Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht
Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.6.1.2:4.6.1.2 Toelichting
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.6.1.2
4.6.1.2 Toelichting
Documentgegevens:
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS461973:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk tekstnummer 114 (noot 201).
Aldus ook Josephus Jitta 2004, p. 12 (noot 26).
Josephus Jitta 2004, p. 12 (noot 27).
Woorden uit Asser & Groen & Vranken, Interimrapport Fundamentele herbezinning Nederlands procesrecht, Boom 2003, p. 85, waarnaar door Josephus Jitta (2004, p. 17) wordt verwezen.
Aldus Josephus Jitta 2004, p. 20. Vergelijk ook De Mol van Otterloo 2005, p. 182.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
119. De omstandigheid dat zowel een onderzoek als onmiddellijke voorzieningen vergaande gevolgen kunnen hebben voor zowel de vennootschap als de overige belanghebbenden, maakt het wenselijk een regeling te treffen waarmee de beginselen van een goede procesorde – hoor en wederhoor; gelijkheidsbeginsel – zijn gewaarborgd. De periode van 21 dagen vormt een globaal gemiddelde van de termijnen die blijkens de jurisprudentie zijn gehanteerd (vergelijk ook tekstnummer 114), maar is enigszins arbitrair. De kerngedachte van het voorstel is dat in de wet wordt geregeld dat de verschillende belanghebbenden een gelijke voorbereidingstijd hebben. Dat wordt voorgesteld de termijnen in de enquêteregeling te verankeren, hangt samen met het feit dat art. 282 lid 1 Rv toelaat dat belanghebbenden tot aan de aanvang van de behandeling of, indien de Ondernemingskamer dit toestaat, tijdens de behandeling een verweerschrift (met daarin een tegenverzoek) indienen.1 Het gevolg hiervan is dat het bepaalde in art. 2.1.3.2 Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven 2008 dat het ‘in het belang van een goede voorbereiding van de zaak’ de voorkeur verdient dat een verweerschrift vijf werkdagen vóór de mondelinge behandeling wordt ingediend, niet kan worden gehandhaafd.2 Om deze reden dient ook te worden bepaald dat het indienen van een verweerschrift een voorwaarde is om aan de mondelinge behandeling te mogen deelnemen: aldus wordt voorkomen dat belanghebbenden (bewust geen verweerschrift indienen en) hun standpunten pas ter terechtzitting naar voren brengen. De voorgestelde wettelijke regeling heeft als bijkomend voordeel dat de rechtszekerheid wordt gediend omdat de partijen weten waar zij aan toe zijn. Ik ben om deze reden geen voorstander van de suggestie van Josephus Jitta het aan het (vrije) oordeel van de (voorzitter van de) Ondernemingskamer over te laten wanneer de verweerschriften uiterlijk moeten worden ingediend.3
De voorgestelde wettelijke regeling kan er toe bijdragen dat partijen ‘uiterlijk op de dag van de mondelinge behandeling het geschil feitelijk en juridisch zodanig hebben uiteengezet en gedocumenteerd, dat [...] de zaak voor beslissing gereed ligt.’4 Ik betwijfel om deze reden dan ook of tegen de beschikking waarin onmiddellijke voorzieningen – ordemaatregelen voor de duur van het geding – worden getroffen hoger beroep moet worden toegelaten.5 Het is mij vooralsnog niet duidelijk welke hiervan de meerwaarde is, met name niet indien de Ondernemingskamer haar beschikkingen overeenkomstig de daartoe door de Hoge Raad gestelde eisen motiveert.