Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.2.3.3:6.2.3.3 Artikel 4:84 Awb
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.2.3.3
6.2.3.3 Artikel 4:84 Awb
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS468072:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hoge Raad 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL2153, Hoge Raad 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7045 en Hoge Raad 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS6581.
Vgl. De Kleer 2005, TFB 2005/06.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als een bestuursorgaan een bevoegdheid is toegekend met een zekere discretionaire ruimte om een besluit te nemen, kunnen beleidsregels worden vastgesteld ter invulling van die ruimte (artikel 4:81 Awb). Het bestuursorgaan is vervolgens verplicht om volgens die beleidsregels te handelen. Maar in sommige gevallen kan de toepassing van een beleidsregel leiden tot een onevenredige uitkomst. Vandaar dat artikel 4:84 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan van de beleidsregel mag afwijken, als de gevolgen van het besluit ‘wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen’ (de inherente afwijkingsbevoegdheid). Artikel 4:84 Awb behelst dus net als artikel 3:4, tweede lid, Awb een codificatie van het proportionaliteitsbeginsel en is eveneens van belang bij het opleggen van fiscale bestuurlijke boeten, zoals ook verschillende malen door de Hoge Raad is bevestigd.1
Overigens is de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 Awb naar mijn mening van beperkt belang voor het fiscale bestuurlijke boeterecht. Het BBBB kent immers vrij uitgebreide bepalingen ten aanzien van individuele straftoemeting (zie de paragrafen 6 tot en met 8 BBBB, zie hierna onderdeel 6.2.3.6). Daarnaast blijkt uit het BBBB dat het aantal strafverzwarende en strafverminderende omstandigheden niet limitatief is. Zo zijn de begrippen ‘wanverhouding’ en ‘verzachtende omstandigheden’ vrij onbegrensde categorieën van strafverminderende omstandigheden. Hetzelfde kan gezegd worden van de bewoordingen van het achtste en tiende lid van paragraaf 8 van het BBBB voor wat betreft het aantal strafverzwarende omstandigheden. Kortom, de beleidsregels van het BBBB geven zelf reeds in ruime mate invulling aan het proportionaliteitsbeginsel, waardoor de inspecteur weinig behoefte zal hebben om gebruik te maken van de bevoegdheid om op grond van artikel 4:84 Awb van het BBBB af te wijken.
Voorgaande neemt niet weg dat het BBBB op sommige punten een zekere ruwheid vertoont, waardoor onverkorte toepassing tot een te hoge boete kan leiden. Daarbij kan gedacht worden aan lid 3a van paragraaf 7, waarin gesteld wordt dat de absolute hoogte van de boete op zichzelf geen aanleiding vormt om de boete te verminderen, of aan de bepaling dat de inspecteur niet gehouden is ambtshalve onderzoek te doen naar strafverminderende omstandigheden (paragraaf 6, lid 5, derde volzin). Strikte toepassing van deze bepalingen kan disproportioneel uitwerken. Artikel 4:84 Awb kan in een dergelijk geval als veiligheidsventiel fungeren.2