Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.6.2.1
19.6.2.1 Leningen aan aandeelhouders
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS409106:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In het faillissement van de vennootschap maakt het geen wezenlijk verschil of een betaling aan een aandeelhouder kwalificeert als een lening of een ongeoorloofde materiële uitkering; beide moeten worden terugbetaald en zullen slechts worden terugbetaald voor zover verhaal op de aandeelhouder mogelijk is. Onder het Duitse recht maakt dit wel verschil, nu de aandeelhouders van de GmbH subsidiair aansprakelijk zijn voor ongeoorloofde uitkeringen aan hun medeaandeelhouders, en niet voor leningen aan hun medeaandeelhouders (zie par. 11.8.1.2).
Daarnaast is de aandeelhouder vanzelfsprekend het bedrag van de lening schuldig aan de vennootschap.
Het is niet ongebruikelijk dat een vennootschap een lening verstrekt aan een aandeelhouder. In beginsel kwalificeert dit niet als een uitkering omdat de vennootschap voor het verstrekte krediet een vordering op de aandeelhouder krijgt. Als op het moment van het verstrekken van de lening de kredietwaardigheid van de aandeelhouder echter twijfelachtig is, kwalificeert de lening wél als een materiële uitkering (in mijn hiervoor gegeven definitie).1 Dit geldt temeer als de in de toekomst door de vennootschap uit te keren dividenden de enige inkomstenbron zijn van de kredietnemende aandeelhouder. In dat geval wordt met de lening immers vooruit gelopen op toekomstige uitkeringen.2 Tevens is het mogelijk dat de lening tegen niet-marktconforme voorwaarden aan de aandeelhouder wordt verstrekt, omdat bijvoorbeeld geen of een erg laag rentepercentage wordt gerekend. Ook in dat geval is sprake van een materiële uitkering, zij het dat de uitkering dan slechts bestaat uit het voordelige verschil tussen de betaalde rente en de rente die de vennootschap aan een onafhankelijke derde in rekening had gebracht. Voor zover een lening aan een aandeelhouder kwalificeert als een materiële uitkering, is daarop mijns inziens de Nimox-norm van toepassing: als de aandeelhouder ten tijde van de betalingen door de vennootschap ernstig rekening moest houden met een tekort, handelt hij door aanvaarding daarvan onrechtmatig jegens de gezamenlijke crediteuren. Bij wijze van schadevergoeding kan van de aandeelhouder de te weinig betaalde rentevergoeding worden gevorderd.3