Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/3.4.4.2
3.4.4.2 De inhoud van de patronaatsverklaring
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS586174:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bertrams & Graaf, De NV 1990, p. 75-82, p. 81; Winter 1992, p. 31-32.
Schoordijk 1987, p. 154.
W.E. Moojen, ‘De ongemakkelijke comfort letter’, NJB 1990, vol. 65, afl. 21, p. 779-782; R.E. de Rooy, ‘Letters of comfort; nogmaals de Kleinwort Benson-zaak’, NJB 1990, vol. 65, afl. 21, p. 784-785;J. Spier, ‘Schoordijk vs Court of Appeal’, NJB 1990, vol. 65, afl. 21, p. 785-786; P.J.M. Akkermans, ‘Letters of comfort: een kwestie van risico’, NJB 1990, vol. 65, afl. 21, p. 786; en de reactie van Schoordijk: H.C.F. Schoordijk, ‘Naschrift bij de reacties van Akkermans, Moojen, De Rooy en Spier’, NJB 1990, vol. 65, afl. 21, p. 786-787.
HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex); HR 17 september 1993, NJ 1994/173 (HAS/ Gerritsen).
HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178, NJ 2007/575 (Meyer Europe/PontMeyer). Zie ook: HR 29 juni 2007, LJN BA4909, NJ 2007/576 (Derksen/Homburg). De Hoge Raad is in HR5 april 2013, LJN BY8101 (Lundiform/Mexx) nader ingegaan op de verhouding tussen partijbedoelingen en de rol van een entire agreement clausule. Hierbij merkt hij in r.o. 3.5.3. op dat welke betekenis aan een dergelijke clausule toekomt, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waaronder de bewoordingen van de clausule, de aard, de inhoud, de strekking en de mate van gedetailleerdheid van de overeenkomst waarvan de clausule deel uitmaakt, en de wijze waarop de clausule tijdens de onderhandelingen ter sprake is gekomen en onderdeel van de overeenkomst is geworden. Daarbij is aangetekend dat een entire agreement clausule op zichzelf geen uitlegbepaling is. De clausule heeft een specifieke herkomst en functie in de Anglo-Amerikaanse rechtssfeer, en heeft naar Nederlands recht niet zonder meer een bijzondere betekenis. Vgl. Schelhaas, NTBR 2008, p. 150-160.
Vgl. HR 16 mei 2008, NJ 2008/284 (Chubb Insurance/Dagenstaed Investments) voor de uit-leg van niet onderhandelde verzekeringsvoorwaarden. Zie ook HR 20 februari 2004,ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493 (DSM/Fox).
HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178, NJ 2007/575 (Meyer Europe/PontMeyer), r.o. 3.4.3. Zie ook Kruisinga & Leber 2010, p. 12-14; Leber 2017, p. 369 e.v.
HR 18 november 1994, NJ 1995/170 (NBM/Securicor). Kruisinga & Leber 2010, p. 19-22.
Kruisinga & Leber 2010, p. 22-28.
Kruisinga & Leber 2010, p. 21-22. Vgl. Winter 1992, p. 33-34.
De inhoud van een patronaatsverklaring komt tot stand na onderhandelingen. De moedervennootschap die de patronaatsverklaring afgeeft, zal bij voorkeur geen juridisch bindende formuleringen willen opnemen, terwijl de financier ten behoeve van wie de patronaatsverklaring wordt afgegeven, dit doorgaans juist wel nastreeft. De financier wil heldere en duidelijke afspraken op basis waarvan de moedervennootschap kan worden aangesproken wanneer de dochtervennootschap in gebreke blijft. Deze tegengestelde belangen kunnen leiden tot een patronaatsverklaring die uitblinkt in ambigu taalgebruik. Zo wordt in een patronaatsverklaring vaak de intentie om iets te doen of na te laten opgenomen in plaats van het handelen of nalaten zelf. Deze intentionele vaagheid kan door partijen gebruikt worden om hun tegengestelde belangen te verenigen in een patronaatsverklaring die voor meerdere interpretaties mogelijk is.
Het is afhankelijk van de onderhandelingspositie die partijen hebben in welke bewoordingen de patronaatsverklaring vorm krijgt. In zijn algemeenheid wordt opgemerkt dat wanneer de moedervennootschap een rechtens afdwingbare verplichting wil aangaan, zij zich ook kan wenden tot bijvoorbeeld de borgtocht of het afgeven van een concerngarantie. Het gebruik van een patronaatsverklaring geeft juist aan dat de moedervennootschap zich niet juridisch wil binden. Aan de rechter de taak om in een specifiek geval te bepalen in hoeverre een moedervennootschap, op grond van de tekst van een patronaatsverklaring, aansprakelijk is voor het in gebreke blijven van een dochtervennootschap.1
In de literatuur is betoogd dat wanneer banken forse kredieten verschaffen, de formulering van de patronaatsverklaring niet te zwaar moet wegen. Banken zouden erop moeten kunnen vertrouwen dat zij op de patroon (de moedervennootschap) kunnen terugvallen wanneer de protegé (de dochtervennootschap) geen verhaal biedt. Gesteld is dat de patronaatsverklaring de economische sterkte van de borgtocht dient te benaderen.2 Verschillende auteurs zijn echter de mening toegedaan dat het niet te billijken is om bij een interpretatie van een patronaatsverklaring deze altijd in het voordeel van bank uit te leggen. De bank is immers een professionele partij met toegang tot gespecialiseerde rechtshulp en weet derhalve waar zij voor tekent.3 Ik sluit me hierbij aan. Het is de taak van de rechter om een evenwichtige belangenafweging te maken en te bepalen wat de wil van partijen was ten tijde van het aangaan van de patronaatsverklaring.
Voor het interpreteren van de bewoording van een verklaring of overeenkomst worden doorgaans het Haviltex-criterium en de cao-norm gebruikt.4 Uit de uitspraak Meyer Europe/PontMeyer5 blijkt dat bij overeenkomsten van een bepaald soort, in het onderhavige geval commerciële overeenkomsten, er ondanks toepassing van het Haviltex-criterium ruimte is voor een meer objectieve interpretatie van door partijen gebruikte bewoording in de overeenkomst.6 Bij interpretatie van bepalingen van een commerciële overeenkomst is het Haviltex-criterium leidend, maar dat beslissend gewicht wordt toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van die woorden, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen.7 Het probleem bij de uitleg van een patronaatsverklaring is dat de verklaring vaak een vergelijk is van partijen en derhalve bepalingen bevat die zich niet gemakkelijk taalkundig eenduidig laten uitleggen.
Eventuele aansprakelijkheid van de moedervennootschap kan naar Nederlands recht berusten op de wanprestatie of de onrechtmatige daad. Bijvoorbeeld in het geval van gewekte schijn van een kredietwaardige dochtervennootschap.8 Vanwege het feit dat een patronaatsverklaring ook dikwijls binnen multinationale concerns wordt gebruikt is het, mede in het kader van aansprakelijkheid, van belang om het toepasselijk recht scherp in het vizier te hebben. Het is bijvoorbeeld niet ongebruikelijk dat in multinationale concerns dochtervennootschappen zelfstandig handelen en in hun financieringsbehoefte voorzien door leningen af te sluiten bij lokale financiers. In een dergelijke situatie kan een moedervennootschap een patronaatsverklaring afgeven voor een buitenlandse dochtervennootschap aan een partij die zich in een ander rechtsstelsel bevindt dan de moedervennootschap en de dochtervennootschap.9
Naast de uitleg en de grondslag voor aansprakelijkheid is het van belang te weten wie een vordering op basis van een patronaatsverklaring kan instellen. In beginsel is dat de wederpartij van degene die de patronaatsverklaring schrijft. Indien een moedervennootschap een patronaatsverklaring afgeeft ten behoeve van een dochtervennootschap aan een financier, kan de moedervennootschap door de financier worden aangesproken. Het betreft in dit geval een gerichte rechtshandeling. In principe geldt dit ook voor de situatie waarin de moedervennootschap de patronaatsverklaring richt tot haar dochtervennootschap. De dochter, of haar curator, kan in voorkomend geval een vordering instellen.
Dit wordt mogelijk anders wanneer in het kader van het toekennen van de waarderingsgrondslag going concern, de accountant van de dochtervennootschap de moedervennootschap vraagt om een patronaatsverklaring ter onderbouwing van de continuïteitsveronderstelling. In een dergelijk geval verstrekt de moedervennootschap een patronaatsverklaring vanwege gerede twijfel omtrent de continuïteit van de dochtervennootschap. Anders gesteld, de moedervennootschap hoort weet te hebben van de problematiek die de dochtervennootschap heeft om aan haar verplichtingen te voldoen. Het in deze situatie afgeven van een patronaatsverklaring kan leiden tot een verzwaarde zorgplicht voor de moedervennootschap. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan schending van deze zorgplicht aansprakelijkheid opleveren van de moedervennootschap jegens de crediteuren van de dochter.10
Uit de patronaatsverklaring vloeien niet automatisch rechten van regres. Op het moment dat de patroon zijn verplichtingen gestand doet en hiertoe schulden maakt, krijgt hij voor deze schulden geen wettelijke regresvordering. De patroon en de protegé kunnen daarom een contractueel regresrecht afspreken. De patroon moet echter niet te veel verwachten van een dergelijke regresmogelijkheid. Immers, op het moment dat de patroon wordt aangesproken tot het voldoen van zijn verplichting in het kader van de patronaatsverklaring, zal de protegé doorgaans in een financieel bedenkelijke toestand verkeren. Het is dan de vraag in welke mate de protegé verhaal biedt voor de vordering van de patroon. Al zou de protegé de regresvordering van de patroon kunnen voldoen, de kans bestaat dat hierna de protegé dermate financieel is uitgebeend dat zij niet aan haar andere verplichtingen kan voldoen en failleert.