Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/4.5
4.5 Het legaliteitsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld CRvB 15 augustus 2002, TAR 2003/18.
BR 13 januari 1879, W 4330 (Meerenberg).
Teunissen, 'Publiek domein en de legaliteitseis', Gst. 2009/47, p. 236.
BR 26 januari 1990, AB 1990/408 (Windmilt). De gemene rechtsleer was eerder erkend. Zie BR 17 januari 1941, NJ 1941/644 (Parlevinker).
Dit laatste volgt uit BR 18 februari 1994, AB 1994/415 (Kabayel).
CRvB 27 mei 2005, RSV 2005/230.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van mate, Hoofdstukken van bestuursrecht (2008), p. 284.
Bijvoorbeeld BR 21 april 2006, BNB 2006/231 (verstrekking waardegegevens van vergelijkingspanden); ABRvS 13 februari 2001, JB 2001/87 (ten onrechte nalaten onderzoek naar eventueel te lijden onevenredig nadeel); 13 november 2002, JB 2003/12 (onvoldoende onderzoek naar toedracht ongeval); 25 januari 2006, JV2006/80 (onderzoek gelegaliseerde akte); 14 juni 2006, AB 2006/331 (ten onrechte belanghebbende niet attenderen op diens stel- en bewijsplicht); CRvB 27 maart 2002, AB 2003/19 (onderzoek naar geboortedatum); 29 september 2004, AB 2004/446 (verhouding onderzoeksplicht en meewerkingsplicht bij medische beoordeling); CRvB 15 maart 2006, JB 2006/159 (slapend recht op uitkering; het bestuur had de gegevens van de betrokkene langer dan vijf jaar moeten bewaren; omkering bewijslast) en CBb 10 juni 2004, AB 2004/325 (het bestuursorgaan moet zelf kennis nemen van relevante feiten en kan niet volstaan met een enkele verwijzing naar een politieproces-verbaal).
Indien ten onrechte in het geheel geen belangenafweging heeft plaatsgevonden ligt wel een vernietiging op die grond in de rede. Zie bijvoorbeeld CRvB 30 augustus 2008, RSV 2008/117.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van male, Hoofdstukken van bestuursrecht (2008), p. 293 en 318.
In BR 6 februari 1998, JB 1998/89 leverde het door de ontvanger niet geven van een toelichting op de wetgeving aan een bestuurder van een onderneming teneinde hem hoofdelijk aansprakelijkheid te kunnen stellen strijd met fair play op.
ABRvS 2 juli 2008, JV 2008/311.
Zie 1-1R 26 januari 1990, NJ 1991/393 (Windmill).
Er zijn wel enige voorbeelden. Zie 1-11( 3 april 1998, J73 1998/128 (gebruik bevoegdheden WRO ten behoeve van woonruimteverdeling) en ABRvS 22 mei 2002, AB 2002, AB 2003/79 (via het bestemmingsplan tegengaan van seksinrichtingen levert in het licht van art. 10 WRO détournement de pouvoir op).
Er wordt niet ambtshalve getoetst of is voldaan aan art. 3:47 Awb, want die bepaling is niet van openbare orde, aldus CRvB 1 oktober 2002, RSV 2002/312 en 11 april 2003, RSV 2003/158.
CRvB 11 april 2003, RSV 2003/158.
CRvB 11 december 2001, RSV 2002/68.
ABRvS 26 november 1998, ABkort 1998/736; CRvB 1 augustus 2001, RSV 2001/254 en CBb 8 april 2003, AB 2003/278.
Zie voor deze rubricering Van Wijk/Konijnenbelt & Van male, Hoofdstukken van bestuursrecht (2008), p. 315. Enkele voorbeelden zijn ABRvS 9 maart 2011, LJNBP7132 (Nu niet duidelijk uit de last zelf kan worden afgeleid wanneer daaraan is voldaan, is de handhaving van de besluiten tot lastoplegging in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel) en CRvB 6 december 2005, RSV2006/57 (mede gelet op de rechtszekerheid geldt geen beoordelingsvrijheid ter zake van de vraag of sprake is van een maatregelwaardige gedraging).
Zie voor deze rubricering Van Wijk/Konijnenbelt & Van male, Hoofdstukken van bestuursrecht (2008), p. 321.
Zie onder meer ABRvS 13 april 2006, AB 2006/220 (het bestuur heeft bij de weigering op te treden tegen het illegaal bouwwerk het algemeen belang onvoldoende vooropgesteld, waarbij geldt dat handhaven het uitgangspunt is); ABRvS 17 september 2008, AB 2008/320 (gelet op het jarenlange klachtenpatroon had met het oog op handhaving een degelijk onderzoek naar de milieuovertredingen plaats moeten vinden); ABRvS 7 oktober 2009, JB 2009/249 (een gedoogbesluit kan naar zijn aard geen duurzaam beletsel opleveren om handhavend op te treden) en CBb 1 november 2007, JB 2008/127 (handhavingsplicht ter zake van de Wet op de Kansspelen). Anders: ABRvS 5 april 2006, AB 2006/207 (overtreding van geringe aard) en CBb 10 november 2005, JOR 2006/47 (geen beginselplicht tot handhaving waar het gaat om de plicht tot herverzekeren). Zie verder Vermeer, `De `beginselplicht' gedetermineerd. Over de gelding van de beginselplicht voor verschillende gebieden van het bestuursrecht', JBplus 2011/1, p. 59-74.
ABRvS 1 maart 2006, JB 2006/115 en CRvB 24 februari 2006, RSV 2006/108.
CBb 3 april 2008, RF 2008/58.
Een termijnoverschrijding is bijvoorbeeld verschoonbaar in de zin van art. 6:11 Awb, indien door het bestuursorgaan het vertrouwen is opgewekt dat de termijn later aanving dan de eerste bekendmaking. Zie ABRvS 5 augustus 2009, LJN BJ4631.
HR 16 mei 2008, BNB 2008/200 en ABRvS 26 februari 2003, AB 2003/265.
HR 8 augustus 2008, BNB 2008/268; ABRvS 9 april 2003, JB 2003/143; CRvB 6 januari 2011, LJN BP1942 en CBb 3 april 2008, RF 2008/58.
CRvB 19 december 2002, TAR 2003/91; 31 juli 2003, IJN A11289; 12 maart 2009, LJNBH7055 en 6 januari 2011, LJN BP1942.
EHRM 20 mei 2010, NJB 2010/1401 (Lelas).
HR 5 januari 2000, JB 2000/21 en 14 juni 2000, JB 2000/198. Zie ook HR 13 november 2009, BNB 2010/10.
Bij een niet-punitieve handhaving van het bestemmingsplan zal het eventuele opgewekte vertrouwen bij de overtreder in beginsel overigens minder zwaar wegen dan het belang dat omwonenden hebben bij handhaving. Zie ABRvS 3 juni 2009, LJNBI6091 en 7 oktober 2009, JB 2009/249. Bij bestuurlijke boetes ligt dit naar zijn aard anders. Dan speelt immers niet het belang van derden dat de overtreding wordt gestaakt, maar gaat het primair om bestraffing van de overtreder. Opgewekt vertrouwen dat van bestraffing zal worden afgezien zal dan ook in beginsel in de weg moeten staan aan bestraffing. In het mededingingsrecht zou men hier nog anders over kunnen denken, omdat de boetes grotendeels zien op voordeelontneming en het effect kunnen hebben dat de normale concurrentieverhoudingen worden hersteld. Evengoed kan in dat geval echter worden betoogd dat dit laatste ook via schadevergoeding door de overtreder aan benadeelde ondernemingen kan worden bewerkstelligd.
De meerderheidsregel heeft wel een zozeer technisch, gecompliceerd en zelfs op bepaalde punten arbitrair karakter dat de praktische betekenis ervan beperkt is, aldus Happé, 'Vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel en het beleidsmatig handelen van de Belastingdienst', NTB 2005/6, p. 44-45. Zie in dit verband HR 24 juni 2005, BNB 2005/275 (geen meerderheidsregel bij ongelijke behandeling op grond van beleid); 8 juli 2005, BNB 2005/298 (uitsluitend identieke woningen) en 22 februari 2008, BNB 2008/218 (niet relevant is dat bij de meerderheid van de collega's van belanghebbende die in verband met de eenmalige uitkering uit het pensioenfonds hebben verzocht om het bijzondere tarief het verzoek is ingewilligd, omdat met betrekking tot de meerderheidsregel alle collega's die voordeel zouden hebben van dit bijzondere tarief in aanmerking moet worden genomen nu de inspecteur bij de aanslag ambtshalve het juiste tarief diende toe te passen).
Deze bewijslast geldt ook bij de meerderheidsregel. Zie HR 6 oktober 2006, BNB 2007/3.
ABRvS 19 oktober 2005, AB 2006/59 en CRvB 2 juni 1998, JABW 1998/130.
Rb Rotterdam 19 oktober 2004, AB 2006/39 (Added Value Investment Services). Door de rechtbank werd verwezen naar HR 6 januari 1998, NJ 1998/424 en 18 december 2001, NJ 2002/318.
Zie HR 12 november 1996, VR 1997/81, waarin de Hoge Raad casseerde omdat door de kantonrechter was verzuimd in te gaan op een beroep op het gelijkheidsbeginsel. In die zaak was dat beroep niet bij voorbaat kansloos omdat betrokkene had gesteld dat in een identieke zaak de boetebeschikking was vernietigd door de officier van justitie. Er zijn natuurlijk wel verschillen met de illegale bemiddelingszaak die bij de rechtbank voorlag. Het verschil is enerzijds dat het in deze Mulderzaak gaat om een motiveringsgebrek en anderzijds — en dat is belangrijker — dat het in deze Mulderzaak niet gaat om de vervolgingsbeslissing zelf, maar om een verschillende inhoudelijke beoordeling van twee mogelijk identieke zaken.
CBb 12 januari 2010, JOR 2010/100 (Intertirion).
ABRvS 11 maart 2009, JB 2009/112.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 63.
Bn5ring, Rationele 'willekeur'. Enkele opmerkingen over discretionaire boetebevoegdheden (2005), P. 5.
Zie ook ABRvS 15 september 2010, LJN BN6987, par. 2.4.3: 'In de Handhavingsstrategie staat onder meer vermeld dat de gebieden met de hoogste natuurwetenschappelijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden frequenter zullen worden gecontroleerd en dat voorts de controle wordt afgestemd op de seizoenen. Vanwege het beperkte aantal toezichthouders en de arbeidsintensiteit van de controles, heeft het college gekozen voor een gefaseerde handhaving. De Afdeling acht dit niet onredelijk.'
PG Awb I, p. 210.
PG Awb I, p. 212-213. Zie over het leerstuk van de nadeelcompensatie (in deze bepaling) voorts B.P.M. van Ravels, `M.H. Bregstein, de Hoge Raad en nadeelcompensatie', in: Oude Meesters. Grondleggers van bestuursrecht en hun rol in het huidige recht (2009), p. 33-40.
Zie daarover Stijnen, Tvenredigheidstoetsing door de bestuursrechter', NJB 2003/37, p. 1949-1953.
HR 16 mei 1986, NJ 1987/251 (Landbouwvliegers).
Bijvoorbeeld ABRvS 22 juni 2005, LJN AT8009 en CRvB 6 februari 2008, RSV 2008/118.
Zie ook PG Awb I, p. 212-213.
CBb 3 april 2008, RF 2008/58.
Zie mijn wenk bij CBb 3 april 2008, RF 2008/58. Zie voorts CBb 18 juni 2008, LJN BD4852.
Ik schrijf hier soms, want de persoon van de rechter of staatsraad kan van invloed zijn op de intensiteit van de toetsing. Polak heeft dit fraai uiteengezet in zijn essay 'Enkele aspecten van rechterlijke toetsing van overheidshandelen. Over activistische en defensieve rechters', NJB 2008/857, p. 1084-1092.
ABRvS 30 mei 2007, IJN BA6011.
ABRvS 9 mei 1996, JB 1996/158 (Maxis en Praxis) en 14 februari 2007, LJN AZ8495.
IIR 20 juni 2003, AB 2004/84.
ABRvS 10 juli 2002, ABkort 2002/526 en 26 februari 2003, AB 2003/265.
ABRvS 26 oktober 2005, JB 2006/8.
Denk hier aan lustice and faimess and procedural due process' in Dworkins Law's Empire (1986), p. 244; en aan `Antinomien der Rechtsidee' in Radbruchs, Rechtsphilosophie (1973), p. 164 e.v.
De rechtszekerheid vergt dat de overheid optreedt krachtens een wettelijke grondslag. Dit wordt wel aangeduid als het legaliteitsbeginsel. Dit beginsel is vooral materieel van aard. Bij het legaliteitsbeginsel zal het immers om de vraag gaan op welke materieelrechtelijke bepaling het bestuur haar bevoegdheid ontleent een bepaald besluit te nemen.1 Het heeft echter ook een formele pendant waar het bestaan van enige bestuursbevoegdheid als zodanig in het geding is (art. 1:1 en 1:3 Awb), hetgeen een vraag van openbare orde is, omdat het raakt aan de toegang tot de bestuursrechter. Het legaliteitsbeginsel geeft uitdrukking aan een aantal beginselen. Om Teunissen inzake zijn duiding van het Meerenbergarrest van 13 januari 18792 te citeren:
`Met de eis dat voor een AMvB een grondslag moet zijn in de Grondwet of een 'wet' (een in formele zin dus, zouden we nu zeggen) wordt niet alleen uitdrukking gegeven aan het vrijheids-, gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, maar ook aan het beginsel van de machtenscheiding en aan het beginsel van (representatieve) democratie. Aan dat laatste beginsel ligt tevens de gedachte ten grondslag dat de burgers, via hun (volks)vertegenwoordiging, geacht kunnen worden zelf te hebben ingestemd met de uit een wet voortvloeiende en met het oog op bepaalde publieke belangen nodig geachte beperkingen van hun vrijheid-sfeer. Daarbij geldt over het algemeen dat, naarmate die beperkingen ingrijpender (kunnen) zijn, de wettelijke bevoegdheidsgrondslag voor overheidsoptreden specifieker moet zijn.' 3
Het legaliteitsbeginsel moet overigens niet zo streng worden begrepen dat elk overheidsoptreden moet zijn terug te voeren tot een specifieke bevoegdheidsgrondslag, die op zijn beurt is terug te voeren tot een wet in formele zin. Teunissen laat zien dat de Kroon onder deze doctrine wel bevoegd werd geacht zelfstandig algemene regels te stellen ten aanzien van het publieke domein. Juist waar de overheid het private domein van de burger wenste binnen te dringen was een 'wettelijke' bevoegdheidsgrondslag nodig. Teunissen laat verder zien dat de Franse doctrine inzake het onderscheid tussen burgerrechtelijk eigendom en publiek domein, waarbij de overheid een inherente beheerstaak toekomt ter zake van het publieke domein, hier te lande (helaas) met de Windmill-doctrine4 is vervangen door de gemene rechtsleer, op grond waarvan de overheid via een onrechtmatige daadsactie kan optreden ter waarborging van haar publieke belangen.5 Het legaliteitsbeginsel doet zich — in overeenstemming met het citaat hiervoor — in het bestuursrecht sterk gevoelen waar sancties in het geding zijn. Met de Vierde tranche Awb is dit uitgangspunt thans ook uitdrukkelijk gecodificeerd. In art. 5:4 lid 1 Awb is bepaald dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie slechts bestaat voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend. In het tweede lid is bepaald dat een bestuurlijke sanctie slechts wordt opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. Het legaliteitsbeginsel raakt nauw aan rechtsvinding. In fraaie bewoordingen gaf de Centrale Raad van Beroep aan dat de letter van de wet uitgangspunt is en dat eerst een meer dan aanvullende betekenis aan de parlementaire stukken toekomt indien de wettekst niet helder is of louter grammaticale lezing tot een onzinnige uitkomst leidt:
`Wettelijke bepalingen moeten naar het oordeel van de Raad met inachtneming van de wettelijke context waarbinnen zij functioneren en in het licht van hun onderwerp en doel, primair grammaticaal — overeenkomstig de normale betekenis van de termen van de wet worden uitgelegd; de bedoeling die de wetgever heeft gehad met een wettelijke bepaling, zoals die valt af te leiden uit de gedrukte stukken met betrekking tot het wetsontwerp, kan bij de uitleg van die bepaling uitsluitend een meer dan aanvullende betekenis hebben, indien de tekst van de wet niet helder is of een louter grammaticale lezing de betreffende bepaling berooft van elke of vrijwel elke zin.’6
Het bepaaldheidsgebod is aan de orde geweest in hoofdstuk 2 en komt uitgebreid aan bod in hoofdstuk 8.
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn opgekomen in de sfeer van het zoeken naar middelen om een rechtmatigheidscontrole van het bestuurshandelen ruimer te doen zijn dan uitsluitend toetsing aan geschreven rechtsregels.7 Met de Awb is gepoogd een aantal van die beginselen te codificeren. Niet al deze beginselen zijn aldus gecodificeerd. Dit betekent niet dat na deze codificatieslag enkel nog de uitdrukkelijk in de wet opgenomen beginselen een rol spelen in het bestuursrecht. Inherent aan de beginselen van behoorlijk bestuur, net als andere rechtsbeginselen, is dat zij immers niet geschreven recht hoeven te vormen. Zij spelen namelijk juist een rol bij de interpretatie en toepassing van geschreven rechtsregels. In het bestuursrecht komt daar bij dat die beginselen vooral ook van belang zijn bij de vorming en uitvoering van beleid, hetgeen verderop aan bod komt. Wel past hier een opmerking. Op verschillende manieren kan de wet aanknopen bij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In de Awb zijn er, zoals gezegd, een aantal gecodificeerd. Dit betekent dat het beginsel althans ten dele zelf een geschreven rechtsregel is geworden, dus een algemeen verbindend voorschrift en niet enkel een beginsel. De wet kan ook een codificatie van specifieke beginselen in rechtsregels achterwege laten, maar slechts voorschrijven dat de rechter de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als één van de toetstenen dient te hanteren. Zo was in de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie van 1954 als beroepsgrond opgenomen 'strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur'. Ook in de Algemene wet bestuursrecht komen we iets vergelijkbaars tegen. Art. 8:77 lid 2 Awb bepaalt namelijk dat indien de uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep, in de uitspraak wordt vermeld welke geschreven of ongeschreven rechtsregel of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld.
Ik zal hieronder in vogelvlucht de verschillende beginselen bespreken, die elkaar soms deels overlappen. Ik zal daarbij, indien mogelijk, telkens onderscheid maken tussen de formele en de materiële kant van het beginsel. Waar deze beginselen zijn gecodificeerd in de Awb zal ik de desbetreffende bepaling tussen haakjes vermelden. Voorts zal ik telkens kort het belang van het beginsel in de rechtspraktijk aangeven. Hier past nog een algemene opmerking. De beginselen van behoorlijk bestuur zullen in bestuursrechtelijke procedures weliswaar vooral een rol spelen bij de toetsing van beschikkingen (alsook besluiten van algemene strekking die geen algemeen verbindend voorschrift vormen), maar zij kunnen ook een rol spelen bij de vraag of een beschikking wel zijn grondslag kan vinden in een bepaald voorschrift — de zogenoemde exceptieve toetsing van (lagere) algemeen verbindende voorschriften — en zij kunnen ook voor andere handelingen dan besluiten een richtsnoer vormen. Zie in dit verband art. 3:1 Awb.
Laten we beginnen met het zorgvuldigheidsbeginsel. De formele kant van dit beginsel ziet op de eis dat het bestuur bij de voorbereiding van een besluit alle relevante feiten en in aanmerking te nemen belangen opspoort die van belang zijn voor de besluitvorming (art. 3:2 en 3:9 Awb) en die vervolgens betrekt bij de besluitvorming (art. 3:4 lid 1 Awb). Gewezen kan verder worden op art. 5:13 Awb en op de procedurele bepalingen in de Awb ter zake van boeteoplegging (art. 5:48-5:53 Awb). De materiële kant van de medaille is dat het bestuur ook voldoende gewicht toekent aan de belangen van burgers bij de afweging daarvan tegen het algemene belang (art. 3:4 lid 2 en art. 4:84 Awb). Bij de bestuursrechter vormt schending van art. 3:2 Awb een veel voorkomende vernietigingsgrond, waarbij het dan meestal gaat om een onvoldoende onderzoek naar de feiten door het bestuur.8 Besluiten worden daarentegen nauwelijks vernietigd wegens strijd met art. 3:4 lid 1 Awb.9 Indien niet genoegzaam van een belangenafweging is gebleken zal gewoonlijk worden vernietigd op grond van een onevenredige belangenafweging (art. 3:4 lid 2 Awb). Onder het zorgvuldigheidsbeginsel — aangevuld met het verderop te bespreken motiveringsbeginsel — kan met enige goede wil ook het Europese verdedigingsbeginsel worden begrepen dat in hoofdstuk 3 aan de orde kwam.
Het beginsel van fair play is vooral procedureel van aard. Het gaat er hier om dat de overheid de burger geen mogelijkheden mag ontnemen om voor zijn belang op te komen en dat elke schijn van partijdigheid wordt vermeden (art. 2:4 Awb).10 Dit beginsel wordt niet vaak als vernietigingsgrond gebruikt.11 Evenmin komt een succesvol beroep op schending van art. 2:4 Awb veel voor. Een aardig recent voorbeeld vormt de herroeping van een boete die was opgelegd op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. De Afdeling overwoog naar aanleiding van de grief dat na eerdere boeteoplegging de arbeidsinspectie juist was verzocht een tweede controle uit te voeren, omdat de vennoot veronderstelde dat een nieuwe controle duidelijkheid kon verschaffen omtrent de juistheid van de verzekering van de aannemer dat de vreemdelingen nu wel over de juiste documenten beschikten:
`Onder voormelde omstandigheden had het op de weg van de inspecteurs van de Arbeidsinspectie gelegen om A. erop te wijzen dat zij, in een geval als hier aan de orde, slechts in de positie zijn om te controleren of de bepalingen van de Wav worden nageleefd en zij, indien dit niet het geval blijkt te zijn, wederom tot boeteoplegging dienen over te gaan en dat een vrijblijvend oordeel over de rechtmatigheid van de situatie, als door hem beoogd, niet tot de mogelijkheden behoort. Nu zij dit hebben nagelaten, hebben zij gehandeld in strijd met het in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginsel van behoorlijk bestuur dat wel wordt aangeduid als 'fair play' en dat de overheid te allen tijde in haar contacten met elke burger in acht behoort te nemen.’12
Bij het verbod van détournement de procédure (procedureel misbruik) valt te denken aan het verbod een alternatieve (bijvoorbeeld civiele) procedure te bewandelen die minder rechtsbescherming biedt aan de burger. Denk in dit verband aan de tweewegenleer.13 De materiële tegenhanger, het verbod van détournement de pouvoir (machtsmisbruik), is aan de orde indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend (art. 3:3 Awb). Een beroep op dit beginsel komt weinig voor.14 Het verbod van machtsmisbruik is nauw verwant aan het specialiteitsbeginsel (art. 3:4 lid 1 Awb), waaruit volgt dat het bestuur bij het nemen van een besluit slechts dat deel van het algemeen belang mag betrekken waarop de betrokken regelgeving het oog heeft.
Het motiveringsbeginsel heeft eveneens een formele en materiële kant. De formele kant van de medaille ziet op de kenbaarheid van de motivering van het besluit. Dat wil zeggen het opnemen van een motivering in een besluit, met verwijzing naar een wettelijke grondslag waarop het is gebaseerd (art. 3:47, 7:12 lid 1 en 7:26 lid 1 Awb). Het nalaten een motivering op te nemen in een besluit is, indien daar over geklaagd wordt (zie art. 3:48 Awb),15 overigens niet altijd reden voor vernietiging. Zo kan dit vormverzuim op de voet van art. 6:22 Awb worden gepasseerd indien belanghebbenden er niet door zijn benadeeld. Te denken valt aan de situatie dat de belanghebbende hoe dan ook het dictum van het besluit wenst aan te vechten of dat de motivering hem anderszins bekend is ten tijde van het instellen van beroep. De materiële pendant van dit beginsel (art. 3:46, 7:12 lid 1 en 7:26 lid 1 Awb) is van veel groter belang. Beschikkingen moeten berusten op een draagkrachtige motivering. Indien in een besluit op bezwaar een kenbare motivering ontbreekt, maar daar niet over wordt geklaagd, dan zal de rechter het besluit niet vernietigen als blijkt dat het besluit wel op een juiste grondslag is gebaseerd16 Als het besluit niet draagkrachtig is gemotiveerd zal in beginsel een vernietiging volgen.17 Indien in beroep een deugdelijke wettelijke grondslag blijkt dan kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand worden gelaten (art. 8:72 lid 3 Awb).18
Het volgende, aan het legaliteitsbeginsel verwante, beginsel is het rechtszekerheidsbeginsel. De formele kant van dit beginsel ziet op het bepaaldheidsgebod: voorschriften en besluiten moeten duidelijk zijn geformuleerd en de betekenis ervan mag niet afhankelijk zijn van de uitleg van een ander.19 Onder de materiële pendant van dit beginsel valt ten eerste de toepassing van het bestaande recht door bestuursorganen.20De zogenoemde beginselplicht tot handhaving kan hier onder worden gerubriceerd.21 Ten tweede staat de rechtszekerheid in beginsel in de weg aan terugwerkende kracht van wetgeving en van besluiten. Dit verbod is niet absoluut. Volgens vaste jurisprudentie kunnen aanspraken met terugwerkende kracht worden gewijzigd indien de betrokkene onjuiste inlichtingen heeft verstrekt of wist of behoorde te weten dat hij geen aanspraak op een voorziening kon maken.22 Voorts zal het met terugwerkende kracht wijzigen van wetgeving met name niet in strijd komen met de rechtszekerheid indien belanghebbenden er niet op achteruit gaan. Indien de heffingen voorzienbaar waren acht het College van Beroep voor het bedrijfsleven de vaststelling van de tarieven in het lopende jaar niet strijdig met de rechtszekerheid.23
Het vertrouwensbeginsel is vooral materieel van aard, maar kan ook zien op procedurele kwesties, zoals onjuiste informatie over (de aanvang van) bezwaar- en beroepstermijnen.24 Het vormt de achterkant van de medaille van het beginsel van rechtszekerheid. De rechtszekerheid vergt immers dat het bestuur het door haar opgewekt vertrouwen bij de burger niet beschaamt. Het verschil tussen beide beginselen is gradueel. Zo kan de burger aan een beleidsregel of vaste gedragslijn het vertrouwen ontlenen dat het bestuur conform dat beleid zal handelen. Ik neig een beroep op dit beleid te rubriceren onder het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel, terwijl het vertrouwensbeginsel juist kan worden ingeroepen indien het bestuur aan een burger in een concreet geval toezeggingen heeft gedaan of indien de burger door onjuiste voorlichting op het verkeerde been is gezet. Vaak wordt voor een honorering van het beroep op het vertrouwensbeginsel de eis gesteld dat enerzijds zeer concreet toezeggingen door het bevoegde bestuur zijn gedaan en dat anderzijds is voldaan aan het dispositievereiste, dat wil zeggen dat de betrokkene iets heeft gedaan dat hij zou hebben nagelaten als hij had geweten dat het bij hem gewekte vertrouwen zou worden beschaamd.25 Uitlatingen door een ander dan het bevoegde (bestuurs)orgaan worden niet snel gehonoreerd.26 Vooral de ambtenarenrechter is zeer terughoudend met het honoreren van een beroep op opgewekt vertrouwen. De kans is niet gering dat deze terughoudende jurisprudentie, die vereist dat door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde (schriftelijke) toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt,27 geen stand zal kunnen houden bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.28 De belastingrechter is op dit punt ruimhartiger.29
Waar het vertrouwensbeginsel ertoe kan nopen dat het bestuur in afwijking van regels of beleid een bij de burger opgewekt vertrouwen moet honoreren, dus moet afwijken van andere gevallen,30 gaat het bij het gelijkheidsbeginsel juist om het verbod een bepaald geval anders af te doen dan in andere gevallen. In het belastingrecht is in dit verband de meerderheidsregel geformuleerd. Indien in de meerderheid van de gevallen een bepaalde uitleg of invulling is gegeven aan een wettelijke bepaling zal dat in de overige gevallen ook moeten gebeuren.31 Buiten het fiscale recht ligt het wat minder helder. Soms is het voldoende dat de betrokkene een paar gevallen noemt waarin het bestuur anders oordeelde.32 Op het bestuur wordt dan veelal de bewijslast gelegd aan te tonen dat de genoemde zaken geen gelijke gevallen of incidentele vergissingen betroffen.33 Waar het gaat om de beslissing in het ene geval wel en in het andere geval niet een punitieve sanctie op te leggen ligt het mogelijk in de rede dat de bestuursrechter aansluiting zoekt bij de jurisprudentie van de strafrechter. Zo overwoog de rechtbank Rotterdam in een boetezaak dat het gelijkheidsbeginsel gelet op strafrechtelijke jurisprudentie van de Hoge Raad niet zo ver strekt dat een bestuursorgaan uitsluitend de bevoegdheid tot boeteoplegging daadwerkelijk kan uitoefenen indien het in alle mogelijk soortgelijke gevallen gelijk gebruik maakt van die bevoegdheid.34 De rechtbank overwoog op die voet verder dat indien het bestuursorgaan door uitsluitend de betrokken onderneming te beboeten zou hebben afgeweken van zijn gedragslijn of beleid om iedere overtreding van art. 82 lid 1 Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992) op te sporen en te sanctioneren een beroep op het gelijkheidsbeginsel zou kunnen slagen. Indien de rechtbank ook andere jurisprudentie van de Hoge Raad in ogenschouw zou hebben genomen, dan zou zij wellicht minder stellig hebben overwogen dat hier eigenlijk per definitie een kansloos beroep op het gelijkheidsbeginsel voorlag (want van een dergelijk beleid is natuurlijk nimmer sprake).35
Ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven betoonde zich genuanceerder door in een vergelijkbare zaak met betrekking tot art. 82 lid 1 Wtk 1992 nader in te gaan op de vraag of de gevallen waarin geen boete was opgelegd vergelijkbaar waren. Het overwoog:
`Niet in geschil is dat het gaat om brieven naar aanleiding van overtredingen ter zake van artikel 82, eerste lid, Wtk 1992 door bemiddelaars die alle(n) als zodanig zijn opgetreden voor de zelfde aanbieder van groenproducten, een andere aanbieder dan Eco-sure. De brief van 12 december 2006 betreft een voorbeeld van een bemiddelaar aan wie een waarschuwing is gegeven en de brief van 21 december 2009 betreft een voorbeeld van een bemiddelaar aan wie een bestuurlijke boete van tariefgroep 3 is opgelegd, te weten 5.445. Het College stelt voorop dat blijkens de Nota handhavingsbeleid de keuze voor de inzet van een bepaald instrument wordt gemaakt aan de hand van daarin vermelde criteria en aan de hand van overige specifieke omstandigheden van het geval. DNB heeft uiteengezet dat zij er in de zaak waarop voormelde brieven zien, voor heeft gekozen in gevallen waarin bemiddelaars een lagere provisie dan €10.000 hadden ontvangen geen bestuurlijke boete op te leggen, maar een waarschuwing te geven. Mede gelet op de ter zake aan DNB toekomende discretionaire bevoegdheid en het feit dat de door appellante ontvangen provisie (aanzienlijk) hoger is dan €10.000 en dus geen sprake is van gelijke gevallen die gelijk behandeld moeten worden, acht het College de keuze van DNB om appellante geen waarschuwing te geven, maar een bestuurlijke boete op te leggen noch in strijd met het verbod van willekeur noch in strijd met het gelijkheidsbeginsel.'36
Het valt dan ook niet uit te sluiten dat de bestuursrechter een verdergaande toets aan het gelijkheidsbeginsel zal verrichten dan de strafrechter waar het gaat om de inzet naar het boete-instrument. Zo zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de gewone handhavingsjurisprudentie van de Afdeling. De Afdeling overwoog:
`Naar aanleiding van de door [appellante] overgelegde lijst heeft het college bij brief van 13 januari 2009 desverzocht toegelicht dat naast de door [appellante] genoemde gevallen in de gemeente Sint-Oedenrode naar schatting omstreeks 40 (voormalige) bedrijfswoningen niet overeenkomstig de bestemming worden gebruikt. Behalve in het voorliggende geval is in één ander geval besloten tot handhavend optreden, naar aanleiding van een verzoek van derden daartoe, aldus het college. Voorts blijkt uit deze brief dat geen handhavingsbeleid is vastgesteld en bekendgemaakt en dat handhavend optreden tegen strijdig gebruik van (voormalige) bedrijfswoningen slechts wordt overwogen in gevallen waarin daarom door derden wordt verzocht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 juni 2008 in zaak nr. 200707396/1) vergt het gelijkheidsbeginsel evenwel een consistent en doordacht bestuursbeleid. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in rechtens vergelijkbare gevallen. Het college heeft niet kunnen verduidelijken dat de door [appellante] genoemde gevallen zodanig afwijken van het onderhavige geval dat in verband daarmee een andere behandeling is gerechtvaardigd. Het enkele feit dat in die gevallen anders dan in het onderhavige geval door een derde niet om handhavend optreden is verzocht kan het verschil in handelwijze van het college niet rechtvaardigen.'37
Er is op zich wel wat te zeggen voor een niet al te terughoudende toetsing aan het gelijkheidsbeginsel inzake de inzet van handhavingsinstrumenten waaronder de bestuurlijke boete. Juist van bestuursorganen die zijn belast met een bepaald deelaspect van het algemeen belang en waartoe zij zijn geëquipeerd met de nodige toezichtsbevoegdheden mag worden verlang dat ze een zekere mate van stelselmatigheid betrachten bij toezicht en handhaving (zie de hiervoor genoemde beginselplicht tot handhaving). In zoverre is er wel een verschil met het strafrecht dat een 'stelselmatige onstelselmatigheid' in het opsporingsbeleid kent.38 Voorts lijkt het opportuniteitsbeginsel het OM meer armslag te bieden.39 Toch gaat hier niet om heel grote verschillen. Het bestuursorgaan zal immers niet elke overtreding opmerken en ook bij constatering kan het wellicht bij gebrek aan capaciteit niet alles aanpakken. Het verschil met het strafrecht zal hem vooral zitten in de eis dat er beleid wordt gevoerd en wordt gemotiveerd waarom het ene geval wel en het andere ogenschijnlijk gelijke geval niet wordt gehandhaafd.40 Verder zal het gelijkheidsbeginsel, tezamen met het beginsel van rechtszekerheid, met zich brengen dat het bestuur in beginsel is gehouden niet af te wijken van zijn eigen beleid. Dit is mede gecodificeerd in art. 4:84 Awb.
Het volgende beginsel is het evenredigheidsbeginsel. Dit materiële beginsel houdt nauw verband met het materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het negatief geformuleerde verbod van willekeur. Dit laatste verbod duidt op algehele afwezigheid van een belangenafweging en neigt daarmee naar het formele zorgvuldigheidsbeginsel, danwel op een zodanig onredelijke belangenafweging dat gesproken moet worden van een volstrekt onaanvaardbaar beleid, hetgeen weer neigt naar materiële onzorgvuldigheid of onevenredigheid. De wetgever heeft met art. 3:4 lid 2 Awb een codificatie voor ogen gehad van het evenredigheidsbeginsel, het materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur.41 De regering heeft onder ogen gezien dat het willekeursverbod is geredigeerd als een maatstaf voor marginale toetsing door de rechter, die zich niet goed leent voor omzetting in een tot het bestuur gericht verbod of gebod, terwijl art. 3:4 Awb zich richt tot het bestuur. In de MvA is daar nader op ingegaan, alsmede op nadeelcompensatie. Onder meer is vermeld:
`(...) De met behulp van een dubbele ontkenning geformuleerde norm "niet onevenredig" brengt met zich mee, dat de rechter alleen mag ingrijpen, wanneer voor hem vaststaat, dat de gevolgen voor een belanghebbende in vergelijking met de te dienen doelen onevenredig zullen zijn. Daarbij zal de rechter aan bestuursorganen een zekere mate van beoordelingsvrijheid moeten laten. (...) Het verband tussen onevenredigheid in de lastenverdeling tussen de verschillende burgers die in een gelijke of vergelijkbare positie verkeren en de regel die in artikel [3:4] tweede lid is verwoord, is dat bij het niet aanbieden van schadevergoeding aan de onevenredig zwaar (in vergelijking met anderen) getroffen burgers, tevens gesproken moet worden van een voor de gedupeerde belanghebbende nadelig gevolg dat (door het uitblijven van vergoeding) als onevenredig moet worden beschouwd in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Kort gezegd: het niet aanbieden van een vergoeding voor onevenredig zware schade leidt tot een besluit of handeling in strijd met het evenredigheidsbeginsel van artikel [3:4] tweede lid. (...) Zoals eerder opgemerkt dekt artikel [3:4], tweede lid, de gevallen waarin de rechter thans oordeelt dat er sprake is van een kennelijk onredelijke belangenafweging. Indien aan een of meer belangen zodanig te weinig gewicht is toegekend dat van een kennelijk onredelijke belangenafweging in de zin van artikel 8, eerste lid onder c, van de Wet Arob moet worden gesproken, is er ook sprake van onevenredig nadelige gevolgen voor een of meer belanghebbenden in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Omgekeerd kan ook in een geval dat van genoemde onevenredigheid sprake is, geconcludeerd worden dat het bestuur in redelijkheid niet tot dat besluit kon komen. Uit deze vergelijking moet de conclusie worden getrokken dat naar de bedoeling van het kabinet de taak van de rechter met het van kracht worden van artikel [3:4], tweede lid, niet verandert. Het belang van die bepaling in vergelijking met artikel 8, eerste lid, onder c, van de Wet Arob (en gelijkluidende artikelen in andere wetten) is, dat de norm positiever en helderder als een voorschrift voor het besluitvormend bestuursorgaan wordt geformuleerd en niet slechts als toetsingsmaatstaf voor de rechter.'42
Algemeen wordt aangenomen dat beschikkingen die zijn genomen op basis van beleidsvrijheid op redelijkheid kunnen worden getoetst aan de hand van het in art. 3:4 lid 2 Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel.43 Het betreft hier veelal een terughoudende toetsing. Waar het gaat om de toetsing van algemeen verbindende voorschriften, niet zijnde een wet in formele zin, wordt indachtig Landbouwvliegers44 veelal nog wat terughoudender aan het verbod van willekeur getoetst.45 Ook die toetsing kan plaatshebben in het kader van art. 3:4 lid 2 Awb, dat immers niet alleen ziet op beschikkingen. Daar komt bij dat het onderscheid tussen beide beginselen vrij vloeiend is 46 In een heffingszaak toetste de College van Beroep voor het bedrijfsleven in het kader van de exceptieve toetsing van de heffingsregeling aan zowel het evenredigheidsbeginsel als het verbod van willekeur.47 Betwijfeld kan echter worden of scherp onderscheid kan worden gemaakt tussen de evenredigheid van de fijnmazigheid van de bandbreedten en de niet willekeurigheid van de gekozen heffingsystematiek zoals het College hier deed. Niettemin levert het geheel een meer indringende toetsing op dan enkel de hantering van het willekeurverbod als negatieve maatstaf met zich zou brengen.48 Een uitzondering op bovenstaande vormt enige jurisprudentie van de Afdeling. De Afdeling lijkt lagere algemeen verbindende voorschriften soms49 in het geheel niet te toetsen aan het willekeurverbod of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur50 en zij toetst beschikkingen die zijn genomen op grond van een discretionaire bevoegdheid zeer terughoudend aan een toetssteen die lijkt op het verbod van willekeur.51 Waar het gaat om bestraffende sancties wordt niet voor wat betreft de inzet van het sanctie-instrument, maar wel voor wat betreft de te treffen sanctie, bijvoorbeeld de boetehoogte, indachtig de jurisprudentie rond art. 6 lid 1 EVRM, meer intensief aan het evenredigheidssbeginsel getoetst. In welke mate komt in een hoofdstuk 10 aan bod. De evenredigheidsmaatstaf geldt niet alleen voor besluiten, maar kan ook feitelijk handelen begrenzen. Zo bepaalt art. 5:13 Awb dat een toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik maakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Hoewel niet letterlijk al deze beginselen zijn gecodificeerd in de Awb, kan een aantal van die beginselen van belang zijn bij de evenredigheidstoetsing als bedoeld in art 3:4 lid 2 Awb. Ik denk daarbij met name aan de belangen die in aanmerking genomen dienen te worden. Zo kan het gelijkheidsbeginsel een rol spelen bij de inkleuring van evenredigheid. Zo overwoog de Hoge Raad dat één van de verschijningsvormen van het gelijkheidsbeginsel de regel is dat de onevenredige nadelige gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit niet ten laste van een beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld.52 Ook kan het vertrouwensbeginsel een rol spelen bij de belangenafweging. 53 Wel zal hier van belang zijn of de wet of de aard van de bevoegdheid niet in de weg staat aan een belangenafweging (art. 3:4 lid 1 Awb).54 Welke beginselen zijn tot slot het belangrijkst? Aan de rechtsidee zelf liggen drie fundamentele uitgangspunten ten grondslag; namelijk dat het recht geldt (positiviteit); dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate van ongelijkheid en ten slotte zullen er inhoudelijke normen gesteld moeten worden (streven naar rechtvaardigheid).55 Hieruit volgt dat de beginselen van rechtszekerheid, gelijkheid en evenredigheid de drie belangrijkste rechtsbeginselen zijn. Daarbij geldt dat daarmee uiteraard nog niet is gegeven welke gevallen gelijk zijn en wat evenredig is. De inhoud van die beginselen wordt naar tijd, plaats en context nader ingevuld. Waar het gaat om de punitieve handhaving door bestuursorganen moet aan deze drie meer materiële beginselen wellicht het beginsel van fair play, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel worden toegevoegd, althans voor zover die invulling geven aan de verdedigingsrechten.