Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.6.3
9.6.3 De garantie in het OBW
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648795:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Scholten 1917, p. 209.
Scholten 1917, p. 211.
In gelijke zin Asser/Kamphuisen 3-III 1960, p. 764; Asser/Kleijn 5-IV 1988, nr. 134; Van Nierop 1931, p. 316; Houwing in zijn noot onder HR 4 mei 1951, NJ 1952/129 en Suijling 1934, nr. 117, met de kanttekening dat Suijling de borgtocht op andere gronden dan Scholten als een species van garantie ziet en Suijling niet de koppeling maakt met artikel 1352 OBW. Daarmee is de borgtocht volgens Suijling nog steeds wel te zien als een species van de garantieovereenkomst, maar op dogmatische gronden en niet op grond van (de bepalingen in) het OBW.
HR 21 februari 1913, NJ 1913/577.
Suijling 1934, nr. 117.
Bergervoet 2014, 2.4.2.
Dat in de parlementaire geschiedenis van de groepsvrijstellingsregeling wordt gesproken over een garantie valt misschien wel te verklaren, aangezien de groepsvrijstellingsregeling werd geïntroduceerd toen het OBW nog geldend recht was. In het huidige Burgerlijk Wetboek is geen uitwerking opgenomen inzake de rechtsvorm ‘garantie’ maar in het OBW werd de garantie wel genoemd. Zie hiervoor artikel 1352 OBW in samenhang met artikel 1351 OBW:
Artikel 1351 OBW
In het algemeen kan niemand zich op zijnen eigen naam verbinden, of iets bedingen, dan voor zich zelven.
Artikel 1352 OBW
Niettemin kan men zich voor eenen derde sterk maken of instaan, door te beloven dat dezelve iets doen zal, behoudens de vordering tot schadevergoeding tegen dengenen die voor eenen derden ingestaan of beloofd heeft denzelven iets te doen bekrachtigen, indien deze derde weigert om de verbindtenis na te komen.
In artikel 1351 OBW komt de partijautonomie tot uitdrukking. Een partij kan alleen verbintenissen aangaan waarbij hij zichzelf verbindt. De gedachte is dat een partij zijn eigen belangen nastreeft. Als uitzondering op dit beginsel wordt in artikel 1352 OBW het zich sterk maken of instaan voor een andere partij genoemd.
De basis voor een garantie is een overeenkomst waarbij de garant zich tot schuldenaar maakt van een prestatie (bijvoorbeeld het voldoen van een schadevergoeding). De garant raakt die prestatie verschuldigd wanneer een andere partij een prestatie die de garant niet aangaat niet voldoet. Hoofdelijkheid staat aan de andere kant van het spectrum. Op basis van de wet is een partij (mede)schuldenaar voor een prestatie die hem wel aangaat. Borgtocht houdt het midden tussen de garantie en hoofdelijkheid:1
“Waarin zit nu het eigenaardige van den borgtocht? Wij menen dat wij hier zoo dikwijls het karakteristieke van het instituut het beste doen kennen door het om beurten te belichten van uit de beiden rechtsinstellingen die er het meest verwantschap mee hebben, die er als het ware in het rechtssysteem aan weerskanten van liggen: de garantie van art. 1352 B.W. en het hoofdelijk schuldenaarschap.”
Bij borgtocht verplicht de borg zich tot het voldoen van dezelfde prestatie als de hoofdschuldenaar. Deze prestatie gaat de borg niet aan. De borg kan pas worden aangesproken wanneer de hoofdschuldenaar niet presteert. Daarmee bevat borgtocht met name kenmerken van de garantie.
De rechtsfiguur garantie is genoemd in artikel 1352 OBW. Maar daarmee is de rechtsfiguur garantie niet nader uitgewerkt. Scholten heeft betoogd dat de wet wel een nadere uitwerking van de rechtsvorm garantie bevat, door de wel uitgewerkte rechtsfiguur borgtocht als een species van de garantie te beschouwen:2
“Van deze garantie-overeenkomst is de borgtocht een species. Ook de borg is (voorwaardelijk) schuldenaar, maar hij is schuldenaar alleen, omdat hij aansprakelijk is. Het bijzondere van den borgtocht ligt hierin, dat het resultaat dat de borg belooft niet is in het algemeen een daad van een derde, maar speciaal de nakoming van een verbintenis door dezen. Voor een bestaande schuld van dezen stelt hij zich aansprakelijk, van die schuld hangt zijn aansprakelijkheid af en daarnaar richt zij zich.”
Wanneer onder het OBW borgtocht als een species van de garantieovereenkomst werd beschouwd, dan werd met borgtocht invulling gegeven aan de term ‘garantie’. De termen ‘garantie’ en ‘garant stellen’ zijn destijds ook herhaaldelijk gebezigd in de parlementaire geschiedenis van de Nederlandse groepsvrijstellingsregeling en in de Europese richtlijnen. Als borgtocht een species van garantie is, past borgtocht als zekerheid binnen de kaders die worden genoemd in de parlementaire geschiedenis en lijkt hoofdelijkheid, waarover in de parlementaire overwegingen niet wordt gesproken, een vergissing te zijn.
Scholten heeft betoogd dat de borgtocht een specifieke verschijningsvorm van de rechtsvorm garantie is.3 Volgens hem is de kerngedachte achter een garantie en een borgstelling (anders dan bij hoofdelijkheid) dat een partij zich sterk maakt voor een ander voor een schuld die hem niet aangaat.
Een ander onderscheid met hoofdelijkheid is dat bij de borgstelling alsook bij de garantieovereenkomst aansprakelijkheid voortvloeit uit een specifiek daartoe gesloten overeenkomst. Bij een hoofdelijke verbintenis ontbreekt een dergelijke zelfstandige grondslag voor de binding van de hoofdelijk schuldenaren. Hoofdelijke gebondenheid voor meerdere schuldeisers ontstaat op basis van eenzelfde (gedeelde) causa. Hier past wel enige nuance. Hoewel het uitgangspunt bij hoofdelijke aansprakelijkheid is dat deze ontstaat op basis van eenzelfde feit, is dit uitgangspunt in artikel 1331 OBW verlaten. In die bepaling valt terug te lezen dat partijen zich tot hoofdelijk schuldenaar kunnen verklaren. Daarmee is sprake van een zelfstandige rechtshandeling op basis waarvan de hoofdelijke gebondenheid ontstaat.
Scholten gaf met zijn betoog de dogmatische onderbouwing voor een keuze die de Hoge Raad had gemaakt. In zijn arrest van 19234 had de Hoge Raad geoordeeld dat de veel gebruikte rechtsfiguur ‘hoofdelijke borg’ een variant van borgtocht was en dat dit geen vorm van hoofdelijkheid was. Omdat een dogmatische onderbouwing in het voornoemde arrest ontbrak, leek de keuze van de Hoge Raad voornamelijk een praktisch antwoord op de vraag of de bepalingen van borgtocht of de bepalingen van hoofdelijkheid van toepassing waren op de veel gebruikte – in de praktijk ontwikkelde – rechtsfiguur ‘hoofdelijke borg’.
Het OBW maakte geen duidelijk onderscheid tussen de rechtsfiguren hoofdelijkheid en borgtocht. De Hoge Raad had wel aangegeven dat de bepalingen van borgtocht van toepassing waren op de rechtsfiguur waarbij een partij zich garant verklaarde voor de schuld van een derde, welke rechtsfiguur werd aangeduid als hoofdelijke borg. De opvatting dat er een strikt onderscheid bestond tussen borgtocht en hoofdelijkheid en dat borgtocht moest worden gezien als een species van de rechtsfiguur garantie, kwam voornamelijk voort uit de meningen die werden gegeven in de literatuur. Daarin werd als vaststaand feit aangenomen dat borgtocht een species was van de rechtsfiguur garantie. Als zeer sprekend voorbeeld kan een citaat worden genomen van Suijling, uit het door hem geschreven handboek Inleiding tot het Burgerlijk Recht:5
“Tot de groote groep der garantieovereenkomsten behoort de borgtocht.”
Bergervoet heeft de ontwikkeling in zijn proefschrift treffend samengevat en concludeert als volgt:6
“De tegenstelling die door Scholten werd opgeworpen tussen beide rechtsfiguren is hardnekkig gebleken en heeft tot het einde van het OBW zijn kracht behouden. Omdat vele auteurs het niet eens waren met de argumenten van de Hoge Raad, maar wel met de uitkomst van het arrest, is een rijke variatie ontstaan aan dogmatische onderbouwingen die de gedachte ondersteunen dat de voorrechten van uitwinning en schuldsplitsing niet aan de hoofdelijke borg toekomen. Elke auteur die een dergelijke variatie heeft aangedragen, gaat evenwel uit van de tegenstelling tussen hoofdelijkheid en borgtocht zoals in de eerste plaats door Scholten werd opgetekend.
Men kan op grond van het bovenstaande de conclusie trekken dat onder het OBW de visie van Scholten wellicht niet altijd in letterlijke zin werd gevolgd, maar dat zijn benadering in ieder geval wel richtinggevend is geweest voor de discussie. De verhouding tussen borgtocht en hoofdelijkheid is daarbij op een andere manier ingevuld dan bijvoorbeeld in Frankrijk het geval is. Borgtocht en hoofdelijkheid onder het OBW sloten elkaar volgens de heersende leer, zelfs als het de ‘hoofdelijke’ borg betreft, wederzijds uit. Het bleek daarbij ook dat de introductie van borgtocht als garantieovereenkomst niet los gezien kan worden van de tegenstelling die is ontstaan tussen borgtocht en hoofdelijkheid. De borg was onder het OBW een garant en hoewel de ‘hoofdelijke’ borg de rechtspraktijk domineerde, was de grondslag voor zijn aansprakelijkheid volgens de heersende leer in ieder geval geen hoofdelijke verbintenis.”