Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie
Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/8.10:8.10 Causaal verband en schade
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/8.10
8.10 Causaal verband en schade
Documentgegevens:
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS503658:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het causaliteitsvereiste vormt – samen met de onrechtmatigheidsbeoordeling – de kern van het overheidsaansprakelijkheidsrecht voor onjuiste informatieverstrekking. Het oordeel dat de overheid onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste informatie te verstrekken, waaraan ten grondslag ligt dat de burger redelijkerwijs op de juistheid van de informatie mocht vertrouwen, is de eerste grote stap naar aansprakelijkheid. Het feit dat de burger gerechtvaardigd mocht vertrouwen, wil echter niet zeggen dat hij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Dit laatste aspect komt pas aan de orde bij de beoordeling van de causaliteit tussen de onrechtmatige informatieverstrekking en de schade (paragraaf 4.7.6 en 7.2.3.1). In dit verband is bepalend of de burger iets heeft gedaan of nagelaten als gevolg en op basis van het gewekte vertrouwen, wat hij bij afwezigheid van dit vertrouwen niet zou hebben gedaan of nagelaten (paragraaf 7.2.3.2). Voor een bevestigende beantwoording van deze vraag is ten eerste vereist dat inzicht bestaat in het alternatieve handelen van het bestuursorgaan dat onjuiste informatie heeft verstrekt: als de burger bij dit alternatieve handelen hetzelfde had gehandeld, ontbreekt het causaal verband. In tegenstelling tot wat algemeen zou kunnen worden aangenomen, is het alternatief voor het verstrekken van onjuiste informatie niet altijd gelegen in het verstrekken van juiste informatie (paragraaf 7.2.2).
Als de geschonden norm zou zijn dat de overheid onrechtmatig heeft gehandeld door geen juiste informatie te verstrekken, zou het enige rechtmatige alternatief voor het verstrekken van onjuiste informatie wellicht zijn dat de overheid juiste informatie had verstrekt. Dit is echter niet het geval. De geschonden norm is dat de overheid ten onrechte vertrouwenwekkende onjuiste informatie heeft verstrekt (vgl. paragraaf 6.3). In het kader van de beoordeling van het condicio sine qua non-verband moet slechts het onrechtmatige element van de handeling worden weggedacht, dat wil zeggen, haar vertrouwenwekkende onjuistheid. Hierdoor zijn drie alternatieven denkbaar: het verstrekken van juiste informatie, het afzien van informatieverstrekking, en het verstrekken van onjuiste informatie op niet onrechtmatige wijze. Bij het geven van inlichtingen is – tenzij in de omstandigheden van het geval aanwijzingen voor het tegendeel kunnen worden gevonden – het meest voor de hand liggende alternatief dat juiste informatie zou zijn verstrekt (paragraaf 7.2.2.1). Vooral bij het doen van ongerichte mededelingen (in tegenstelling tot het geven van inlichtingen) is daarentegen – gezien het doel en de strekking van de mededelingen – voorstelbaar dat het bestuursorgaan zou hebben afgezien van informatieverstrekking (paragraaf 7.2.2.2). De Fabricom-arresten illustreren ook dat. Het derde alternatief zal zelden tot nooit een reëel alternatief zijn (paragraaf 7.2.2.3)
Bij het hypothetisch rechtmatige handelen van het bestuursorgaan wordt in uitspraken zelden uitdrukkelijk stilgestaan. Dit is begrijpelijk, omdat de rechter alleen aanleiding heeft om hieraan aandacht te besteden, indien de gedaagde overheid het causaal verband betwist op de grond dat ook in de hypothetische situatie geen juiste informatie was verstrekt. Mijn indruk is evenwel dat tussen partijen niet vaak in geschil is hoe het bestuursorgaan in de hypothetische situatie zou hebben gehandeld. Partijen zijn het er vaak wel over eens, althans de gedaagde overheid betwist niet (voldoende gemotiveerd), dat zij juiste informatie zou hebben verstrekt. In uitspraken wordt in het kader van het causaal verband daarom vaak doorgestoten naar het alternatieve handelen van de burger. Uitgangspunt is dan dat de overheid juiste informatie zou hebben verstrekt. Bij dit uitgangspunt resteren de vragen of de burger op basis van deze juiste informatie anders zou hebben gehandeld, en of de schade bij dit alternatieve handelen achterwege was gebleven. Deze vragen kunnen in verband worden gebracht met zowel het causaliteits- als het relativiteitsvereiste (paragraaf 6.7). De geschonden norm strekt immers tot bescherming van de rechtszekerheid van de burger, en daarmee ertoe de burger te behoeden voor schade als gevolg van keuzes die zijn gemaakt vanuit een gebrekkige informatiepositie. Dit betekent dat slechts de schade wordt vergoed die is geleden doordat de burger heeft gehandeld of handelen achterwege heeft gelaten omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij juist werd geïnformeerd.
Een aanspraak op schadevergoeding uit onrechtmatige daad bij onjuiste informatieverstrekking kan nooit méér opleveren dan vergoeding van de schade die is ontstaan doordat (rechts)handelingen zijn verricht of nagelaten in de veronderstelling dat juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven. In het kader van het causaliteitsvereiste kan deze stelregel worden vertaald in een drietrapsraket. De eerste trap heeft betrekking op het verband tussen de verstrekte informatie en hetgeen feitelijk is voorgevallen. Het gedrag van de burger moet (in elk geval: mede, zie paragraaf 7.2.3.1) zijn bepaald door de informatie. De tweede trap heeft betrekking op het verband tussen de onjuiste voorstelling van zaken en hetgeen in de hypothetische situatie zou zijn voorgevallen. Het hypothetische handelen van de burger zou immers anders moeten zijn geweest dan het feitelijke. De derde trap heeft betrekking op het verband tussen de informatieverstrekking en de schade. Deze drietrapsraket laat zich samenvatten tot de toets of het gebrek dat kleeft aan de informatieverstrekking redengevend is geweest voor het ontstaan van de schade (paragraaf 7.2.3.2). Causaal verband bestaat indien (i) de informatiefout de oorzaak was van de gedraging van de burger, (ii) de burger anders zou hebben gehandeld zonder de informatiefout en (iii) de schade niet zou zijn ontstaan bij dat alternatieve handelen.
Voor gevallen van causaliteitsonzekerheid werd in paragraaf 7.3.2 geconcludeerd dat in het overheidsaansprakelijkheidsrecht voor onrechtmatige informatieverstrekking ruimte bestaat voor een proportionele benadering. Voor toepassing van een proportionele benadering in de vorm van de leer van de kansschade, waarvan het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid scherp moet worden onderscheiden, zie ik ruimte. De leer van de kansschade kan worden toegepast wanneer onzekerheid bestaat over de vraag of de onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt. De onzekerheid moet erin zijn gelegen dat niet kan worden vastgesteld of een kans op succes zich zou hebben gerealiseerd indien de onrechtmatige daad achterwege was gebleven (paragraaf 7.3.1). Voor het wegnemen van onzekerheid over de alternatieve handelswijze van het informatie verstrekkende bestuursorgaan of de informatie ontvangende burger is de leer van de kansschade niet bedoeld. Zij leent zich daarentegen wel voor toepassing indien onzekerheid bestaat over de alternatieve handelswijze van een derde (niet zijnde de betrokken overheid en de burger). Hierbij kan onder meer worden gedacht aan besluitvorming van (andere) bestuursorganen die een financieel voordeel voor de burger zou hebben meegebracht, bijvoorbeeld in het kader van vergunningverlening, bestemmingsplanwijziging of subsidieverlening. Indien begunstigende besluitvorming niet meer tot de mogelijkheden behoort op het moment waarop de onjuistheid van de verstrekte informatie wordt onderkend, maar nog wel tot de mogelijkheden behoorde op het moment waarop de informatie vertrouwen wekte, kan onzekerheid bestaan over het besluit dat het bestuursorgaan op het laatstgenoemde moment zou hebben genomen. De leer van de kansschade kan een proportionele oplossing voor deze onzekerheid vormen, doordat zij toelaat dat de causaliteitsonzekerheid wordt verdeeld over de burger en de overheid door middel van een schatting van de kans op (voor de burger) positieve besluitvorming.