De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/6.2.4:6.2.4 De voor- en nadelen van een disclosure statement
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/6.2.4
6.2.4 De voor- en nadelen van een disclosure statement
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702095:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Smeehuijzen, TVP 2003/4, p. 126.
Rb. Oost-Brabant 2 september 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7190.
Rb. Oost-Brabant 2 september 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7190, r.o. 2.3.
Visser, TVP 2015/2, § 5.
Dat laatste realiseert Visser zich overigens ook. Zie: Visser, TVP 2015/2, p. 37.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tegen het disclosure statement lijken moeilijk zwaarwegende argumenten aan te voeren, omdat het van niemand een wezenlijk offer vergt.1 Het disclosure statement is een goedkope, eenvoudige en relatief snelle manier om inzicht te krijgen in de persoon van de deskundige en diens onafhankelijkheid, onpartijdigheid en deskundigheid; in de kwaliteit van de deskundige dus. Vereist is natuurlijk wel dat de deskundige het statement naar eer en geweten invult. Echte ‘garanties’ zijn er op dat punt niet. Wel kunnen procesactoren in de gelegenheid worden gesteld om de deskundige naar aanleiding van diens antwoorden nader te bevragen. Als er al nadelen zijn, houden die nauw verband met het moment waarop het disclosure statement wordt uitgebracht. Een disclosure statement kan op twee momenten worden uitgebracht: vóór de benoeming of tezamen met het (eind)rapport.
In de meeste gevallen wordt het disclosure statement tezamen met het eindrapport uitgebracht. Krachtens paragraaf 3.2 van de Practice Direction is het disclosure statement in Groot-Brittannië een vast onderdeel ván ieder deskundigenrapport. Geïnspireerd op de Engelse figuur vormt het statement ook in het Nederlandse strafrecht een onderdeel ván het eindrapport (art. 51l lid 1 Sv). Dat is in beginsel hetzelfde voor de aansprakelijkheids- en verzekeringspraktijk en de IWMD-vraagstelling. Een belangrijk nadeel van een disclosure statement dat wordt overgelegd tezamen met het eindrapport is het risico dat de gehele deskundigenprocedure overgedaan moet worden. Indien immers op grond van het statement iets mis blijkt met de deskundige – deze mist bijvoorbeeld een aantal kenmerken van deskundigheid of blijkt niet voldoende onafhankelijk – dan is het advies uitgebracht door iemand die met terugwerkende kracht niet als deskundige had mogen worden benoemd. Het vormgeven, opstarten en afronden van een nieuwe deskundigenprocedure is een kostbare exercitie in zowel geld als tijd.
Het disclosure statement kan ook voorafgaand aan de benoeming worden uitgebracht. Bij wijze van uitzondering is de rechtbank Oost-Brabant in een letselschadezaak afgeweken van het uitgangspunt dat het disclosure statement tezamen met het eindrapport moet worden overgelegd.2 De rechtbank overwoog dat:
“(…) voordat hij [de deskundige] overgaat tot het onderzoek ter beantwoording van de zaak-inhoudelijke vragen, allereerst een zogenoemd disclosure statement af te geven. De daarin opgenomen vragen dienen juist [benadrukking – SS] ter verdere beoordeling van de vraag of [naam] in dezen als deskundige kan optreden. Aan [naam] zullen pas ná de afgifte van het disclosure statement de zaak-inhoudelijke vragen worden voorgelegd, tenzij de inhoud van het disclosure statement - en de reacties daarop van partijen - aanleiding zouden geven tot een andere beslissing.”3
Ook het IMG en de gemeentelijke planschadeverordeningen gaan uit van de situatie dat het disclosure statement voorafgaand aan de benoeming wordt uitgebracht. In de literatuur werd al snel gewezen op de nadelen van een disclosure statement als losstaand onderdeel van de procedure. Visser signaleert er drie in het bijzonder.4 Allereerst wijst hij op de extra tijd die gemoeid is met de tussenstop van een disclosure statement. Als tweede nadeel vreest hij dat het disclosure statement mogelijk vooruitloopt op het inhoudelijke deel van het onderzoek. Tenslotte signaleert hij mogelijk hogere kosten omdat de beoogde benoeming steeds niet door zou kunnen gaan wanneer er voortdurend iets mis blijkt met de beoogde deskundige. Er ontstaat dan volgens hem een ‘gordiaanse knoop’ van disclosure statements.
De gesignaleerde nadelen overtuigen mij evenwel niet. Het potentiële verlies aan geld en tijd is vele malen groter in de situatie waar de deskundige reeds een volwaardig eindproduct heeft afgeleverd en dan alsnog vervangen moet worden. De gehele procedure – daaronder begrepen benoeming, opdrachtverstrekking en feitenonderzoek – moet immers worden overgedaan. Indien vóór de benoeming, op basis van het disclosure statement, een gemotiveerd debat kan worden gevoerd over de persoon van de deskundige, voorkomt dat discussies na afloop van de deskundigenprocedure, die op zijn minst de schijn dragen dat het onwelgevallige advies aanleiding was voor het in twijfel trekken van de kwaliteit van de deskundige. Bovendien leidt controle vooraf ertoe dat het draagvlak voor de benoeming van de deskundige wordt vergroot, hetgeen weer doorwerkt in de acceptatie van het besluit of de uitspraak van de rechter.5 Geconcludeerd kan worden dat een disclosure statement, voorafgaand aan de definitieve benoeming, een efficiënt en goedkoop mechanisme is waarmee procesactoren inzicht kunnen krijgen in de kwaliteit van de beoogde deskundige.