Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.5.3.1
2.5.3.1 Algemeenheid van goederen
Chr.M. Stokkerman, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkerman
- JCDI
JCDI:ADS592786:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 98 (bij art. 3.1.1.11).
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 400 (bij art. 3.4.2.9).
Parl. Gesch. Boek 3, p. 623 e.v.
OM, art. 3.7.2.1 lid 1.
OM, art. 3.7.2.1 lid 2. Het huidige artikel 3:190 lid 2 BW kwam in het OM niet voor.
Zie 2.4.6.3.
OM, art. 3.7.2.2 lid 1.
OM, art. 3.7.2.2 lid 2.
Het met art. 3:192 BW overeen komende art. 3.7.2.2a werd ingevoegd in het gewijzigd ontwerp uit 1971. Zie MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 626 (bij art. 3.7.2.2a).
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 99 (bij art. 3.1.1.11). Uitgebreid hierover: De Ruiter 1963, p. 77-84.
De aangehaalde art. 3.1.1.11, 3.4.2.9, 3.7.2.1 en 3.7.2.2 werden ongewijzigd overgenomen. Regeringsontwerp, Parl. Gesch. Boek 3, p. 100, 400, 624 en 626. Kamerstukken II 1954-1955, 3770, nr. 2.
De Ruiter 1963, p. 105 en 117.
Voorlopig verslag II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 401 (bij art. 3.4.2.9).
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 401 (bij art. 3.4.2.9). Deze MvA (Kamerstukken II 1970- 1971, 3770, nr. 5) werd op 18 maart 1971 bij de Tweede Kamer ingediend en ging vergezeld van een gewijzigd ontwerp waarin art. 3.4.2.9 was geschrapt.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 626 (bij art. 3.7.2.2).
Eindtekst en gewijzigd ontwerp, Parl. Gesch. Boek 3, p. 97 en 104 (bij art. 3.1.1.11). De nieuwe tekst van art. 3.1.1.11 lid 1 luidde: “Goederen, of goederen en schulden, kunnen als algemeenheid van goederen het voorwerp van een rechtsverhouding zijn, indien zij volgens verkeersopvatting, gezien de aard van de rechtsverhouding, bijeen behoren.”
Gewijzigd ontwerp, Parl. Gesch. Boek 3, p. 104 (bij art. 3.1.1.11). Wet van 9 mei 1980, houdende vaststelling van boek 3 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Stb. 1980/430.
Nota van Wijziging 1 Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p 1026 (bij art. 3.1.1.11). Nota van Wijziging van het ontwerp Invoeringswet Boeken 3-6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (vierde gedeelte) (wijziging Boek 3), ontvangen 3 oktober 1983, Kamerstukken II 1983- 1984, 17 496, nr. 6. De Ruiter was van 1977 tot 1982 minister van Justitie en heeft hierin mede de hand gehad.
In het ontwerp-Meijers werden als algemeenheid van goederen erkend de nalatenschap, de huwelijksgemeenschap, de onderneming, het vennootschappelijk vermogen en het door giften voor een bepaald, tijdelijk doel bijeengebracht vermogen. Daarbij werd bepaald dat een algemeenheid van goederen bij een verandering in haar bestanddelen dezelfde bleef.1 Volgens de toelichting moest de algemeenheid worden opgevat als een veelheid van actieve en passieve vermogensbestanddelen – goederen en schulden – aan welke het recht een eigen bestaan toekende. Meijers sprak van een overgang tussen los naast elkaar staande vermogensbestanddelen en het vermogen van een rechtspersoon. Met deze laatste had de algemeenheid volgens hem gemeen dat de eenheid dezelfde bleef, niettegenstaande de wisseling van de bestanddelen. De algemeenheid verschilde van een rechtspersoon hierin, dat er niet een afzonderlijk rechtssubject was, waaraan de algemeenheid toebehoorde. Het door giften bijeengebrachte vermogen behoorde volgens Meijers toe aan de gezamenlijke gevers.2
In het ontwerp-Meijers was een aparte wetsbepaling gewijd aan de levering van een algemeenheid van goederen (art. 3.4.2.9), luidende:3
Voor levering van een algemeenheid van goederen wordt een akte vereist.
De afzonderlijke tot de algemeenheid behorende goederen gaan niet op de verkrijger der algemeenheid over, zolang zij niet op de voor ieder van die goederen bepaalde wijze zijn geleverd.
De omstandigheid, dat enige onderdelen der algemeenheid niet zijn geleverd, belet de overgang der algemeenheid niet, mits slechts haar hoofdbestanddelen zijn geleverd.
Met de in lid 3 bedoelde ‘hoofdbestanddelen’ had Meijers het oog op de meest belangrijke en meest kenmerkende bestanddelen. Zo achtte hij bij de verkoop van een onderneming voldoende dat de handelsnaam, de clientèle en de voornaamste der in de koop begrepen bedrijfsmiddelen zouden worden geleverd.4
Het sluitstuk van de regeling van de algemeenheid van goederen in het ontwerp- Meijers werd gevormd door afdeling 3.7.2, getiteld: ‘Gemeenschap van een algemeenheid van goederen’.5 Dit is later, met enige wijzigingen, de huidige afdeling 3.7.2 BW (‘Enige bijzondere gemeenschappen’) geworden. Volgens de voorloper van het huidige artikel 3:190 lid 1 BW kon een deelgenoot niet over een aandeel in een afzonderlijk, tot de algemeenheid behorend goed beschikken.
En zijn schuldeisers konden een dergelijk aandeel niet uitwinnen.6 Deze regels waren niet van toepassing op een aandeel in een goed, behorende tot een vennootschap of een onderneming die niet onder gemeenschappelijke naam naar buiten optrad.7 Meijers was dus geen voorstander van vermogensscheiding bij de stille vennootschap. Dit kwam al eerder aan de orde.8
De door Meijers ontworpen voorloper van het huidige artikel 3:191 BW hield in dat iedere deelgenoot in een algemeenheid van goederen over zijn aandeel in de algemeenheid (als geheel) kon beschikken en dat zijn schuldeisers dat aandeel konden uitwinnen.9 De vereisten voor levering van een aandeel in een eenvoudige gemeenschap waren van overeenkomstige toepassing.10 Deze regels golden niet voor een aandeel in een niet-ontbonden huwelijksgemeenschap of vennootschap, noch voor het door giften voor een tijdelijk doel bijeengebracht vermogen.11 Een met het huidige artikel 3:192 BW vergelijkbare bepaling kwam in het ontwerp-Meijers nog niet voor.12
Aan het zijn van een algemeenheid van goederen waren volgens Meijers vier gevolgen verbonden. Als voornaamste gevolg noemt hij dat bij een verandering in de bestanddelen de algemeenheid dezelfde bleef. Verder moesten bij overdracht van een algemeenheid vóór alles de goederen en kwaliteiten geleverd of gegarandeerd worden, die de algemeenheid haar eigen karakter gaven. Zo moesten bij vervreemding van een onderneming in ieder geval de nodige handelingen worden verricht voor overgang van de handelsnaam en de clientèle. Als derde gevolg noemde Meijers dat de rechthebbende op een aandeel in een algemeenheid misschien over dat aandeel in het geheel kon beschikken, maar niet over zijn aandeel in een of meer der afzonderlijke, tot de algemeenheid behorende goederen. En ten slotte kon een algemeenheid door de rechthebbende of de bewindvoerder als een eenheid in rechte worden opgevorderd. Aan dit alles voegde Meijers nog toe dat de algemeenheid nimmer als een afzonderlijk goed in die zin erkend diende te worden, dat zij bij één handeling zonder op de haar samenstellende delen te letten kon worden overgedragen.
Het vereiste, dat voor de overdracht van een algemeenheid een akte moest worden opgemaakt, vormde dan ook niet een vereenvoudiging, maar eerder een verzwaring van de leveringsvereisten.13
De door Meijers voorgestelde regeling werd overgenomen in het regeringsontwerp, dat op 4 november 1954 werd ingediend.14 De regeling van de algemeenheid van goederen is vervolgens bekritiseerd, in het bijzonder door De Ruiter. In diens proefschrift uit 1963 legt hij op overtuigende wijze uit, dat het in de regeling ontbrak aan een behoorlijke definiëring van het begrip en alle eraan verbonden gevolgen.15 Deze problemen heeft men nadien niet bevredigend kunnen oplossen. Over de voorgestelde leveringsvereisten werden kritische vragen gesteld vanuit de Tweede Kamer. Wat gebeurde als bijvoorbeeld een essentieel gedeelte van de onderneming door tenietgang niet meer kon worden geleverd? Bleef de levering dan toch als zodanig geldig? Wat is ‘essentieel’? Kon de kwestie van lid 3 niet het best worden opgelost in de verbintenisrechtelijke sfeer? Bracht het artikel mee dat ook contracten mee overgingen bij overdracht van een onderneming en zo ja was dat vanuit het oogpunt van wederpartijen wel gewenst?16 Aan de beantwoording van al deze vragen is de minister niet toegekomen. De vragen waren zo moeilijk, dat men in 1971 besloot de regeling van de algemeenheid van goederen te parkeren en vooruitlopend daarop artikel 3.4.2.9 alvast te schrappen “ten einde niet op de in dit verband nog te ontwerpen bepalingen vooruit te lopen”.17 Daarbij stelde de minister: “De gezamenlijke tot een algemeenheid van goederen behorende vermogensbestanddelen kunnen worden overgedragen door de betreffende ieder op de voor dat goed zelf voorgeschreven wijze over te dragen”.18 Bij deze gelegenheid werd tevens de omschrijving van de algemeenheid van goederen algemener en daardoor flexibeler gemaakt.19
De aldus gewijzigde regeling van de algemeenheid van goederen heeft de eindtekst van het ontwerp-NBW gehaald,20 en ook het ontwerp van de Invoeringswet overleefd. Bij de Nota van wijziging uit 1983 is de regeling alsnog gesneuveld.21Artikel 3.1.1.11 werd geschrapt en afdeling 3.7.2 werd niet langer betrokken op de algemeenheid van goederen als zodanig. De bijzondere regels van afdeling 3.7.2 bleven nog slechts gelden voor enkele gemeenschappen waarvan in het toenmalige recht al werd aangenomen of verdedigd dat zij tot een afgescheiden vermogen leiden, namelijk de nalatenschap, de ontbonden huwelijksgemeenschap, maatschap, vennootschap of rederij, en de gemeenschap van een gebouw waarvan de splitsing in appartementen is opgeheven. Voor deze gemeenschappen weken de regels van afdeling 3.7.2 niet sterk af van het toen geldende recht, aldus de toelichting.22
Interessant is dat het idee van de algemeenheid van goederen niet was voorbehouden aan afgescheiden vermogens. In het voorstel van Meijers vormde het vermogen van elke vennootschap een algemeenheid van goederen, maar was niet in alle gevallen sprake van een afgescheiden vermogen. Voor vermogensscheiding was volgens Meijers immers vereist dat de vennootschap onder een gemeenschappelijke naam naar buiten optrad. De bijzondere gemeenschappen van de uiteindelijk ingevoerde afdeling 3.7.2 BW daarentegen, vormen in alle gevallen een afgescheiden vermogen. Met deze ontwikkeling in gedachten houd ik enkele bepalingen van afdeling 3.7.2 BW nog eens tegen het licht.