Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.2
3.2 Historisch perspectief
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706213:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Scholten II 1945, p. 445: ‘Alles is tamelijk onzeker’; Meilink 1898, p. 66 e.v.
Zie Meilink 1898, p. 67 en 71.
Naar huidig recht vormen de begrippen beschikken en beheer overigens geen zuivere tegenstelling. Beschikken is een technisch begrip, beheer is een economisch begrip. Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 581, 588, 594-595.
Aldus Meijlink 1898, p. 72.
In gelijke zin Koster 2012, p. 209. Zie hiervoor Molengraaff/Star Busmann & Zevenbergen 1953, p. 248 en 268; Asser/Scholten II 1945, p. 444; Suijling 1940/571; De Kat 1932, p. 575; De Kat 1921, p. 282; Meijlink 1898, p. 66-73. Anders Eggens 1936.
Molengraaff/Star Busmann & Zevenbergen 1953, p. 248; Suijling 1940, nr. 571; Van der Heijden/Van der Grinten 1931, nr. 184.
Van der Heijden/Van der Grinten 1955, nr. 184 met verwijzing naar rechtspraak.
Zie Van der Heijden/Van der Grinten 1955, nr. 184; Molengraaff/Star Busmann & Zevenbergen 1953, p. 248 en 268.
Zie hierover Asser/Scholten II 1945, p. 100 e.v.
Rb. Amsterdam 3 mei 1938, NJ 1938/1112 (Sportfondsen-Kunstijsbaan); Van der Heijden/Van der Grinten 1995, nr. 184.
Deze verplichting gaat bij verpanding niet over op de pandhouder, zie reeds De Kat 1932, p. 575.
Deze verplichte beslotenheid hield verband met de lichtere eisen die werden gesteld aan de jaarrekeningrechtelijke publicatieplichten. Inmiddels is de beslotenheid bij de bv het uitgangspunt, maar niet meer verplicht. Bv-aandelen kunnen tegenwoordig vrijelijk overdraagbaar zijn.
Brahn 1976, p. 196. Zie over de positie van de vruchtgebruiker Bos 2005, p. 130 e.v.
Blijkens de parlementaire geschiedenis bij de algemene bepaling uit Boek 3 BW beoogde de wetgever aan te sluiten bij de destijds heersende algemene leer en de regeling uit Boek 2 BW, zie Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 775 (MvA II) en 776 (NvW). Het Ontwerp Meijers bevatte een vergelijkbare bepaling, zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 774 (OM).
Zie Visser 2004, nr. 14, die terecht opmerkt dat dit deel van de regeling strikt genomen overbodig is. Opvallend is dat er geen grondslag is gecreëerd om de pandgever na stemrechtovergang zeggenschapsrechten te onthouden, zoals bij de pandhouder mogelijk is wat betreft certificaathoudersrechten.
Zie voor een overzicht van de discussie die hierover in het verleden is gevoerd Visser 2004/176 e.v.
Anders Philips 2011, waarover §3.7.6.
81. Van oudsher heeft men geworsteld met de kwestie wat de gevolgen zijn van aandelenverpanding voor de rechten waaruit aandelen (kunnen) bestaan, zoals het stemrecht.1 Tot 1976 werd de vraag wie na de verpanding de zeggenschapsrechten mag uitoefenen, beantwoord aan de hand van algemene rechtsbeginselen. Uit het beginsel dat bij verpanding de eigendom ‘onaangetast’ bleef, werd destijds in de literatuur de stelregel afgeleid: ‘beschikking bij den pandgever, beheer bij den pandnemer’.2 De kwestie of een pandhouder zeggenschapsrechten toekwamen, viel zo samen met de vraag of bij de uitoefening van het stemrecht sprake was van beschikken of beheren.3 Omdat je daarover al snel van mening kan verschillen, is rond 1874 van regeringszijde geprobeerd om tot een wettelijke regeling te komen. Deze poging mislukte omdat men geen overeenstemming kon bereiken over de precieze verdeling van bevoegdheden. Men vond het beter om de kwestie over te laten aan de wetenschap.4
In de literatuur was jarenlang de heersende leer dat de pandhouder slechts de ‘pandrechtelijke bevoegdheden’ verkreeg, en dat de pandhouder dus geen persoonlijke rechten toekwam zoals vergaderrecht en stemrecht ter algemene vergadering.5 Dat wilde zeggen dat het stemrecht na de verpanding van de aandelen bij de pandgever bleef. Was het aandelenbewijs aan de pandhouder afgegeven en was voor de uitoefening van het stemrecht de overlegging daarvan nodig,6 dan hoefde de pandhouder de pandgever daartoe echter niet in staat de stellen. De pandhouder had steeds het recht om de aan hem in bewaring gegeven stukken, zoals een aandelenbewijs, onder zich te houden.7 Aldus had de verpanding op zichzelf niet tot gevolg dat de zeggenschapsrechten aan de pandgever ontvielen, maar kon door de afgifte van het aandelenbewijs aan de pandhouder de situatie ontstaan dat niemand de zeggenschapsrechten kon uitoefenen. In de rechtspraak werd daarop later in zoverre teruggekomen dat de goede trouw kon meebrengen dat de pandhouder verplicht was om de pandgever in staat te stellen zijn aandeelhoudersrechten uit te oefenen.8 Niet werd er teruggekomen op het uitgangspunt dat zeggenschapsrechten na aandelenverpanding bleven toekomen aan de pandgever.9
Ten tijde van het voormalige BW kon de aandelenoverdracht tot zekerheid een soortgelijke functie vervullen als het pandrecht op aandelen.10 Anders dan de pandhouder, kreeg de fiduciaire eigenaar daarbij wel alle aandeelhoudersrechten.11 Hij was daarentegen ook gebonden aan alle aandeelhoudersverplichtingen, zoals een stortingsplicht.12
82. Sinds 1976 regelt de wet dat het stemrecht na de verpanding van aandelen bij de pandgever blijft (art. 2:89/198 lid 2 BW). Deze regeling was noodzakelijk geworden vanwege de invoering van de besloten vennootschap in 1971. Deze vennootschapsvorm werd ingevoerd als de evenknie van de naamloze vennootschap, maar kende een verplicht besloten vennootschapsrechtelijke verhouding.13 In het kader van de bescherming van de beslotenheid rezen er vragen over de positie van beperkt gerechtigden tot een aandeel, zoals een pandhouder.14 Met het oog daarop codificeerde de wetgever de ongeschreven regel dat het stemrecht na de verpanding van aandelen bij de pandgever blijft. Tegelijkertijd werd een regeling gecreëerd voor de toekenning van het stemrecht aan een pandhouder. In 1992 werd deze regeling voor aandelenverpanding aangevuld met een inhoudelijk vergelijkbare bepaling voor het stemrecht na de verpanding van goederen in het algemeen: artikel 3:247 BW.15
Wat betreft de andere zeggenschapsrechten van een aandeel heeft de wetgever ervoor gekozen om de verkrijging door een pandhouder af te laten hangen van de kwestie of het gaat om nv-aandelen of bv-aandelen. Deze wettelijke regeling reflecteert de mate van beslotenheid van de vennootschapsvorm. Bij de nv verkrijgt de pandhouder zonder stemrecht de rechten die door de wet zijn toegekend aan de houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen, tenzij deze hem bij de vestiging of de overgang van het pandrecht of bij de statuten der vennootschap worden onthouden (art. 2:89 lid 4 BW). Bij de bv geldt in zekere zin het tegenovergestelde. Daar verkrijgt de pandhouder zonder stemrecht pas certificaathoudersrechten, indien de statuten dit bepalen en bij de vestiging of de overgang van het pandrecht niet anders is bepaald (art. 2:198 lid 4 BW). De pandgever behoudt steeds, zowel bij de nv als de bv, zijn andere zeggenschapsrechten, zelfs als het stemrecht overgaat op de pandhouder. De wetgever heeft dit wat betreft de certificaathoudersrechten expliciet bepaald (art. 2:89/198 lid 4 BW).16
83. Nadat de mogelijkheid in de wet werd geopend om het stemrecht aan de pandhouder toe te kennen, ontstond de vraag of het stemrecht ook onder opschortende voorwaarde(n) kon overgaan op de pandhouder. In dat geval zou het bijvoorbeeld mogelijk worden om het stemrecht van rechtswege op de pandhouder over te laten gaan na verzuim en de mededeling van de pandhouder dat hij het stemrecht wenst te hebben. Over de kwestie of dat mogelijk was, bestond geen eenstemmigheid in de literatuur.17 Sinds 2012 staat artikel 2:198 lid 3 BW de voorwaardelijke overgang van het stemrecht bij de verpanding van bv-aandelen uitdrukkelijk toe.
Een tweede vraag die opkwam als gevolg van de mogelijkheid tot stemrechtovergang aan de pandhouder, is welke grenzen een pandhouder in acht moet nemen bij de uitoefening van zeggenschapsrechten. In de literatuur van voor 1976 wordt daaraan vrijwel geen aandacht besteed. Dat is niet verwonderlijk gelet op de stand van de wetgeving destijds en het gebrek aan gepubliceerde rechtspraak over dat onderwerp. Tegenwoordig bestaan er op specifieke plekken in de wet regelingen die de pandhouder met het oog op het vennootschappelijke belang beperken in de uitoefening van zijn zeggenschap. Zo is in 1989 bij de invoering van de geschillenregeling een expliciet tot de pandhouder gerichte norm ingevoerd. Op grond van artikel 2:342 lid 1 BW kan de pandhouder zijn stemrecht worden ontnomen als hij zich gedraagt op een manier die het vennootschappelijk belang zodanig schaadt, dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat de pandhouder het stemrecht blijft uitoefenen (§3.7.3). Verder heeft de wetgever door een tekstuele verruiming in 2013 de twijfel weggenomen over de kwestie of (stem)gedrag van een pandhouder kan worden getoetst in het kader van de enquêteregeling (art. 2:350 lid 1 BW) – §3.7.4. Beide wetsbepalingen hebben aanleiding gegeven voor gedachtevorming op het gebied van de grenzen aan de zeggenschapspositie van de pandhouder, zij het in beperkte mate (§3.7.6). Een algemeen richtsnoer voor stemrechtuitoefening door een pandhouder ontbreekt mijns inziens vooralsnog.18 Niettemin kan er uit het stelsel van de wet worden afgeleid dat de grenzen bij de uitoefening van zeggenschap door de pandhouder ruim zijn getrokken, en hij in beginsel zijn eigen belang voorop mag zetten (§3.3.4). Ik kom daarop terug in de slotbeschouwingen van dit hoofdstuk (§3.8).