Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.2.2
7.2.2 Beschouwing
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS233000:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zoals geregeld in de Grootboekwet 1913.
Zie bijvoorbeeld Van der Grinten, De NV 1939, pagina 296.
Eén van de voorwaarden van de Vereeniging voor den Effectenhandel te Amsterdam, zie bijvoorbeeld Houben, dissertatie 1942, pagina 36 – 37.
Zie C.Æ. Uniken Venema en S.E. Eisma, Eigendom ten titel van beheer naar komend recht, preadvies van de Vereeniging Handelsrecht, W.E.J. Tjeenk Willink Zwolle 1990, pagina 52, alsmede het op pagina 64 geciteerde rapport van de Commissie-Hellema; voorts R.P. Voogd, Certificering, in; Vennootschapsrecht in EG-perspectief, Kluwer Deventer 1993, pagina 24. De wetgever hanteert voorts bij de toelichting op artikel 3:259 BW ook het uitgangspunt dat het administratiekantoor de eigenaar van het gecertificeerde vermogen is, zie Parlementaire geschiedenis BW boek 3, pagina 569.
Evenzo Vegter in F.W.J.M. Schols, K. Blankman en J.B. Vegter, Bewind en aan bewind verwante vormen, preadvies KNB, Koninklijke Vermande Lelystad 2004, paragraaf 4.1.
Zie bijvoorbeeld R.J.C. van Helden, De certificering van een Rembrandt, oftewel hoe het onaantastbare beheer te houden over geschonken zaken, KWEP 1997/3, H.W.P.M. Peeters en W. Burgerhart, Gecertificeerd schenken. Het cadeau moet ingepakt blijven!, FTV 2001/12 en W. Burgerhart, Certificering en legitieme portie; slikken of stikken?, FTV 2003/2.
Er bestond in oudere literatuur een stroming die de certificaathouder als eigenaar van de onderliggende stukken zag c.q. wilde zien. Dit is wellicht verklaarbaar vanuit de achtergrond van het certificaat als effect en de behoefte om de certificaathouder vanuit dat perspectief de zekerheid te willen verschaffen dat zijn belegging niet verloren zou gaan, ook niet in geval van deconfiture van het administratiekantoor. Sommige auteurs zagen daarbij de (wettelijke) mogelijkheid om de certificaten te royeren1 als omstandigheid die ertoe leidde dat de certificaathouder rechthebbende van het gecertificeerde goed was. Ook die auteurs echter, die het administratiekantoor als eigenaar van de gecertificeerde aandelen, effecten, etc. zagen, dachten veelal de certificaathouder wel een sterkere positie toe, of wilden hem deze toedenken, dan die van concurrent crediteur. Dit uitte zich bijvoorbeeld in het aannemen van een positie van de certificaathouder als separatist, of het veronderstellen van een onrechtmatige daad indien een crediteur, die bekend was met de certificering, desalniettemin de gecertificeerde goederen onder het administratiekantoor zou uitwinnen.2 In dit beeld past bovendien dat certificaten in eerste instantie veelal royeerbaar waren (althans indien de houder zoveel certificaten had als tegenover één gecertificeerd aandeel, etc., stonden), in het geval van Grootboekcertificaten op een gegeven moment op grond van een wettelijke regeling. Beperkingen in de royeerbaarheid worden immers met name relevant indien de certificering tot doel heeft om de certificaathouder de zeggenschap over het gecertificeerde goed te onthouden en niet zozeer indien het doel is om een beleggingsobject op een publieksvriendelijke manier aan te bieden.
Desondanks, veronderstellenderwijs vanwege blijvende onzekerheid over de positie van de certificaathouder, werden certificaten die aan de beurs genoteerd waren omgeven met waarborgen om de certificaathouder te beschermen, zoals de eis dat het doel van het administratiekantoor in een dergelijk geval beperkt moest zijn tot het “uitgeven van certificaten tegen origineele waarden en het verrichten van handelingen, welke daarmee onmiddellijk verband houden, het uitoefenen van het aan de origineele waarden verbonden stemrecht en van andere werkzaamheden van administratieven aard, terwijl elke bedrijfsuitoefening, welke commercieel risico voor het A.K. kan medebrengen, moet zijn uitgesloten”3. Gaandeweg heeft echter de, thans gemeengoed geworden, mening dat de certificaathouder slechts een vorderingsrecht heeft jegens het administratiekantoor4, de overhand gekregen.
Certificering vindt zijn oorsprong in de wens om de participatie in beleggingen mogelijk te maken voor een breder publiek. In de loop der tijd heeft certificering zich ontwikkeld, zowel binnen haar functie als beleggingsinstrument, doordat steeds meer soorten goederen voorwerp werden van certificering, zoals onroerende zaken, als door een toename in de verschillende doeleinden waarvoor certificering gebruikt werd. Naast haar functie van het faciliteren van beleggen is certificering gebruikt om zeggenschap over en economisch belang bij goederen van elkaar te scheiden, waaronder in familieverhoudingen Certificering met als doel vermogensbeheer is echter van een veel latere datum dan het ontstaan van de figuur certificering als zodanig. De oudste mij bekende vorm in dat verband is de certificering van aandelen in familievennootschappen, die is opgekomen in de jaren ’50 van de vorige eeuw. De ontwikkeling dat certificering gebruikt wordt om allerlei soorten goederen te beschermen dan wel bijeen te houden, is voor zover ik kan beoordelen zelfs pas van vrij recente datum.5 Over deze mogelijkheid wordt in elk geval pas sinds rond de eeuwwisseling met enige frequentie gepubliceerd6 en sindsdien is dit een veelvuldig toegepast instrument geworden. Vanuit het perspectief van deze toepassing zal ik in de hiernavolgende paragrafen de verschillende aspecten van certificering nader onderzoeken.