Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/2.5.1
2.5.1 De 2e en de 3e Richtlijn motomjtuigverzekering
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393604:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1 lid 2 van de 2e Richtlijn luidde, voor de aanpassing aan de 5e Richtlijn: 'Onverminderd eventueel door de Lid-Staten voorgeschreven hogere dekkingen, eist iedere Lid-Staat dat de bedragen waarvoor deze verzekering verplicht is, niet lager zijn dan: - voor lichamelijk letsel, 350 000 Ecu, ingeval er slechts één slachtoffer is; ingeval er verschillende slachtoffers bij één ongeval zijn betrokken, wordt dit bedrag vermenigvuldigd met hun aantal; - voor materiële schade, 100 000 Ecu per ongeval, ongeacht het aantal slachtoffers. In plaats van de bovengenoemde minimumbedragen kunnen de Lid-Staten een minimumbedrag vaststellen van 500 000 Ecu voor lichamelijk letsel ingeval er verschillende slachtoffers zijn bij een zelfde ongeval of een minimumbedrag van 600 000 Ecu per ongeval voor lichamelijk letsel en materiële schade tezamen, ongeacht het aantal slachtoffers of de aard van de schade.' Deze bedragen zouden ongewijzigd blijven tot de inwerkingtreding van de 5e Richtlijn in 2005.
Derde Richtlijn van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (90/232/EEG), MEG 1990, L 129/33.
Op Europees wetgevingsgebied blijft het rustig tot het begin van de jaren tachtig. Dan treedt in 1984 de Tweede Richtlijn motorrijtuigverzekering (2e Richtlijn) in werking. Bepaalde de 1 e Richtlijn ten aanzien van de dekking nog slechts dat de polis dekking moet verlenen in de gehele Gemeenschap, de inhoud van de dekking en van de verzekeringsvoorwaarden aan de lidstaten overlatend, de 2e Richtlijn slaat het pad van harmonisatie van de dekking in: zowel materiële schade als lichamelijk letsel moet zijn verzekerd. Daarbij introduceert de 2e Richtlijn tevens minimumbedragen.1
De mogelijkheid om wettelijke of contractuele exoneraties aan de benadeelde derde tegen te werpen, wordt ingeperkt. De letselschade van familieleden van de verzekeringnemer, de bestuurder of van enige andere persoon wiens aansprakelijkheid is gedekt, mag niet op grond van die verwantschap worden uitgesloten.
Daarnaast verplicht de 2e Richtlijn de lidstaten een waarborgfonds in te stellen. Het waarborgfonds moet onder bepaalde omstandigheden schade door onverzekerde of onbekend gebleven voertuigen vergoeden, waarbij de lidstaten materiële schade door onbekende aansprakelijken mogen uitsluiten en in geval van een onverzekerde veroorzaker een eigen risico mogen toepassen. Het waarborgfonds mag ook overigens een subsidiaire rol krijgen. In veel lidstaten betekent dit dat het waarborgfonds alleen schade vergoedt die de benadeelde niet uit andere bron vergoed kan krijgen.
In 1990 komt de Derde Richtlijn motorrijtuigverzekering (3e Richtlijn)2 tot stand. Deze Richtlijn gaat verder op de weg van harmonisatie van de dekking. Het lichamelijk letsel van alle inzittenden, met uitzondering van de bestuurder, moet worden gedekt. Voorts wordt de bepaling uit de 1e Richtlijn, die dekking in de gehele Europese Gemeenschap voorschrijft, verduidelijkt in die zin dat de polis deze dekking moet geven tegen betaling van één enkele premie. De polis moet daarbij dekken de bedragen die in de lidstaat van het ongeval worden voorgeschreven, tenzij de te verzekeren sommen in de lidstaat waar het motorrijtuig gewoonlijk is gestald hoger zijn.