Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.6.3
4.6.3 Het opstalrecht
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644768:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie net iets anders: Heyman, Bartels, NTBR, 2006/40. Heyman stelt dat de essentie van het opstalrecht is dat het recht kan bestaan op een bestanddeel.
Zie hierboven: §4.3.6.
M.v.A. II, art. 3.1.1.2, Parl. Gesch. Boek 3, p. 68: “Zo veronderstelt ook de mogelijkheid van een recht van opstal dat met name beplantingen en gebouwen zelfstandige zaken kunnen zijn. Artikel 3.1.1.2 is juist voor deze gevallen van belang. Het heeft tot gevolg dat hetgeen daarin is opgesomd, zelfs dan onroerend is, indien van een bestanddeel van de grond geen sprake zou zijn.” In zijn toelichting bij art. 3:3 BW stelde Meijers bovendien: “Beplantingen en opstallen zijn meestal wegens hun organische of mechanische verbinding met de grond als een bestanddeel van de grond aan te merken. Om verschillende redenen is het echter wenselijk hen afzonderlijk te noemen. In de eerste plaats wegens hun grote economische betekenis; in de tweede plaats omdat opstallen en beplantingen zelfstandig voorwerp van recht kunnen zijn; en in de derde plaats omdat tegenwoordig vele gebouwen worden geplaatst zonder dat enig mechanisch verband met de grond wordt gelegd, en het dan twijfelachtig is of het gebouw als een bestanddeel van de grond kan worden beschouwd.”
Art. 3:85 lid 1 BW: “Een verbintenis strekkende tot overdracht van een goed voor een bepaalde tijd, wordt aangemerkt als een verbintenis tot vestiging van een vruchtgebruik op het goed voor de gestelde tijd.” Lid 2: “Een verbintenis strekkende tot overdracht van een goed onder opschortende tijdsbepaling, wordt aangemerkt als een verbintenis tot onmiddellijke overdracht van het goed met gelijktijdige vestiging van een vruchtgebruik van de vervreemder op het goed voor de gestelde tijd.” Zie hierover: Zwalve (2006).
Zie ook: Heyman & Bartels, NTBR 2006/40; Beekhuis, Opstall-bundel (1972), p. 13. Naar aanleiding van de afhankelijkheid van het eigendomsrecht van het opstalrecht dat op zijn beurt weer afhankelijk is van het gebruiksrecht stelt Beekhuis: “Het is daarom m.i. niet juist uit de mogelijkheid van de vestiging van een recht van opstal af te leiden, dat in ons recht het gebouw als een geheel zelfstandige zaak beschouwd kan worden die bijv. afzonderlijk zou kunnen worden overgedragen aan een ander dan de eigenaar van de grond.”
Suijling, V (1940), p. 46; Zie ook: Hoofdstuk 3, §3.6.8.
Verheul & Verstijlen (2016), p. 100.
Zie Hoofdstuk 2, §2.2.4.
Zie Hoofdstuk 2, §2.1.7.2.
Zie §4.3.6.
Volgens art. 5:101 BW verkrijgt de opstalgerechtigde de eigendom van de opstal (huis), terwijl hij geen eigenaar is van de grond.1 Hoe is dit mogelijk? De opstalgerechtigde is eigenaar van een bestanddeel geworden en juist dat is toch in strijd met het eenheidsbeginsel? Dat hij de eigendom verkrijgt, heeft te maken met de eigenaardige inhoud van het recht van opstal. Dit is een beperkt recht. De essentie van het opstalrecht is dat het de bestanddeelvorming doorbreekt.2 Zo’n doorbreking had Meijers ook voor ogen bij het nooit ingevoerde derde lid van art. 3.1.1.3 (art. 3:4) BW.3 Is sprake van een opstalrecht, dan geeft art. 3:3 BW voor de duidelijkheid aan dat de huizen en beplantingen onroerend zijn.4
Het eigendomsrecht dat uit het recht van opstal voortvloeit bestaat zolang het recht van opstal bestaat. Verkrijgt iemand voor 10 jaren zo’n recht, dan wordt hij voor die periode eigenaar van de opstal, bijvoorbeeld een huis. Na die 10 jaren wordt de grondeigenaar automatisch weer eigenaar van de opstallen. Een “normaal” eigendomsrecht is echter niet aan de factor tijd gebonden.5 Het eigendomsrecht zoals omschreven in art. 5:1 BW verschilt van dat van de opstalgerechtigde.6 De bevoegdheden van zijn eigendomsrecht kunnen op grond van art. 5:102 BW in de akte van het opstalrecht worden beperkt, terwijl een eigendomsrecht normaliter alleen in te perken is door het vestigen van beperkte rechten of door kwalitatieve verplichtingen.7 Zoals Suijling schreef, had de opstalgerechtigde niet de eigendom van de opstal, maar een recht van toe-eigening of zoals in dit proefschrift wordt genoemd het “recht van verwerving”.8 Volgens hem wordt het “recht van toe-eigening” (voortaan: het “recht van verwerving” of “verwervingsrecht”) met het eigendomsrecht verward. Deze verwarring is in art. 5:101 BW zichtbaar geworden doordat ongelukkigerwijze het woord “eigendom” daarin is opgenomen.
Tussenconclusie
Waar in Duitsland bij wijze van uitzondering een hoofdzaak wordt aangenomen als twee of meer roerende zaken met elkaar worden verbonden, geldt in Nederland het tegenovergestelde: natrekking zonder hoofdzaak is een “hoge uitzondering”.9 Dit verschil in vertrekpunt heeft gevolgen voor de zakelijke rechten, aangezien het aannemen van een hoofdzaak betekent dat de rechten op de nagetrokken zaak definitief tenietgaan. “Slapende” eigendomsrechten kent het Nederlandse recht immers niet.
Aan het Nederlandse vertrekpunt liggen de rechtszekerheid en het waardemotief ten grondslag. Een complexiteit van zakenrechtelijke rechten op een zaak zou niet wenselijk zijn voor het handelsverkeer. Het zou leiden tot rechtsonzekerheid. Daarnaast zou een eenheidszaak meer waard zijn dan de afzonderlijke delen bij elkaar. Het toekennen van zakelijke rechten op deze delen vormt een bedreiging voor het voortbestaan van deze eenheidszaak, zo is de gedachte. Hoewel de rechtszekerheid en het waardemotief ook overwegingen zijn die in het Duitse recht zwaar wegen, is daar gekozen voor een ander vertrekpunt door het begrip “hoofdzaak” eng te interpreteren. Een restrictieve uitleg van dat begrip is bij onze oosterburen een “grundrechtsorientierte Auslegung”, aangezien eigendomsverlies door natrekking moet worden voorkomen.10 Daarnaast bestaat, zoals gezegd, in het Duitse recht het subtiele onderscheid tussen wezenlijke en onwezenlijke bestanddelen, een onderscheid dat het Nederlandse recht niet kent. Is een zaak een bestanddeel geworden van een andere roerende zaak, dan leidt dat onder het BW altijd tot rechtsverlies.
In de gevallen waarin geen hoofdzaak is aan te wijzen, ontstaat mede-eigendom. Dit betekent dat het oorspronkelijke eigendomsrecht transformeert in een aandeel in het eigendomsrecht. Het eigendomsrecht wordt in materiële zin in het mede-eigendomsrecht gecontinueerd. Hoewel bij vermenging de natrekkingsregels van toepassing zijn, is daar dikwijls geen hoofdzaak aanwezig, zeker niet indien twee dezelfde stoffen met elkaar worden vermengd. Wat voor het eigendomsrecht geldt, geldt ook voor de beperkte rechten. Na vermenging komen deze te rusten op het aandeel in het eigendomsrecht. Ze worden eveneens in materiële vorm gecontinueerd. De Hoge Raad heeft in het Zalco-arrest bepaald, dat van rechtswege een nieuw pandrecht op een aandeel in het eigendomsrecht komt te rusten, zelfs als er geen sprake is van mede-eigendom. De vermengde zaken behoorden immers toe aan een en dezelfde eigenaar. De Hoge Raad heeft hierbij gebruik gemaakt van een fictie.
Wordt een roerende zaak verenigd met een onroerende zaak, dan kan eerstgenoemde zaak langs twee wegen worden nagetrokken. Het eerste pad gaat via art. 3:4 BW (jo art. 5:3 BW), de tweede weg verloopt langs art. 5:20 BW (jo art. 3:3 BW). De criteria die zijn neergelegd in art. 3:4 BW zijn strenger dan die in art. 5:20 BW, mede doordat de rechtspraak de toepassing van laatstgenoemd artikel ruim interpreteert. Met name de ruime interpretatie van het “bestemmingscriterium” leidt vaak tot natrekking van zaken die met de grond (direct of indirect) zijn verbonden. Een feitelijke en voortdurende verbinding is voldoende om een duurzame vereniging aan te nemen die tot natrekking leidt.
Een verschil tussen het Nederlandse en Duitse recht is eveneens zichtbaar bij de vereniging van een roerende met een onroerende zaak. Onder het BGB wordt een zaak nagetrokken als deze vast met de grond is verbonden. Hiervan is sprake als afscheiding zou leiden tot vernietiging of zware beschadiging van het bestanddeel of de grond. Een vaste verbinding met de grond wordt voorts aangenomen als de kosten van de afscheiding van het bestanddeel niet in verhouding staan tot de economische waarde van het afgescheiden bestanddeel (§94 lid 1 BGB). Een roerende zaak wordt door het gebouw nagetrokken als deze het gebouw voltooit ((§94 lid 2 BGB).11 Deze criteria zijn enger dan “elke feitelijke en voortdurende verbinding” uit het Nederlandse recht. Ook kent het Nederlandse recht niet een afzonderlijk artikel voor zogenaamde “Scheinbestandteile”, zoals het BGB in §95. Een speciaal artikel dat de natrekkingsregels doorbreekt in geval van een tijdelijke verbinding is een oplossing waarvoor in Nederlandse recht niet is gekozen. Het BW kent één recht dat de natrekkingsregels opzij zet, namelijk het opstalrecht uit art. 5:101 BW. Dit recht splitst de eigendom tussen de grond en de opstallen. Het is de uitzondering op de hoofdregel dat bestanddeelvorming en natrekkingsregels door partijen niet uit te sluiten zijn. Het snel erkennen van een hoofdzaak, de ruime toepassing van de natrekkingsregels en de beperkte (wettelijke) mogelijkheden om deze regels te omzeilen hebben tot gevolg dat onder het BW zakelijke rechten na vereniging dikwijls definitief tenietgaan, vaker dan bijvoorbeeld bij onze oosterburen. Zijn zaken met elkaar verenigd, dan legt het beginsel van de continuïteit het af tegen (met name) de rechtszekerheid voor derden, zelfs als een derde nog niet in beeld is. Natrekking betekent immers direct verlies van zakelijke rechten, ongeacht of een derde een zakenrechtelijke aanspraak heeft op de eenheidszaak.
De wetgever heeft gekozen voor een systeem waarin geen verschillende uitzonderingen zijn opgenomen die bestanddeelvorming doorbreken en de natrekkingsregels opzij zetten. Getuige ook het schrappen van de bepaling uit het Ontwerp Meijers die bestanddeelvorming kon doorbreken en daardoor natrekking kon voorkomen (lid 3 van art. 3.1.1.3).12 Om toch de door natrekking gedupeerde een mogelijkheid te geven zijn rechtsverlies ongedaan te maken, kent het Nederlandse recht in bepaalde gevallen afscheidingsrechten toe, de zogenaamde iura tollendi. Ze zetten, geheel in overeenstemming met het beoogde wettelijke systeem, niet de natrekkingsregels opzij, maar geven een afscheidingsgerechtigde de mogelijkheid om de rechtsgevolgen van natrekking terug te draaien. Voordat deze iura tollendi worden besproken, komen eerst de algemene rechtsgevolgen van afscheiding nog ter sprake.