenkomst en het Dividendbesluit vormden een zodanig samenhangend geheel van rechtshandelingen dat de (nadelige) gevolgen ervan in onderling verband moeten worden beoordeeld. Hieruit vloeit voort dat de vorderingen van de curatoren alleen kans van slagen hadden als zij de nietigheid van al deze rechtshandelingen hadden ingeroepen. De aan de onderdelen ten grondslag liggende rechtsopvatting dat afzonderlijke vernietiging van een van de rechtshandelingen mogelijk is en dat de bevoordeling daardoor van de boedel niet relevant is, kan niet als juist worden aanvaard. Het oordeel van het hof dat de curatoren zich ook niet mochten beperken tot vernietiging van een van de rechtshandelingen omdat daardoor de boedel ongerechtvaardigd zou worden bevoordeeld, is niet onjuist of onbegrijpelijk.” (Onderstr. JB)
De vraag rijst in hoeverre het oordeel van de Hoge Raad dat de curatoren zich niet tegen uitsluitend de dividenduitkering hadden mogen richten, zich leent voor toepassing op andere gevallen waarbij dividend onderdeel uitmaakt van een samenstel van rechtshandelingen. Het oordeel van de Hoge Raad steunt op twee overwegingen: ten eerste op de veronderstelde samenhang tussen het dividendbesluit en de reorganisatieovereenkomst en daarnaast vooral op de ongerechtvaardigde bevoordeling van de boedel als slechts de dividenduitkering zou worden aangetast. Hierna wordt op beide punten nader ingegaan.